← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:1690

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Parketnummer: 09/199692-21 Raadkamernummer: 22/147 Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op de vordering ex artikel 552f Wetboek van Strafvordering (Sv) van de officier van justitie bij deze rechtbank, in de zaak tegen: [Belanghebbende] geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] , [adres] , hierna te noemen: de belanghebbende. Inleiding De vordering van de officier van justitie is op 20 januari 2022 binnengekomen bij de griffie. De vordering strekt ertoe dat het in beslag genomen voertuig van de belanghebbende wordt onttrokken aan het verkeer, omdat deze niet is toegelaten op de openbare weg. De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de politie-eenheid Den Haag met proces-verbaalnummer: PL1500-

  1. De procedure in raadkamer Op 25 januari 2022 is de vordering ter zitting behandeld. De zaak is gelijktijdig behandeld met het klaagschrift van de belanghebbende op grond van artikel 552a Sv. De rechtbank heeft het onderzoek in raadkamer toen geschorst, omdat de belanghebbende niet was verschenen. De rechtbank heeft de vordering op 15 februari 2022 verder in raadkamer behandeld, gelijktijdig met eerdergenoemd klaagschrift. De belanghebbende en de officier van justitie, mr. M.J. Mos, zijn gehoord. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de vordering. Het in beslag genomen voertuig kan volgens haar niet terug naar de belanghebbende, omdat het een ‘bijzondere bromfiets’ betreft en op grond van artikel 20h van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) niet op de openbare weg mag worden gebruikt. De officier van justitie stelt zich daarom op het standpunt dat de bromfiets moet worden onttrokken aan het verkeer. Het standpunt van de belanghebbende De belanghebbende verzet zich tegen de vordering van de officier van justitie. Hij stelt dat het in beslag genomen voorwerp een elektrische fiets is, die is toegestaan op de openbare weg, en dat hij deze nodig heeft voor vervoer in verband met zijn gezondheidssituatie. Er kunnen trappers worden gemonteerd op de elektrische fiets. De belanghebbende stelt tot slot dat een politieagent hem eerder heeft verteld dat hij op het voertuig mocht blijven rijden. Het oordeel van de rechtbank Op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen is besproken in raadkamer, stelt de rechtbank het volgende vast. Het voertuig is op 27 juli 2021 onder de belanghebbende in beslag genomen op de openbare weg in Leiden en behoort hem in eigendom toe. Op diezelfde dag is de strafzaak tegen de belanghebbende geseponeerd. De belanghebbende was al eerder bekeurd voor het rijden op de openbare weg met het voertuig. Het in beslag genomen voertuig, te weten een ‘Alucard Electric Bike’, wordt aangedreven door een motor op elektriciteit en wordt bediend door middel van een gashendel. De bestuurder hoeft niet te trappen om vooruit te komen, zoals wel het geval is bij een elektrische fiets (in artikel 1 lid 1 aanhef en onder ea WVW aangeduid als een fiets met trapondersteuning). Op grond van het voorgaande is het voertuig aan te merken als een bijzondere bromfiets in de zin van artikel 20b WVW. Dat de belanghebbende heeft aangegeven trappers te kunnen monteren op het voertuig, doet aan het voorgaande niet af. Daarmee wordt de aandrijving van het voertuig immers niet anders. Een bijzondere bromfiets moet door de minister zijn aangewezen voor gebruik op de openbare weg. De ‘Alucard Electric Bike’ heeft geen aanwijzing en is op grond van artikel 20h WVW dan ook niet toegelaten op de openbare weg. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van enige uitlating van de politie over de toelaatbaarheid van het voertuig op de openbare weg. Dat betekent dat er ook geen sprake is van enig bij de belanghebbende gewekt gerechtvaardigd vertrouwen ten aanzien van het gebruik van dit voertuig. Op grond van artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht is een voorwerp vatbaar voor onttrekking aan het verkeer indien dat voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daaruit volgt dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard in strijd is met de wet of het algemeen belang. De vraag in deze zaak is dus of de Alucard Electric Bike van de belanghebbende van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit hiervan, mede gelet op het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan, in strijd is met de wet of het algemeen belang. Vaststaat dat de Alucard Electric Bike geen aanwijzing heeft voor het gebruik op de openbare weg als bijzondere bromfiets. De rechtbank overweegt dat van het voertuig wel redelijkerwijs valt te verwachten dat de eigenaar hiermee op de openbare weg zal gaan rijden. Dat de belanghebbende het voertuig hier ook daadwerkelijk voor gebruikte, blijkt uit het feit dat hij werd aangehouden terwijl hij ermee op de openbare weg reed. De belanghebbende was al een keer eerder bekeurd voor het op de openbare weg rijden met dit voertuig. Ook heeft de belanghebbende aangegeven dat hij het voertuig nodig heeft voor vervoer, waaruit de rechtbank opmaakt dat de belanghebbende ook voornemens is in de toekomst het voertuig te blijven gebruiken op de openbare weg. De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van de Alucard Electric Bike waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat deze (wederom) zal worden gebruikt op de openbare weg in strijd is met het algemeen belang. De Alucard Electric Bike is dan ook vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie daarom toewijzen en bepalen dat het voertuig wordt onttrokken aan het verkeer. Beslissing De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe en verklaart onttrokken aan het verkeer het voertuig van het merk Alucard, type ‘Electric Bike’. Aldus gedaan te Den Haag door mr. M.P.M. Loos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.I.J. van den Bogert, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 maart
  2. Raadkamernummer: 21/2169 Vgl. Hoge Raad, 8 maart 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR7626). Hoge Raad, 7 november 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA8201).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.