RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL22.22282 en NL22.22284 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2], eisers V-nummers: [V nummer 1] & [V nummer 2] (gemachtigde: mr. M.J.W. Melchers), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de hun asielaanvragen. Op 25 januari 2023 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvragen. Het beroep van eisers wordt geacht mede gericht te zijn tegen het inwilligende besluit. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eisers hebben gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat eisers wilden en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Omdat eisers het beroep niet hebben ingetrokken, moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
- Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eisers gelijk hadden met hun beroep. Dit is om de volgende reden. Eisers wilden met hun beroep bereiken dat verweerder zou beslissen op hun aanvragen. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, heeft het beroep van eisers geen zin meer. Eisers hebben daarom geen belang meer bij zijn oorspronkelijke beroep (geen procesbelang). Proceskostenveroordeling
- De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken, nu het bestreden besluit van 25 januari 2023 te laat is genomen en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht is ingesteld door eisers. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen
- Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). (artikel 8:75 en 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
- De rechtbank stelt de proceskosten van eisers die verweerder moet betalen vast op € 418,
- Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).
- Verder beschouwt de rechtbank deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend (artikel 3 Bpb). De rechtbank kent de proceskostenveroordeling toe in de zaak met nummer NL22.
- Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50, toe te kennen in de zaak met nummer NL22.
- Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O.G. Hulsman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 april 2023 Documentcode: [Documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.