← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:16310

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/1989 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2022 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: mr. M.P.A. Oogjen), en het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder (gemachtigde: mr. M. de Lange). Procesverloop In het besluit van 24 januari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd om eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het transformeren van een kantoorgebouw naar tijdelijke studentenwoningen op de locatie [adres]in [plaats]. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres en verweerder hebben aanvullende stukken ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 29 november 2021 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] en mr. J.F.H. Molema, bijgestaan door mr. R.P.E. Halfens, die heeft waargenomen voor gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3]. Overwegingen Feiten en omstandigheden

  1. Eiseres heeft op 27 oktober 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het transformeren van het kantoorgebouw op de locatie [adres]in [plaats] naar 79 tijdelijke studentenwoningen voor de duur van tien jaar. De aanvraag betreft de activiteiten 'bouwen' en 'handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening'. Ter plaatse geldt het. bestemmingsplan '[bestemmingsplan]. Op het perceel rust de enkel bestemming 'kantoor' en de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie III'. Bestreden besluit
  2. Verweerder heeft de aanvraag in de uitgebreide voorbereidingsprocedure afgewezen omdat studentenwoningen niet binnen de op het perceel geldende bestemming 'kantoor' passen. Omdat de gemeenteraad geweigerd heeft om een verklaring van geen bedenkingen af te geven, kan geen omgevingsvergunning worden verleend, aldus verweerder. Ontvankelijkheid
  3. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingetrokken dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij geen zienswijze heeft ingediend. Welke procedure is op de aanvraag van toepassing?
  4. Eiseres betoogt dat de reguliere voorbereidingsprocedure had moeten worden toegepast. Volgens eiseres is dit aanvankelijk ook door verweerder toegezegd. Desondanks heeft verweerder besloten om de uitgebreide voorbereidingsprocedure toe te passen. Het project heeft hierdoor vertraging opgelopen en de wettelijke termijnen zijn niet behaald. Het gegeven dat het kantoorgebouw waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd deel uitmaakt van een groter gebied dat zal worden herontwikkeld, is geen grond om de aanvraag te weigeren. Volgens eiseres belemmert het plan de integrale gebiedsontwikkeling niet. 4.
  5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning niet op grond van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kon worden verleend. Volgens verweerder is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer). Volgens verweerder kon de omgevingsvergunning daarom alleen worden verleend (of geweigerd) met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Er is volgens verweerder sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject vanwege milieuaspecten, parkeeraspecten, overlast voor de omgeving en de ontwikkeling van het gebied Schieoevers noord. Gelet op het voorgaande is niet de reguliere voorbereidingsprocedure, maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing, aldus verweerder. 4.
  6. Op grond van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Op grond van artikel 5, zesde lid, is artikel 4, onderdeel 11 van bijlage II van het Bor niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit mer. Categorie 11.2 van onderdeel D, behorend bij het Besluit mer luidt: Activiteit: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. 4.
  7. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) hangt het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling een rol spelen. 4.
  8. Naar het oordeel van de rechtbank kan de transformatie van het kantoorgebouw naar studentenwoningen niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit mer. De rechtbank overweegt hiertoe dat het gaat om het transformeren van een bestaand kantoorgebouw en dat deze functiewijziging niet gepaard gaat met een toename van het bebouwde oppervlak. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat van de functiewijziging belangrijke milieugevolgen zijn te verwachten. In de door verweerder ter zitting genoemde aspecten die zien op parkeren, overlast en de ontwikkeling van de rest van het gebied ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Wat betreft het aspect parkeren is de rechtbank van oordeel dat de functiewijziging niet een grotere verkeersaantrekkende werking heeft dan het huidige toegestane gebruik als kantoor, zodat geen sprake zal zijn van (milieu)gevolgen die ertoe moeten leiden dat de ontwikkeling aangemerkt dient te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat het gebied waar het kantoorgebouw staat in de komende jaren zal worden herontwikkeld, leidt ook niet tot een ander oordeel. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de aard en de omvang van de aangevraagde ontwikkeling en niet van eventuele andere toekomstige ontwikkelingen in de omgeving. 4.
  9. Anders dan verweerder betoogt, is artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor daarom niet van toepassing. Dit betekent dat verweerder bevoegdheid had om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bar, de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Op grond van artikel 3.7 van de Wabo is op de voorbereiding van het besluit op de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Dat betekent dat een beslistermijn geldt van acht weken met een verlengingsmogelijkheid van ten hoogste zes weken. 4.
  10. De rechtbank stelt vast de verweerder niet binnen de geldende beslistermijn een besluit op de aanvraag heeft genomen. Dit heeft tot gevolg dat op grond van artikel 4.20b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege aan eiseres is verleend. Gelet hierop heeft verweerder, na het van rechtswege ontstaan van de omgevingsvergunning, ten onrechte op 24 januari 2020 alsnog op de aanvraag beslist. Conclusie
  11. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden hoeven geen bespreking meer. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Omdat verweerder nog geen uitvoering aan artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb heeft gegeven, dient verweerdere alsnog binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend te maken dat van rechtswege aan eiseres een omgevingsvergunning is verleend.
  12. Omdat het beroep gegrond is, wordt verweerder veroordeeld in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en I punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak bekend te maken dat de aangevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend aan eiseres; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van€ 354,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van E 1.518,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. K.A. Linthout, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 februari
  13. / Griffier Rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 21 februari 2022 Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.