vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/622538 / HA ZA 21-1117 Vonnis van 24 augustus 2022 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [plaats 1] , 2. [eiser 2], te [plaats 1] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat mr. M.F. Mooibroek te Utrecht, tegen NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ NV, te Den Haag, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. M. de Haan te Den Haag. Partijen zullen hierna [eisers] en NN genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 14 december 2021, met producties; de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties; het tussenvonnis van 6 april 2022 waarin een mondelinge behandeling is bevolen; conclusie van antwoord in reconventie, met producties. 1.2. Op 21 april 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen: [eiser 1] en [eiser 2] , allebei in persoon, bijgestaan door de advocaat voornoemd; namens NN: mr. [naam 1] (jurist bij Movir/ Nationale-Nederlanden) en mr. [naam 2] (jurist afdeling speciale zaken Nationale-Nederlanden), bijgestaan door de advocaat voornoemd. 1.3. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard. Deze aantekeningen zijn in het dossier gevoegd. 1.4. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser 1] en [eiser 2] zijn echtgenoten. Zij zijn beiden huisarts van beroep en hadden tot januari 2021 gezamenlijk meerdere huisartsenpraktijk(en). Vanaf 2011 was dat een huisartsenpraktijk in Rotterdam ([praktijknaam1]), in 2013 kwam daar een huisartsenpraktijk in Dordrecht bij en in 2017 nog een huisartsenpraktijk in Rotterdam ([praktijknaam2]). 2.2. [eisers] zijn sinds 2011 bij NN (tevens handelend onder de naam Movir) verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid in hun hoedanigheid van huisarts. 2.3. In 2013 is bij [eiser 2] Multiple Sclerose (MS) gediagnosticeerd. Enige jaren later, eind 2017, heeft [eiser 1] burn-out klachten gekregen. 2.4. [eiser 2] en [eiser 1] hebben beide (individueel) een beroep gedaan op hun arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. [eiser 2] 2.5. [eiser 2] ontvangt per november 2013 uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid. Op 28 februari 2018 heeft [eiser 2] een wijziging in zijn gezondheidstoestand aan NN doorgegeven. Op 9 maart 2018 heeft NN in reactie daarop aan [eiser 2] bericht dat hij volledig arbeidsongeschikt is en blijft en dat NN, gezien zijn situatie en de beschikbare informatie, wil voorstellen het dossier van [eiser 2] aan te merken als een CNMN dossier. NN heeft toegelicht dat dit betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser 2] tot het einde van de verzekering wordt vastgezet op 80-100% en dat er geen onderzoeken meer volgen. [eiser 2] wordt verzocht om jaarlijks een door NN toegezonden brief te ondertekenen zodat het recht op uitkering door NN kan worden getoetst. [eiser 2] heeft hiermee ingestemd. [eiser 1] 2.6. Aan [eiser 1] is in 2017 een uitkering verstrekt op basis van 50% arbeidsongeschiktheid. In juli 2018 is de arbeidsongeschiktheidsklasse van [eiser 1] gewijzigd in 80 – 100%. Vanaf oktober 2021 is [eiser 1] ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 – 80% en vanaf november 2021 in de klasse 25 – 35%. Per 21 februari 2022 is [eiser 1] weer volledig arbeidsgeschikt en maakt zij geen aanspraak meer op een uitkering. 2.7. In het dossier van [eiser 1] zijn (in ieder geval) de volgende documenten opgenomen. een psychiatrische rapportage (maart 2018); een verslag van een arbeidsdeskundige (juni 2018); een rapportage van een begeleider (juli 2018); een verslag van een bedrijfsarts (oktober 2018); een verslag van een arbeidsdeskundige (december 2018); een verslag van een arbeidsdeskundige (januari 2020); een psychiatrische rapportage (maart 2020); een e-mail van een re-integratie adviseur (oktober 2021); een e-mail van een re-integratie adviseur (november 2021). Onderzoek NN 2.8. In juni 2020 zijn de dossiers van [eiser 2] en [eiser 1] door NN overgedragen voor onderzoek aan de afdeling speciale zaken. Het onderzoek werd uitgevoerd door de heer [naam 3]. [naam 3] heeft [eisers] verzocht om onder meer de jaarstukken en belastingaangiften van de huisartsenpraktijken, aangiften inkomstenbelasting, facturen van waarnemers die door de huisartsenpraktijken zijn ingezet, agenda’s van [eisers] en contactgegevens van werknemers van de huisartsenpraktijken te verstrekken. [naam 3] heeft [eisers] daarnaast geïnterviewd en [eiser 1] verzocht om een machtiging te tekenen waarmee NN informatie bij het UWV kon opvragen. 2.9. [eisers] hebben een groot deel van de verzochte informatie aan NN verschaft, maar niet voldaan aan het verzoek om contactgegevens van waarnemers en werknemers van de huisartsenpraktijken te verstrekken. Ook de facturen die de waarnemers aan de praktijken hebben gezonden zijn niet verstrekt. Evenmin hebben [eisers] hun agenda’s ter beschikking gesteld. 2.10. Bij e-mail van 23 oktober 2020 heeft NN aan [eisers] bericht dat zij onvoldoende medewerking verlenen aan het onderzoek en dat de uitkeringsrechten van [eisers] per 1 november 2020 worden opgeschort totdat de opgevraagde informatie is aangeleverd. 2.11. Bij brief van 27 november 2020 heeft de advocaat van [eisers] NN gesommeerd om de uitkeringen aan [eisers] per direct te hervatten. In de brief heeft de advocaat van [eisers] het standpunt ingenomen dat er geen redelijke grondslag bestaat voor opschorting van deze betalingen omdat het onderzoek van NN niet aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit voldoet. 2.12. Na overleg heeft NN de uitkering van [eiser 2] (voorlopig) hervat. Bij brief van 8 januari 2021 heeft NN opnieuw het standpunt ingenomen dat [eisers] niet voldoen aan de op hen rustende medewerkingsplicht. Volgens NN heeft zij een gerechtvaardigd belang bij de gevraagde informatie en waren de uitkeringen aan eisers terecht opgeschort. NN heeft [eisers] verder laten weten dat zij de verzekeringsovereenkomsten kan beëindigen als [eisers] blijven weigeren de gevraagde informatie te overleggen. 2.13. Vervolgens is tussen de advocaat van [eisers] en NN gecorrespondeerd. De advocaat van [eisers] heeft zich in die correspondentie op het standpunt gesteld dat sprake is van een persoonlijk onderzoek als bedoeld in de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (hierna: GPO) en dat NN zich niet heeft gehouden aan de regels die in deze gedragscode zijn opgenomen. NN heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een persoonlijk onderzoek maar van een feitenonderzoek en dat [eisers] zijn gehouden hun medewerking te verlenen. 3Het geschil in conventie 3.1. Samengevat vorderen [eisers] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: in de hoofdzaak I. NN te gelasten het onderzoek op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden te staken en gestaakt te houden; II. NN te gelasten de verzekeringsuitkeringen van [eisers] te hervatten en hervat te houden conform de voor hen geldende arbeidsongeschiktheidspercentages; III. NN te veroordelen tot betaling van € 62.891 aan [eiser 1] over de periode van november 2020 tot en met 10 oktober 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente; IV. NN te veroordelen om aan [eiser 1] vanaf 11 oktober 2021 een bedrag te betalen waarop zij op grond van het voor haar geldende arbeidsongeschiktheidspercentage recht heeft; één en ander op straffe van een dwangsom; V. een verklaring voor recht dat NN aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade vanwege het verrichten van onrechtmatig onderzoek naar [eisers] en het in strijd met de verzekeringsovereenkomst weigeren van uitkering, de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; VI. NN te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.403,91; in het incident VII. NN te bevelen voor de duur van de hoofdzaak de verzekeringsuitkeringen conform de thans geldende arbeidsongeschiktheidspercentages te hervatten en hervat te houden en de achterstallige verzekeringsuitkeringen van [eiser 1] ter hoogte van € 62.891 en het verschuldigde bedrag vanaf 11 oktober 2021 alsnog te voldoen; VIII. NN te bevelen voor de duur van de hoofdzaak de uitkeringen op grond van de verzekeringsovereenkomst aan [eisers] te hervatten zolang en naar de mate dat zij arbeidsongeschikt zijn, althans een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen ordemaatregel; één en ander op sraffe van een dwangsom; in alle gevallen IX. veroordeling van NN in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eisers] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat het door NN uitgevoerde onderzoek onrechtmatig is. Het onderzoek betreft een persoonlijk onderzoek waarop de GPO van toepassing is. NN heeft zich niet aan de regels in deze gedragscode gehouden. Zij heeft niet duidelijk gemaakt wat de aanleiding voor het onderzoek was. Het onderzoek was verder niet noodzakelijk en voldeed niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. [eisers] waren niet gehouden de door NN gevraagde informatie te verstrekken. NN heeft dus ten onrechte het standpunt ingenomen dat [eisers] niet hebben voldaan aan de op hen rustende medewerkingsplicht en de uitkeringen van [eisers] , althans [eiser 1] , ten onrechte opgeschort. 3.3. NN heeft de vorderingen betwist en geconcludeerd tot afwijzing ervan. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. Samengevat vordert NN, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: een verklaring voor recht dat NN vanaf 6 maart 2020 geen uitkering meer verschuldigd is aan [eiser 1] wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis; [eisers] hoofdelijk te veroordelen om binnen 7 dagen na dit vonnis (een afschrift van) de bescheiden zoals opgesomd in 7.2 van de conclusie van antwoord te verstrekken op straffe van een dwangsom; veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure in conventie en reconventie, inclusief de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.6. NN heeft aangevoerd dat uit de psychische rapportage van 6 maart 2020 volgt dat er bij [eiser 1] geen sprake (meer) is van een stoornis of van een medisch objectiveerbare beperking, zodat op grond van de polisvoorwaarden vanaf dat moment geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid en [eiser 1] geen recht meer heeft op een uitkering. Verder heeft NN zich op het standpunt gesteld dat [eisers] op grond van de polisvoorwaarden en artikel 7:941 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn gehouden mee te werken aan de informatieverzoeken van NN. 3.7. [eisers] hebben de vorderingen betwist en geconcludeerd tot afwijzing ervan. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en reconventie Heeft [eiser 1] na 6 maart 2020 nog recht op een uitkering? 4.1. Omdat dit de meest verstrekkende vordering is, zal de rechtbank eerst beoordelen of de vordering van NN slaagt om voor recht te verklaren dat zij vanaf 6 maart 2020 geen uitkering meer verschuldigd is aan [eiser 1] wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis (vordering A in reconventie). Volgens NN is op 6 maart 2020 een psychiatrisch onderzoek verricht en is toen vastgesteld dat geen sprake (meer) is van een stoornis of van een medisch objectiveerbare beperking, zodat op grond van de polisvoorwaarden vanaf dat moment geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid en [eiser 1] geen recht meer heeft op een uitkering. 4.2. De rechtbank overweegt als volgt. Aan [eiser 1] is in 2017 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Die uitkering wordt gedaan op basis van de mate van arbeidsongeschiktheid, waarvoor verschillende klassen gelden. Omdat de mate van arbeidsongeschiktheid niet statisch is, wordt van de verzekerde verlangd dat hij of zij wijzigingen in zijn of haar situatie aan de verzekeraar meldt, zodat die aan de hand daarvan kan beoordelen of er aanleiding is de mate van arbeidsongeschiktheid bij te stellen. Ook is een verzekerde op grond van de polisvoorwaarden verplicht om mee te werken aan onderzoeken door een door de verzekeraar aangewezen deskundige. 4.3. Uit de stukken volgt dat [eiser 1] verschillende keren is onderzocht door een deskundige, waaronder een psychiater en een bedrijfsarts, en dat daarvan telkens rapport is opgemaakt. Verder volgt uit de stukken dat [eiser 1] verschillende keren een wijziging in haar situatie heeft doorgegeven. Daarop heeft zij telkens een reactie van NN ontvangen waarin staat wat dit voor haar (mate van) arbeidsongeschiktheid, en dus voor de hoogte van haar uitkering, betekent. 4.4. Meer concreet is in maart 2020 (voormeld) psychiatrisch onderzoek verricht waarvan een rapport is opgemaakt. Hoewel daarin staat dat geen sprake (meer) is van een stoornis of van een medisch objectiveerbare beperking, heeft NN in het rapport destijds kennelijk geen aanleiding gezien om de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser 1] te wijzigen. Die is onveranderd 80 – 100% gebleven. Wanneer [eiser 1] in oktober 2021, dus ruim anderhalf jaar later, een wijziging in haar situatie doorgeeft, laat de re-integratieadviseur van NN aan haar weten dat haar mate van arbeidsongeschiktheid naar beneden wordt bijgesteld naar 65 – 80 %. Weer een maand later, als [eiser 1] opnieuw een wijziging in haar situatie heeft doorgegeven, heeft de re-integratieadviseur haar per e-mail laten weten dat haar mate van arbeidsongeschiktheid wordt gewijzigd in 25 – 30%. Al die tijd heeft NN in het rapport van de psychiater van 6 maart 2020 dus geen aanleiding gezien de mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen, in die zin dat zij weer arbeidsgeschikt wordt bevonden. Dat standpunt heeft NN pas in deze procedure ingenomen. 4.5. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is de rechtbank echter van oordeel dat [eiser 1] er, gelet op de verklaringen en gedragingen van de zijde van NN, gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het rapport van de psychiater niet in de weg stond aan haar aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het valt ook niet in te zien waarom NN anders enkele maanden later een onderzoek is gestart en een grote hoeveelheid informatie bij [eiser 1] heeft opgevraagd. Dat ligt niet voor de hand als [eiser 1] geen aanspraak op een uitkering kon maken omdat zij niet langer arbeidsongeschikt was. 4.6. De vordering van NN in reconventie onder A zal dus worden afgewezen. De rechtbank acht het overigens ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar alsnog te bepalen dat [eiser 1] vanaf 6 maart 2020 geen aanspraak meer kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat [eiser 1] dan feitelijk haar recht op een herbeoordeling wordt ontnomen. In de polisvoorwaarden staat namelijk dat een verzekerde een herbeoordeling kan aanvragen als hij of zij het niet eens is met het standpunt van de verzekeraar over de mate van arbeidsongeschiktheid. De verzekerde moet een verzoek om een herbeoordeling binnen 30 dagen doen. Ter zitting heeft NN desgevraagd bevestigd dat een herbeoordeling niet met terugwerkende kracht mogelijk is. Dat NN het – bij nader inzien – jaren later niet eens is met haar eigen standpunt over de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser 1] moet in dit licht bezien dan ook voor haar rekening en risico komen. Feitenonderzoek of persoonlijk onderzoek? 4.7. NN heeft in 2020 een onderzoek ingesteld en gedurende dit onderzoek verschillende stukken en/of gegevens bij [eisers] opgevraagd. [eisers] hebben voor een groot deel gehoor gegeven aan de verzoeken van NN, maar ook geweigerd bepaalde informatie aan NN te verstrekken. Het valt de rechtbank op dat NN in de loop van het onderzoek soms wisselende standpunten richting [eisers] heeft ingenomen. Eerder door NN opgevraagde informatie behoefde op enig moment niet meer te worden verstrekt en op een later moment toch weer wel. Wat daar ook van zij, de rechtbank begrijpt dat NN zich in deze procedure op het standpunt stelt dat [eisers] de volgende informatie ten onrechte niet hebben verstrekt (zie ook punt 7.2 van haar conclusie van antwoord): De facturen van de waarnemers [de rechtbank begrijpt over de periode van 2013 tot heden]; Een weekoverzicht van de patiëntgebonden werkzaamheden in de drie praktijken in de jaren van uitkering (2013 tot heden) en de inzet van personeel en waarnemers respectievelijk [eisers] bij die werkzaamheden; De verklaringen van [eiser 1] aan het UWV alsmede het onderzoeksrapport van UWV van 27 mei 2020; De contactgegevens van de personeelsleden en waarnemers die de werkzaamheden van [eisers] hebben waargenomen dan wel verklaringen van de personeelsleden en waarnemers over de omvang van de werkzaamheden in de praktijken en hun aandeel daarin over 2013 tot heden. 4.8. Een vraag die partijen verdeeld houdt, is of het onderzoek van NN kwalificeert als een feitenonderzoek of als een persoonlijk onderzoek in de zin van de GPO. Volgens [eisers] is dit laatste het geval. NN heeft dit weersproken en zich op het standpunt gesteld dat [eisers] zijn gehouden op grond van de polisvoorwaarden informatie te verstrekken. 4.9. De rechtbank stelt voorop dat zij uitgaat van de door NN bij productie B overgelegde polisvoorwaarden, nu NN heeft gesteld dat dit de polisvoorwaarden zijn die van toepassing zijn en [eisers] dit vervolgens niet hebben weersproken. Zij hebben slechts opgemerkt dat de polisvoorwaarden niet wezenlijk verschillen van de polisvoorwaarden die zij in het geding hebben gebracht. 4.10. Op grond van artikel 3.1 van de polisvoorwaarden zijn [eisers] onder meer gehouden om, in geval van arbeidsongeschiktheid, aan NN (althans Movir) aangewezen deskundigen alle benodigde gegevens te (laten) verstrekken en geen feiten of omstandigheden te verzwijgen die nodig zijn voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid en het recht op uitkering. Deze inlichtingenplicht volgt ook uit de wet, artikel 7:941 lid 2 BW. 4.11. Volgens [eisers] waren zij desondanks niet gehouden voornoemde informatie aan NN te verstrekken omdat het onderzoek van NN niet aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit voldoet. Het onderzoek is aan te merken als een persoonlijk onderzoek en [eisers] verwijten NN in strijd te handelen met de voor NN geldende GPO en daarmee onrechtmatig richting [eisers] 4.12. De rechtbank stelt voorop dat onderscheid moet worden gemaakt tussen een ‘feitenonderzoek’ en een ‘persoonlijk onderzoek’. De GPO ziet alleen op het persoonlijk onderzoek, zodat eerst moet worden nagegaan wat het karakter is van het door NN verrichte onderzoek. 4.13. De GPO definieert het feitenonderzoek als “het onderzoek dat wordt ingesteld naar de feiten, omstandigheden en gedragingen van betrokkene die nodig zijn voor de beoordeling van een verzekeringsaanvraag, lopende verzekeringsovereenkomst, schademelding of andere aanspraak op uitkering of prestatie.” Het persoonlijk onderzoek wordt in de GPO omschreven als “het onderzoek volgend op een feitenonderzoek, naar gedragingen van betrokkene waarbij bijzondere onderzoeksmethoden en of bijzondere onderzoeksmiddelen worden gebruikt, dat inbreuk maakt of kan maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.” Aldus maakt de GPO bij een onderzoek door een verzekeraar onderscheid tussen de fase waarin een feitenonderzoek plaatsvindt en een daaropvolgende fase waarin het persoonlijk onderzoek plaatsvindt. In die vervolgfase worden bijzondere onderzoeksmethoden en/of middelen gebruikt en is mogelijk sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. Het feitenonderzoek richt zich op informatiebronnen waarvoor de verzekeraar geen bijzondere moeite hoeft te doen om ze te raadplegen, zoals algemeen toegankelijke informatie die zich in het publieke domein bevindt en informatie uit eigen bronnen (zie ook: Hof Arnhem Leeuwarden van 9 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2015:6816). 4.14. De onderzoeksmethoden die in de GPO worden genoemd zijn het interviewen van een betrokkene, het inwinnen van informatie bij derden en het observeren van betrokkene. 4.15. Hoewel uit de GPO voortvloeit dat het persoonlijk onderzoek volgt op het feitenonderzoek, is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van NN in dit geval het karakter heeft van beiden. 4.16. Zo hebben [eisers] onvoldoende onderbouwd gesteld waarom het verstrekken van facturen van waarnemers (zie 4.7 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.