RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/2262 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2022 in de zaak tussen [eiseres] (eiseres) V-nummer: [V Nummer] (gemachtigde: S. Ogando Perez), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) (gemachtigde: mr. S. Pols). Inleiding Op 8 maart 2021 heeft eiseres verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 14 oktober 2021 afgewezen. De staatssecretaris heeft dat gedaan op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het om een herhaalde aanvraag gaat en geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die aanleiding geven tot heroverweging van het eerdere besluit. Met het bestreden besluit van 6 april 2022 op het bezwaar van eiseres, is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 12 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de staatssecretaris en [Zoon] , de zoon van eiseres. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de staatssecretaris de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft mogen afwijzen onder verwijzing naar het eerder genomen besluit. De rechtbank vindt van wel en overweegt daartoe als volgt. Als na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, moet de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, tenzij dit evident onredelijk is. Is er sprake van een herhaalde aanvraag?
- De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van 8 maart 2021, die in deze procedure ter beoordeling voorligt, de derde aanvraag is waarin eiseres aan de staatssecretaris verzoekt om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. Dat betekent dat sprake is van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Is er sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden?
- Op de zitting heeft de rechtbank aan partijen gevraagd of er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Beiden hebben te kennen gegeven dat er niet iets nieuws is ten opzichte van de eerdere aanvragen. De rechtbank is daarmee van oordeel dat er dus geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Is het evident onredelijk van verweerder om dit tegen te werpen?
- Een bestuursorgaan mag terugverwijzen naar een eerder besluit in de zin van artikel 4:6 van de Awb, tenzij dat evident onredelijk is. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. Eiseres heeft op de zitting aangegeven dat niet van haar zoon mag worden gevraagd dat hij terugkeert naar Spanje, maar heeft verder niet onderbouwd waarom de belangen van haar zoon maken dat het besluit evident onredelijk is. Daarbij heeft de staatssecretaris terecht opgemerkt dat het er bij een beoordeling van een aanvraag zoals deze niet om gaat of van een Nederlands kind kan worden gevraagd om naar een ander Europees land te gaan, maar dat het gaat om (onder meer) de vraag of het uitblijven van een verblijfsrecht tot gevolg heeft dat een Nederlands kind de Europese Unie zou moeten verlaten. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2022 door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit volgt uit artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Zie daarnaast bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2422.