RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/8008 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2022 in de zaak tussen Air Liquide Industrie B.V., uit Rotterdam, eiseres (gemachtigden: mr. V.M.Y. van ’t Lam en mr. S. Putting), en het college van gedeputeerde staten van Zuid Holland, verweerder (gemachtigde: mr. M.M. de Vries, werkzaam bij de DCMR Milieudienst Rijnmond). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 29 oktober 2020 tot wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de inrichting van eiseres aan de [adres] te [plaats] . 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres, vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 4] en [naam 5] . Beoordeling door de rechtbank Wat beoordeelt de rechtbank? 2. De rechtbank beoordeelt de wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de inrichting van eiseres, voor zover het beroep van eiseres zich daartegen richt. Eiseres is van mening dat een aantal vergunningvoorschriften niet kan worden opgelegd, omdat daarvoor geen grondslag is. Het gaat om de voorschriften die zien op de installaties SRM1 en SMR2. Eiseres komt niet op tegen de voorschriften die zien op de installatie ATR. Toetsingskader 3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Zijn SMR1 en SMR2 in de chemische industrie gebruikte reactoren? Standpunt van eiseres 4.1. Eiseres betoogt dat voor het opleggen van voorschriften voor de SMR1 en SMR2 geen grondslag bestaat, omdat dit volgens haar in de chemische industrie gebruikte reactoren zijn. De paragrafen 5.1.1 en 5.1.5 van het Activiteitenbesluit, waarop de voorschriften zijn gebaseerd, zijn daarop niet van toepassing. Eiseres voert in de kern acht argumenten aan ter onderbouwing van haar stelling dat de SMR1 en SMR2 zijn aan te merken als in de chemische industrie gebruikte reactoren: Een reactor is volgens eiseres een installatie waarbij de chemische reactie continu verloopt door de aanwezige warmte, waarmee die warmte integraal onderdeel is van het productieproces. Het doel van een reactor is het produceren van een eindproduct door middel van een chemisch proces. In een SMR is sprake van een integraal systeem van verbranding en het ontstaan van de chemische reactie: het verbrandingsproces in de branders – waardoor de warmte ontstaat – leidt direct tot de chemische reactie in de reactorbuizen (die zich naast de branders bevinden). De SMR1 en SMR2 zijn bovendien gericht op de productie van waterstof (en koolstofmonoxide) en niet op het opwekken van energie, zoals een ‘gewone’ stookinstallatie. Dat een SMR een in de chemische industrie gebruikte reactor is, wordt onderschreven in het rapport ‘Assessment of the need for additional IED amendments’ van ICF International van 19 oktober 2013, het standpunt hierover van de VNCI in een notitie van 13 april 2016 en het (ongedateerde) standpunt van CEFIC hierover. Verweerder stelt ten onrechte dat het Activiteitenbesluit onderscheid maakt tussen ovens (waarin sprake is van direct contact tussen de rookgassen van de verbranding en de grondstoffen) en fornuizen (waarin sprake is van indirect contact, zoals in een SMR) en dat het Activiteitenbesluit consequent uitsluitend stookinstallaties uitzondert die werken volgens het direct-contact-principe. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 april 2010, dat verweerder aanhaalt in de reactie op de zienswijze, is niet van toepassing op de onderhavige discussie. Ook als wordt uitgegaan van de direct-contact-definitie, is een SMR een reactor. Gedurende het proces van een SMR is namelijk sprake van vermenging van rookgassen met het product (waterstof), hetgeen invloed heeft op de samenstelling van de gassen. Dit maakt de hoeveelheid stikstofoxiden (NOx) in de te emitteren rookgassen onvoorspelbaar, waardoor emissienormen niet goed kunnen worden toegepast op de uitstoot. DCMR heeft in een omgevingsvergunning voor een aan de SMR gelijke installatie van Yara Sluiskil B.V. (Yara) wél geoordeeld dat sprake is van een in de chemische industrie gebruikte reactor. Ook gedeputeerde staten van Limburg en de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme hebben ten aanzien van aan de SMR gelijke installaties geoordeeld dat sprake is van in de chemische industrie gebruikte reactoren. Het feit dat de BBT-conclusies in de BREF voor grote stookinstallaties (BREF LCP) niet van toepassing zijn op de SMR, toont aan dat de voorschriften voor grote en middelgrote stookinstallaties van de paragrafen 5.1.1 respectievelijk 5.1.5 van het Activiteitenbesluit niet zijn bedoeld voor de SMR (een procesoven). Onder de definitie van procesovens in de BREF LCP vallen zowel stookinstallaties onder de direct-contact-definitie als stookinstallaties onder de indirect-contact-definitie. Standpunt van verweerder 4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de met het bestreden besluit opgelegde voorschriften wél een grondslag bestaat in de paragrafen 5.1.1 en 5.1.5 van het Activiteitenbesluit. Volgens verweerder zijn de SMR1 en SMR2 namelijk niet aan te merken als in de chemische industrie gebruikte reactoren. Verweerder onderbouwt dit standpunt met de volgende argumenten: a. De Europese Commissie heeft toegelicht dat bij een chemische reactor sprake is van direct contact tussen de rookgassen en de grondstof of het product. Deze uitleg is te lezen in het arrest van het Hof van 22 april 2010 en in een e-mail van een ambtenaar van het Environment Directorate-General van de Europese Commissie van 21 september 2020. Ook de rijksoverheid geeft deze uitleg aan het begrip chemische reactor, op de website Infomil. Omdat binnen een SMR geen sprake is van direct contact tussen de rookgassen en de grondstof, is een SMR geen chemische reactor, maar een stookinstallatie. De Europese Commissie heeft in de publicatie van het door eiseres genoemde rapport van ICF International geen aanleiding gezien haar definitie te wijzigen. Ook in een inmiddels gepubliceerde concept-herziening van de Richtlijn industriële emissies (RIE) is de definitie van chemische reactor niet aangepast. Dat – zoals eiseres stelt – restgassen van later in het productieproces mee worden verbrand in de SMR1 en SMR2, maakt niet dat sprake is van een chemische reactie binnen de SMR tussen de verbrandingsgassen en de grondstof of het product, hetgeen de essentie is van een reactor. De omgevingsvergunning van Yara is verleend door een ander bevoegd gezag, namelijk gedeputeerde staten van Zeeland. Verweerder kan niet worden gehouden aan de interpretaties van een ander bevoegd gezag. Verweerder heeft het direct-contact-principe altijd consequent toegepast. In de Oplegnotitie BREF LCP wordt uitdrukkelijk vermeld dat “procesfornuizen (indirect gestookt)” onder de reikwijdte van de BREF LCP vallen. In het Activiteitenbesluit zijn alle installaties waarbinnen direct contact plaatsvindt uitgezonderd van de regels voor stookinstallaties. Ook onder het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (Bees A) was het gangbare praktijk dat (uitsluitend) stookinstallaties door middel van rechtstreeks contact niet onder de werkingssfeer van dat besluit vielen. Oordeel van de rechtbank 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de SMR1 en SMR2 niet zijn aan te merken als in de chemische industrie gebruikte reactoren. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. Het begrip “in de chemische industrie gebruikte reactoren” 4.4.1. Het Activiteitenbesluit bevat geen definitie van het begrip “in de chemische industrie gebruikte reactoren”, als genoemd in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 5.43, aanhef en onder l, van het Activiteitenbesluit. Met deze bepalingen zijn artikel 28, aanhef en onder e, van de RIE en artikel 2, derde lid, aanhef en onder k, van de Richtlijn middelgrote stookinstallaties geïmplementeerd (hierna gezamenlijk: de richtlijnbepalingen). Daarin is bepaald dat (een hoofdstuk van) de richtlijn niet van toepassing is op in de chemische industrie gebruikte reactoren. In de richtlijnen wordt dus exact hetzelfde begrip gebruikt als in het Activiteitenbesluit. Ook de richtlijnen bevatten echter geen definitie van het begrip. De rechtbank zal het begrip dus moeten uitleggen. 4.4.2. Bij de uitleg van een Unierechtelijke bepaling moet niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. De ontstaansgeschiedenis van een bepaling van Unierecht kan ook relevante gegevens voor de uitleg van die bepaling bevatten. 4.4.3. Uit de bewoordingen van de richtlijnbepalingen lijkt te kunnen worden afgeleid dat de SMR1 en SMR2 zijn te scharen onder het begrip “in de chemische industrie gebruikte reactoren”. Naar normaal spraakgebruik wordt onder een reactor immers verstaan een toestel waarin men op gecontroleerde wijze een (in dit geval chemische) reactie kan laten plaatsvinden. Een SMR is een installatie waarin op gecontroleerde wijze een chemische reactie tot stand wordt gebracht. 4.4.4. De context van de bepalingen en de doelstellingen van de richtlijnen – die naar het oordeel van de rechtbank zwaarder wegen – wijzen echter op een andere uitleg. Het doel van de RIE is geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, door het in werking stellen van maatregelen ter voorkoming of beperking van emissies door activiteiten in lucht, water en bodem, om een hoog niveau van bescherming van het milieu te bereiken. Het doel van de Richtlijn middelgrote stookinstallaties is het beheersen van emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en stof in de lucht door middelgrote stookinstallaties en zo emissies in de lucht en de mogelijke risico's voor de volksgezondheid en het milieu van die emissies te verminderen. De richtlijnbepalingen strekken ertoe het toepassingsgebied van (een hoofdstuk van) de richtlijn te bepalen. In de chemische industrie gebruikte reactoren worden aangemerkt als uitzondering op de toepassing van de richtlijnen. Om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de (ruime) doelstellingen van de richtlijnen, moet deze uitzondering restrictief worden uitgelegd. 4.4.5. Verweerder heeft zich voor de uitleg van het begrip “in de chemische industrie gebruikte reactoren” aangesloten bij de uitleg die de Europese Commissie daaraan gaf in het kader van artikel 2, punt 7, tweede alinea, sub e, van Richtlijn 2001/80, de voorganger van de RIE. Die uitleg is weergegeven onder punt 14 van het arrest van het Hof van 22 april 2010: “14 Volgens de Commissie vallen alle in artikel 2, punt 7, tweede alinea, sub a tot en met f, van richtlijn 2001/80 bedoelde installaties onder de uitzonderingen 1 of 2 en is het logisch dat zij niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, omdat de methodologie of de emissiegrenswaarden die deze richtlijn vastlegt, niet gemakkelijk op deze installaties kunnen worden toegepast. Zij zet in dit verband uiteen dat richtlijn 2001/80 tot doel heeft de door de verbranding (oxidatie) van brandstoffen veroorzaakte emissies te reglementeren en dat het procedé voor de berekening van de emissiegrenswaarden als uitgangspunt heeft dat de emissies die worden verwacht ten gevolge van de verbranding van de voor de stookinstallatie gebruikte brandstof, kunnen worden voorspeld. Wanneer de warme rookgassen die van de verbranding van de brandstof afkomstig zijn, zich vermengen met andere stoffen die normaal gezien niet in verband worden gebracht met een verbrandingsproces vóór de emissie, kunnen de resultaten niet voldoende worden voorspeld en kunnen de door deze richtlijn vastgelegde emissiegrenswaarden voor de verbranding van brandstof niet worden toegepast.” 4.4.6. De uitzondering voor in de chemische industrie gebruikte reactoren is dus volgens de Europese Commissie gemaakt, omdat dit stookinstallaties zijn die verbrandingsproducten rechtstreeks in productieprocedés gebruiken (het direct-contact-principe). In dergelijke installaties ontstaat een vermenging van de rookgassen met de grondstof of het product, waardoor de emissies niet kunnen worden voorspeld. Emissiegrenswaarden kunnen daarom niet worden toegepast. 4.4.7. Het Hof overweegt in het arrest dat noch de richtlijn zelf, noch de voorbereidende stukken uiteenzetten waarom zowel de algemene en abstracte uitsluiting van stookinstallaties die de verbrandingsproducten rechtstreeks in productieprocedés gebruiken, als de in artikel 2, punt 7, sub a tot en met g, van richtlijn 2001/80 opgenomen voorbeelden van bepaalde installaties (waaronder “in de chemische industrie gebruikte reactoren” onder sub
- e)gerechtvaardigd zijn. Het Hof bepaalt in het arrest niet wat de precieze doelstelling van die uitzonderingen is, omdat de andersluidende uitleg die het Verenigd Koninkrijk daaraan gaf hoe dan ook moet worden afgewezen. 4.4.8. Eiseres wijst erop dat advocaat-generaal Kokott in haar conclusie bij dit arrest kanttekeningen heeft geplaatst bij de uitleg van de Europese Commissie. Kokott merkt daarover het volgende op: “De theorie van de Commissie gaat er echter van uit dat alleen de rookgassen verbrandingsproducten zijn. Zij kan daarentegen niet gelden wanneer de gewonnen warmte eveneens een verbrandingsproduct is en rechtstreeks wordt gebruikt, zonder dat de rookgassen door andere stoffen worden verontreinigd. Ook de Commissie beschouwt warmte echter als een verbrandingsproduct. De opvatting van de Commissie is derhalve tegenstrijdig.” 4.4.9. Het Hof wijst de uitleg die de Europese Commissie aan de uitzonderingen geeft echter niet af. Bij de uitleg van een andere concreet uitgezondere stookinstallatie, de windverhitter als genoemd in artikel 2, punt 7, sub g, van richtlijn 2001/80, acht het Hof doorslaggevend dat de door de richtlijn vastgelegde emissiegrenswaarden niet op dit soort installaties kunnen worden toegepast. Hieruit leidt de rechtbank af dat het Hof de door de Europese Commissie genoemde ratio van de uitzonderingen (de richtlijn is slechts dan niet van toepassing als de daarin vastgelegde emissiegrenswaarden niet kunnen worden toegepast) heeft geaccepteerd. Deze ratio is naar het oordeel van de rechtbank geheel in lijn met de context van de uitzonderingen en de doelstellingen van richtlijn 2001/80. Het Hof gaat bovendien mee in de uitleg van de Europese Commissie dat sprake is van een onregelmatigheid in de opstelling van de tekst van artikel 2 van de richtlijn, in die zin dat de windverhitters een uitzondering sui generis (een op zichzelf staande uitzondering) zijn en niet een toepassing van de abstracte uitzondering die in artikel 2, punt 7, tweede alinea, eerste zin, van richtlijn 2001/80 is vermeld (de direct-contact-definitie). Daaruit leidt de rechtbank af dat het Hof voor de andere bijzondere uitzonderingen onder sub a tot en met f (waaronder in de chemische industrie gebruikte reactoren, onder sub
- e)wel aanneemt dat die een toepassing zijn van de abstracte uitzondering en dat daarvoor de direct-contact-definitie geldt. 4.4.10. Dat het arrest van het Hof betrekking heeft op een ander type installatie en de voorheen geldende Richtlijn 2001/80, maakt – anders dan eiseres stelt – niet dat de uitleg van de Europese Commissie niet relevant is voor de reikwijdte van het (gelijkluidende) begrip “in de chemische industrie gebruikte reactoren” in de RIE en de Richtlijn middelgrote stookinstallaties. Nu de doelstellingen van de drie richtlijnen op hoofdlijnen dezelfde zijn – het beperken van emissies ter bescherming van het milieu – en de uitzondering op het toepassingsbereik identiek is geformuleerd, is er geen reden om te veronderstellen dat het begrip “in de chemische industrie gebruikte reactoren” in de richtlijnbepalingen anders moet worden uitgelegd. 4.4.11. Het feit dat in de richtlijnbepalingen – anders dan in de aanhef van artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2001/80 – niet (langer) de zinsnede “met uitzondering van die welke de verbrandingsproducten rechtstreeks in productieprocedés gebruiken” voorkomt, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Nergens uit blijkt dat daarmee is beoogd om aan het begrip “in de chemische industrie gebruikte reactoren” een andere betekenis te geven. Eiseres heeft overigens ook niet gemotiveerd welke andere ratio (
- nu)dan aan de uitzonderingsbepalingen ten grondslag zou liggen. 4.4.12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden aansluiting gezocht bij de uitleg van de Europese Commissie. Hij heeft het begrip “in de chemische industrie gebruikte reactoren” terecht zodanig uitgelegd dat daar uitsluitend stookinstallaties onder worden verstaan die verbrandingsproducten rechtstreeks in het productieprocedé gebruiken (de zogenoemde directcontact-definitie). 4.4.13. Dat in het rapport van ICF International en de notities van de VNCI en CEFIC andere standpunten worden ingenomen, doet hieraan niet af. Aan deze documenten komt immers geen belang toe bij de uitleg van de betrokken richtlijnbepalingen. Die uitleg dient als toegelicht onder 4.4.2 gebaseerd te zijn op de bewoordingen van de bepalingen, de context ervan, de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt en (indien mogelijk) de ontstaansgeschiedenis van de bepalingen. Om dezelfde reden werpen ook de afwijkende standpunten in de door eiseres genoemde omgevingsvergunningen voor aan de SMR gelijke installaties en de definitie van procesovens en -verhitters in de BREF LCP geen ander licht op de zaak. Vallen de SMR1 en SMR2 onder de direct-contact-definitie? 4.5.1. Eiseres betoogt subsidiair dat, ook als wordt uitgegaan van de direct-contact-definitie, een SMR een reactor is. Gedurende het proces van een SMR is namelijk sprake van vermenging van rookgassen met het product (waterstof), hetgeen invloed heeft op de samenstelling van de gassen. Ook is het proces van de SMR gericht op een optimale thermochemische reactie (onder meer door verbranding met een hogere temperatuur) en niet op een optimale oxidatie van gassen, zoals bij een stookinstallatie die is gericht op energieproductie. Dit maakt de hoeveelheid stikstofoxiden (NOx) in de te emitteren rookgassen onvoorspelbaar, waardoor emissienormen niet goed kunnen worden toegepast op de uitstoot. 4.5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de SMR1 en SMR2 niet onder de direct-contact-definitie vallen. Binnen een SMR is immers geen sprake van een chemische reactie die door direct contact tussen de verbrandingsgassen en de grondstof of het product wordt veroorzaakt. Dat restgassen (waaronder circa 10-15% waterstof) in het productieproces worden hergebruikt als verbrandingsgas, maakt dat niet anders. De chemische reactie waar de SMR op is gericht (het omzetten van aardgas en stoom in synthese gas: een mix van waterstof en koolstofmonoxide) ontstaat immers niet door direct contact tussen de waterstof als restgas (een niet-standaard brandstof) en andere verbrandingsgassen, maar door de warmte die de verbranding van deze gassen opwekt in de reactorbuizen. Eiseres heeft in het beroepschrift en ter zitting bovendien toegelicht dat zij wél aan de door verweerder voorgeschreven emissiegrenswaarden kan voldoen. Dat zij daarvoor extra maatregelen heeft moeten nemen (het gebruiken van een SCR-installatie), doet daaraan niet af. Door het gebruik van de SCR-installatie kunnen de emissies dusdanig concreet worden voorspeld, dat de emissiegrenswaarden kunnen worden toegepast. Conclusie 4.6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zijn de vergunningvoorschriften in het belang van de bescherming van het milieu? 5.1. Eiseres betoogt dat niet duidelijk is waarin het belang van de bescherming van het milieu is gelegen bij de wijziging van de vergunningvoorschriften. De reactie van verweerder op haar zienswijze op dit punt is zeer summier en onvoldoende gemotiveerd. 5.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belang van de bescherming van het milieu is gelegen in het feit dat zonder de met het bestreden besluit opgelegde voorschriften er geen emissiegrenswaarden naar de lucht voor eiseres zouden gelden. 5.3.1. Verweerder heeft beoordelingsruimte bij de vraag wat in het belang van de bescherming van het milieu nodig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de wijziging van de vergunningvoorschriften in het belang is van de bescherming van het milieu. Met deze voorschriften wordt immers voorkomen dat voor de inrichting van eiseres geen grenswaarden en monitoringseisen gelden voor de emissies naar de lucht. 5.3.2. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzitter, en mr. R.H. Smits en mr. J. Schaaf, leden, in aanwezigheid van mr. E. Denters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2022. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2:31 2 Het bevoegd gezag kan voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op: b. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is; Activiteitenbesluit milieubeheer Artikel 1.1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: grote stookinstallatie: stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, ongeacht het toegepaste brandstoftype; stookinstallatie: technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken; § 5.1.1. Grote stookinstallatie Artikel 5.1 1. Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een grote stookinstallatie, met uitzondering van: e. in de chemische industrie gebruikte reactoren; § 5.1.5. Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een niet-standaard brandstof Artikel 5.43 Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer, met uitzondering van: l. in de chemische industrie gebruikte reactoren; Richtlijn 2010/75/EU Artikel 1 Onderwerp Deze richtlijn bevat regels inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriële activiteiten. Zij bevat ook regels ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies in lucht, water en bodem en ter voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken. Hoofdstuk III Bijzondere bepalingen betreffende stookinstallaties Artikel 28 Toepassingsgebied Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende stookinstallaties:
- e)in de chemische industrie gebruikte reactoren; Richtlijn 2015/2193/EU Artikel 1 Onderwerp In deze richtlijn worden regels vastgesteld om emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en stof in de lucht door middelgrote stookinstallaties te beheersen en aldus emissies in de lucht en de mogelijke risico's voor de volksgezondheid en het milieu van die emissies te verminderen. Deze richtlijn bevat ook regels voor het monitoren van de emissies van koolmonoxide (CO). Artikel 2 Toepassingsgebied 3. Deze richtlijn is niet van toepassing op:
- k)reactoren die in de chemische industrie worden gebruikt; Richtlijn 2001/80/EG Artikel 2 In deze richtlijn wordt verstaan onder: 7) "stookinstallatie": elk technisch toestel waarin brandstoffen worden geoxydeerd teneinde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Deze richtlijn is enkel van toepassing op stookinstallaties die bestemd zijn voor de opwekking van energie, met uitzondering van die welke de verbrandingsproducten rechtstreeks in productieprocédés gebruiken. Deze richtlijn is met name niet van toepassing op de volgende verbrandingsinstallaties:
- e)in de chemische industrie gebruikte reactoren;
- g)windverhitters van hoogovens; SMR1 en SMR2 zijn een Steam Methane Reformer (SMR). Het beroep richt zich dus tegen voorschrift 1.1.1 (emissiegrenswaarden voor de SMR1), voorschrift 1.1.2 (emissiegrenswaarden voor de SMR2), voorschriften 1.2.1 t/m 1.2.11 (monitoring emissies SMR1), voorschriften 1.2.12 t/m 1.2.22 (monitoring emissies SMR2) en voorschrift 7.17a (maatregelen bij emissies boven emissiegrenswaarden als opgenomen in voorschrift 1.1.1 t/m 1.1.3). ATR: Auto Thermal Reformer. Het beroep richt zich dus niet tegen voorschrift 1.1.3 (emissiegrenswaarden voor de ATR), voorschriften 1.2.23 t/m 1.2.33 (monitoring emissies ATR) en voorschriften 1.2.34 t/m 1.2.44 (monitoring CO2-ontluchters). Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, respectievelijk artikel 5.43, aanhef en onder l, van het Activiteitenbesluit. Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie. European Chemical Industry Council. Het indirect-contact-principe wordt ook wel gedefinieerd als het directe-oorzaak-principe: er is geen sprake van direct contact tussen de rookgassen van de verbranding en de grondstoffen, maar de warmte die het gevolg is van de verbranding veroorzaakt wel direct een chemische reactie. HvJEU 22 april 2010, ECLI:EU:C:2010:213, C-346/08. BREF: Best Available Techniques Reference Document. LCP: Large Combustion Plants. BBT: Beste Beschikbare Technieken. Als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, respectievelijk artikel 5.43, aanhef en onder l, van het Activiteitenbesluit. HvJEU 22 april 2010, ECLI:EU:C:2010:213, C-346/08. Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (RIE). Verweerder wijst in dit verband op artikel 5.1, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit en stelt dat dit impliciet ook blijkt uit het woord “ovens” zoals de BREF LCP dit definieert. Verweerder wijst in dit verband op een stroomschema van de werkingssfeer van het Bees A in bijlage 2 van de leidraad bij het Bees A, waarin dit vermeld is. Richtlijn 2015/2193/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (Richtlijn middelgrote stookinstallaties). HvJEU 9 oktober 2019, EU:C:2019:848, C-548/18, punt 25 en de daar aangehaalde rechtspraak. Zie ‘reactor’ in de Dikke van Dale. Artikel 1 van de RIE. Artikel 1 van de Richtlijn middelgrote stookinstallaties. Vgl. o.m. HvJEU 22 april 2010, ECLI:EU:C:2010:213, C-346/08, punt 39 en de daar aangehaalde rechtspraak, tot en met punt 41. Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties. HvJEU 22 april 2010, ECLI:EU:C:2010:213, C-346/08. HvJEU 22 april 2010, ECLI:EU:C:2010:213, C-346/08, punten 45 en 48. Conclusie AG Kokott 10 december 2009, ECLI:EU:C:2009:772, C-346/08, punt 23. HvJEU 22 april 2010, ECLI:EU:C:2010:213, C-346/08, punt 51. HvJEU 22 april 2010, ECLI:EU:C:2010:213, C-346/08, punt 51. De bijzondere uitzonderingen onder sub a tot en met g van artikel 2, punt 7, van richtlijn 2001/80 vinden hun oorsprong in artikel 2, punt 7, van richtlijn 88/609. Zie Conclusie AG Kokott 10 december 2009, ECLI:EU:C:2009:772, C-346/08, punten 36 en 37. In artikel 2, punt 7, van richtlijn 2001/80 zijn vervolgens onder sub h tot en met j aanvullende afwijkingen toegevoegd voor drie installaties die niet langer kunnen vallen onder de algemene en abstracte uitzondering (de direct-contact-definitie). SCR: Selective Catalytic Reduction.