RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/79 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2022 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Hanna), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 5 januari 2022 heeft eiseres beroep ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 30 augustus
- In het besluit van 27 januari 2022 heeft verweerder een beslissing genomen op de aanvraag. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij zich verzet tegen een proceskostenvergoeding. Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
- De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
- De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten af. Dit omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag niet-ontvankelijk zou zijn verklaard.
- Eiseres heeft op 30 augustus 2021 een aanvraag ingediend voor toetsing van haar situatie aan het EU-recht (bewijs van rechtmatig verblijf). Voor een dergelijke aanvraag heeft verweerder zes maanden de tijd om een beslissing te nemen, dus tot 1 maart
- Eiseres heeft verweerder op 20 december 2021 dan ook te vroeg in gebreke gesteld. Bovendien heeft verweerder binnen de beslistermijn een beslissing genomen. Hierom zou het beroep van eiseres niet-ontvankelijk zijn verklaard. Nu het beroep van eiseres niet zou slagen, bestaat er ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
- Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 november
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 10 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden en artikel 8.13, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit
- De beslistermijn staat juist in het aanvraagformulier vermeld.