RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/2486 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2022 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. C.S. Schuurink), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans). Procesverloop Bij besluit van 14 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres per 26 februari 2019 een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Bij besluit van 13 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting op 21 juli 2021 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiseres, bijgestaan door mr. [naam 1] , kantoorgenoot van haar gemachtigde, en vergezeld van haar echtgenoot, [naam 2] , en haar begeleidster van de Thuiszorg, mevrouw [naam 3] , hebben daaraan deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn toenmalige gemachtigde, [naam 4] . De rechtbank heeft het onderzoek heropend en neuropsycholoog drs. T. Schoemaker (de deskundige) benoemd voor het uitbrengen van een deskundigenrapport over eiseres. Op 13 januari 2022 heeft de deskundige aan de rechtbank gerapporteerd. Eiseres heeft bij brief van 18 februari 2022 een reactie gegeven op het deskundigenrapport. Verweerder heeft bij brief van 22 maart 2022 een aanvullend rapport van de verzekeringsarts b&b van 18 maart 2022 overgelegd. Bij brief van 13 juni 2022 heeft de deskundige hierop gereageerd. Nadat geen van partijen te kennen had gegeven een nadere zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was werkzaam als schoonmaakster bij [bedrijfsnaam] B.V. voor gemiddeld 13,72 uur per week en heeft zich op 28 februari 2017 ziek gemeld in verband met meningokokken meningitis (hersenvliesontsteking). Aan eiseres is een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Eiseres heeft op 20 november 2018 een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet WIA. 2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres per 26 februari 2019 niet meer dan 35% arbeidsongeschikt is te achten en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. 3. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de mate van haar arbeidsongeschiktheid per datum in geding. De verzekeringsarts is te gemakkelijk uitgegaan van de juistheid van de informatie van de psychiater van 4 oktober 2019. Voorts stelt eiseres dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij heeft een neuropsychologisch onderzoek laten verrichten door F. Kovács. Zij is van mening dat uit het verslag van het NPO blijkt dat een (veel) groter deel van de door haar geclaimde klachten en beperkingen medisch objectiveerbaar zijn en dat haar beperkingen door verweerder zijn onderschat. Uit het verslag blijkt in voldoende mate dat eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van de bevindingen en conclusies van Kovács kan volgens eiseres worden aangenomen dat zij op datum in geding leed aan een ernstige psychische stoornis en dat zij op grond van artikel 2, vijfde lid, onder d, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten geen benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid had. Volgens eiseres is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid, zijnde de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Eiseres verzoekt de rechtbank bij twijfel hierover een deskundige te benoemen. 4. Naar aanleiding van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank neuropsycholoog drs. T. Schoemaker als deskundige benoemd om eiseres te onderzoeken en de rechtbank van advies te dienen. 5.1 De deskundige heeft de medische informatie in het dossier bestudeerd en eiseres op 10 december 2021 onderzocht. In zijn rapport van 13 januari 2022 heeft de deskundige geconcludeerd dat het niet eenduidig te bepalen is welke factoren, en in welke mate, op dit moment een rol spelen in het voornamelijk geobserveerde gedrag. Zowel de bewustzijnsdalingen, bloedspiegel fluctuaties als forse psychiatrische problematiek worden veelvuldig en consistent gerapporteerd (waarbij betrokkene ook momenten tijdelijk opknapte) en kunnen alle van aanzienlijke invloed op het gedrag zijn. Het huidige beeld wordt onvoldoende verklaard in het kader van enkel de doorgemaakte meningitis, gezien de tussentijdse verbeteringen in het functioneren, wel lijkt dit een luxerend moment voor verdere problematiek. Het is volgens de deskundige tevens niet reëel om al het geobserveerde gedrag te verklaren enkel vanuit het kader van onderpresteren of onvoldoende coöperativiteit. Hiermee wordt naar zijn mening namelijk te weinig zwaarte gegeven aan de forse psychiatrische problemen, al dan niet in combinatie met de bewustzijnsdalingen. Bij de beantwoording van de vraagstelling heeft de deskundige vermeld dat op basis van huidig onderzoek onvoldoende te objectiveren is welke als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen in haar gezondheidstoestand eiseres heeft. Er lijkt sprake van bewustzijnsdalingen. In hoeverre er sprake is van reële bewustzijnsdalingen of dat dit uitingen zijn van psychiatrische problematiek of mogelijk de ontregelde DM type 2 (minder waarschijnlijk volgens de deskundige) is bij het door hem verrichte onderzoek niet betrouwbaar vast te stellen. Een eenduidige verklaring voor de klachten kan niet worden gegeven, maar uitsluiten van reële problematiek is zijns inziens evenmin mogelijk. Gegeven de uitgebreide rapportages over het functioneren, dat ondanks (tijdelijke) verbeteringen consistent zeer beperkt lijkt te zijn, is het aannemelijk om dit functioneren voor waar aan te nemen en betrokkene dienovereenkomstig beperkingen toe te kennen. Uit het vakgebied en onderzoek van de deskundige komen forse beperkingen voor vasthouden en verdelen van de aandacht, concentratie en geheugen naar voren, zich ook uitend in een matige zelfverzorging. Gezien de langdurige aanwezigheid van deze beperkingen, de consistentie in de tijd van het beeld, dienen zijns inziens de beperkingen als zeer wezenlijk beschouwd te worden. De verzekeringsarts vermeldt in zijn sociaal-medische beoordeling dat hij verwacht dat de beperkingen in de tijd kunnen afnemen. De prognose daarvoor is volgens de deskundige gezien het voorgaande echter ongunstig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.