← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:15556

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25390 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V Nummer] (gemachtigde: mr. J. Hemelaar), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou). Procesverloop Verweerder heeft op 4 november 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij besluit van 10 december 2022 heeft verweerder onder meer de maatregel van bewaring op grond van het bepaalde in artikel 59b, eerste lid en onder c, van de Vw met ten hoogste drie maanden verlengd. Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld en verzocht om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Verweerder heeft op 12 december 2022 de maatregel van bewaring opgeheven nadat deze rechtbank en zittingsplaats op die datum een beroep tegen het voortduren van de maatregel van 4 november 2022 gegrond heeft verklaard en de onmiddellijke invrijheidsstelling van eiser heeft gelast

  1. Bij bericht van 16 december 2022 heeft eiser het verzoek om schadevergoeding ingetrokken en het beroep voor het overige gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2022 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1 Uitspraak van 12 december 2022, kenmerk NL22.24032 Overwegingen
  2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 december 2022 (in de zaak NL22.24032) volgt dat de maatregel van bewaring in de periode 6 december 2022 tot en met 12 december 2022 onrechtmatig was. De rechtbank heeft de opheffing van de maatregel bevolen per 12 december
  3. Uit het beroep en de ingediende gronden begrijpt de rechtbank dat eiser de periode na de verlenging van de maatregel op 10 december 2022 tot aan de opheffing daarvan op 12 december 2022 door de rechtbank beoordeeld wenst te zien. Het verlengingsbesluit heeft evenwel geen rechtsgevolg, omdat de maatregel van bewaring al met ingang van 6 december 2022 onrechtmatig is geoordeeld. Hieruit vloeit voort dat eiser met zijn huidige beroep tegen het verlengingsbesluit van 10 december 2022 niet méér kan bereiken dan datgene wat de rechtbank al heeft geoordeeld.
  4. Gelet hierop is het verlengingsbesluit van 10 december 2022 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, of een daarmee gelijk te stellen besluit of handeling. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd.
  5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier. 27 december 2022 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking. Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.