RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL22.13837 en NL22.13839 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [Eiser/Verzoeker] , eiser/verzoeker V-nummer: [V Nummer] (gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.R. de Groot). Procesverloop Verweerder heeft op 24 maart 2022 vastgesteld dat eiser/verzoeker (hierna: eiser) geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt, maar dat is op 5 juli 2022 ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft eiser beroep ingesteld. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Hij wil dat hij in Nederland mag blijven totdat op zijn beroep is beslist. Daarnaast heeft hij een verzoek gedaan om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening verzoek op 6 december 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beslissing De rechterbank: - verklaart het beroep ongegrond; De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Overwegingen Beroep
- De rechtbank geeft ten aanzien van het beroep hiervoor de volgende uitleg.
- Eiser erkent dat hij strikt genomen niet aan de regels voor rechtmatig verblijf voldoet, maar hij vindt dat verweerder een verkeerde belangenafweging heeft gemaakt. Eiser heeft aangevoerd dat zijn belangen om in Nederland te blijven groter zijn dan het belang van verweerder om van hem te eisen dat hij terug gaat naar Polen. Eiser heeft een reële kans om werk te vinden in Nederland, want hij heeft vroeger ook hier gewerkt en heeft hier economische contacten. Verweerder heeft ten onrechte niet gekeken naar eisers arbeidsverleden van vóór
- In Polen heeft hij geen economisch vooruitzicht. Dat eiser sinds 2019 geen werk meer heeft gehad in Nederland is niet zijn schuld: zijn paspoort is gestolen en daardoor kon hij niet meer werken. Ook heeft eiser sociale contacten in Nederland.
- De rechtbank oordeelt dat verweerder niet ten onrechte heeft beslist dat eiser niet in Nederland mag blijven. Verweerder heeft de door eiser genoemde omstandigheden betrokken bij zijn belangenafweging en heeft in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat de belangenafweging in eisers nadeel uitvalt. Verweerder heeft er op kunnen wijzen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Nederland een reële kans heeft op werk, onder andere omdat hij de laatste 2 ½ jaar niet heeft gewerkt en niet heeft laten zien dat hij naar werk zoekt. Verweerder heeft in het systeem van het Uwv gekeken naar de periode vóór 2017 en daaruit is gebleken dat eiser voor 2017 geen geregistreerd werk heeft gedaan. Verweerder kon daar dus verder niets mee in het kader van de belangenafweging. Dat eiser niet kan werken omdat hij geen paspoort heeft, hoefde bij verweerder niet tot een andere afweging te leiden. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser bij de belangenafweging mogen betrekken dat eiser in Nederland geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, dat hij grootste deel van zijn leven buiten Nederland heeft gewoond en dat hij hier geen familie- of gezinsleven heeft. Dat eiser in Nederland sociale contacten heeft, hoefde bij verweerder niet tot een andere beslissing te leiden alleen al omdat eiser dit verder niet heeft onderbouwd.
- Eiser heeft ook aangevoerd dat een vertrektermijn van één maand het minimum is op grond van de Verblijfsrichtlijn1 en het arrest F.S.2 van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dat het een minimumvertrektermijn is, impliceert volgens eiser dat verweerder actief had moeten onderzoeken of er in het geval van eiser feiten en omstandigheden waren die een langere vertrektermijn zouden rechtvaardigen. Verweerder had ter zake een belangenafweging moeten maken.
- De rechtbank overweegt dat in artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn en rechtsoverweging 79 van het arrest F.S. staat dat behalve in dringende gevallen de vertrektermijn niet korter mag zijn dan één maand. De rechtbank leest daar niet direct de implicatie in die eiser stelt. Voor zover artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn en het arrest F.S. ruimte bieden voor de interpretatie die eiser hier aan geeft, stelt de rechtbank vast dat er noch in de bezwaarfase, noch in het beroepschrift noch tijdens de zitting door eiser belangen zijn gesteld die tot de conclusie hadden moeten leiden dat eiser een langere vertrektermijn hadden moeten krijgen. Dat had wel op de weg van eiser gelegen.
- Het beroep is ongegrond.
- Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. 2 ECLI:EU:C:2021:
- Voorlopige voorziening
- Omdat er nu is beslist op het beroep, heeft eiser geen belang meer bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Dat verzoek wordt daarom afgewezen. Vrijstelling griffierecht
- Dit verzoek wordt toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij het griffierecht niet kan betalen. Proceskostenvergoeding
- Er bestaat geen reden om aan eiser een proceskostenvergoeding toe te kennen. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2022 door mr. J.G. Nicholson, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 12 december 2022 Documentcode: [Documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop het proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter staat geen hoger beroep of verzet open.