← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:1660

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.2415 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1], eiser V-nummer: [naam 2] (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 10 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.1 Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is gesloten op 24 februari

  1. Overwegingen
  2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Egyptische nationaliteit te bezitten.
  3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
  4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet heeft betwist. De zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden 4a, 4b, 4c en 4f zijn – in onderlinge samenhang bezien – voldoende om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen.
  5. Vreemdelingenwet
  6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat verweerder heeft besloten eiser op grond van de Dublinverordening over te dragen, terwijl een overdracht op grond van de Beschikking van de Werkgroep voor het Personenverkeer betreffende de verwijdering en de overname van personen van 28 juni 1967 (de Beschikking) vormvrij, en daarmee sneller, had kunnen worden plaatsvinden. Deze beroepsgrond slaagt - om de navolgende redenen - niet.
  7. Verweerder heeft zich in het verweerschrift namelijk terecht op het standpunt gesteld dat de Dublinverordening een uitputtende regeling bevat voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Een overdracht op grond van de Beschikking zou een onbelemmerde toepassing van de Dublinverordening doorkruisen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser dan ook op grond van de Dublinverordening dient te worden overgedragen.
  8. In het verweerschrift is voorts nog toegelicht dat op 11 februari 2022 een terugnameverzoek is verstuurd naar de Belgische autoriteiten en dat op 16 februari 2022 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden met eiser. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
  9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Documentcode: DSR19416120 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.