vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/595730 / HA ZA 20-657 Vonnis van 19 januari 2022 in de zaak van [eiser] te [plaats] , eiser, advocaat mr. F.C. Schirmeister te Amsterdam, tegen ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT te Maastricht, gedaagde, advocaat mr. K. Mous te Nijmegen. Partijen worden hierna [eiser] en AZM genoemd. 1De procedure 1.
(2020), waarin sprake was van vergelijkbare blijvende beperkingen (volledige blijvende hulpbehoevendheid) na een medische fout bij een man van vergelijkbare leeftijd als [eiser] . Anders dan in die zaak is bij van [eiser] wel duidelijk dat hij zich volledig bewust is van zijn situatie en dat daarin geen verbetering meer te verwachten is. De rechtbank bepaalt het smartengeld op een bedrag van € 95.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 14 augustus 2003. Verlies aan arbeidsvermogen/inkomen Verlies aan arbeidsvermogen 4.13. De schade vanwege verlies van arbeidsvermogen is het resultaat van de vergelijking tussen de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij die vergelijking komt het aan op de redelijke verwachtingen over toekomstige ontwikkelingen, rekening houdend met goede en kwade kansen. Voor de redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen dient zoveel mogelijk te worden aangesloten bij de concrete situatie van [eiser] , zijn opleiding, persoonlijke situatie en arbeidsverleden tot het moment van de medische fout. 4.14. Vast staat dat [eiser] tot aan het schadeveroorzakende voorval nooit inkomsten uit reguliere arbeid had. Hij heeft geen diploma’s, een detentieverleden en leefde gedurende zijn volwassenheid van de opbrengsten van zijn criminele activiteiten. Ten tijde van het voorval genoot hij daarnaast sinds een half jaar een bijstandsuitkering, die kort daarna wegens detentie werd beëindigd. Niet in geschil is dat de criminele inkomsten van [eiser] niet tot uitgangspunt hebben te gelden bij het bepalen van de feitelijke inkomenssituatie het ongeval weggedacht. Ook de rechtbank slaat op die illegale inkomsten – waarover verder ook niets is gesteld – geen acht. 4.15. De vraag is of, het ongeval weggedacht, redelijkerwijs mocht worden verwacht dat [eiser] zich op enig moment op de reguliere arbeidsmarkt zou hebben begeven. De rechtbank ziet daarvoor onvoldoende objectiveerbare aanknopingspunten. Het gaat immers niet om het vergoeden van een hypothetisch verlies van wat de benutbare arbeidsmogelijkheden in de toekomst zouden hebben kúnnen opbrengen (wat de gekozen benadering lijkt van [eiser] in navolging van het arbeidskundige Triviumrapport van 9 juli 2018), maar om de redelijke, concrete verwachting omtrent de toekomst. 4.16. De uitgangssituatie in augustus 2003 geeft geen enkel feitelijk aanknopingspunt dat [eiser] de stap naar reguliere arbeid zoals hypothetisch in het Triviumrapport van 9 juli 2018 is omschreven, zou hebben willen zetten en ook zou hebben gezet. Er zijn geen aanwijzingen dat [eiser] , zoals hij betoogt, vanwege de geboorte van zijn jongste dochter zijn criminele activiteiten wilde afbouwen of stopzetten. De schotwond waarmee hij in juli 2003 werd opgenomen en die hij opliep bij een overval, getuigt in elk geval niet van zo’n voornemen. 4.17. [eiser] beroept zich in dit kader nog op een WODC-onderzoek uit 2009 (“Criminaliteit, leeftijd en etniciteit”), dat zijn voornemen tot stoppen met criminele activiteiten zou onderbouwen. Volgens hem past dit in de age-crime curve van mensen met een Antilliaanse achtergrond, zoals [eiser] , omdat in deze groep in het vierde levensdecennium sprake is van een evidente daling in criminaliteitscijfers. Daargelaten de juistheid van deze statistiek, die AZM heeft weersproken, kan een dergelijk algemeen statistisch gegeven wellicht leiden tot een hypothese over de ontwikkeling van criminele activiteiten van [eiser] in de toekomst, maar over een redelijkerwijs te verwachten toekomstig regulier inkomenspatroon uit arbeid, het ongeval weggedacht, zegt dit onvoldoende. Het ontbreekt de rechtbank simpelweg aan feitelijke handvatten om een redelijke verwachting hierover te kunnen bepalen. 4.18. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat een redelijke verwachting over het toekomstige inkomen van [eiser] , het ongeval weggedacht, moet worden gebaseerd op structureel behoud van de bijstandsuitkering (althans een uitkering op grond van thans de Participatiewet), hoewel bij het structurele karakter daarvan – gelet op de criminele activiteiten van [eiser] en navenant detentierisico – eveneens vraagtekens zijn te plaatsen. De rechtbank ziet echter onvoldoende grond om ervan uit te gaan, zoals AZM heeft bepleit, dat in de situatie zonder ongeval geen aanspraak meer op bijstand zou zijn gemaakt en kiest ervoor de onzekerheid hierover niet ten nadele van [eiser] te laten komen. 4.19. Slotsom van het voorgaande is dat er niet van kan worden uitgegaan dat er relevant verlies van verdienvermogen is, zodat de op dit punt gevorderde schade niet toewijsbaar is. Misgelopen bijstandsuitkering 4.20. De rechtbank begrijpt dat [eiser] subsidiair (als het mindere van de gevorderde schade ten gevolge van verlies aan verdienvermogen) wil uitgaan van een doorlopende bijstandsuitkering na het schadevoorval en dat hij door AZM wil worden gecompenseerd voor de perioden waarin deze uitkering was stopgezet, althans waarin hij geen bijstandsuitkering kreeg. Het gaat dan om de periode september 2003 tot juni 2005 en 1 oktober 2008 tot 1 februari 2015. 4.21. AZM voert terecht aan dat deze post alleen voor toewijzing in aanmerking komt voor zover het gemis aan deze inkomstenbron is toe te rekenen aan de medische fout en dus onder de aansprakelijkheid van AZM valt. Voor de periode tussen september 2003 en juni 2005 heeft [eiser] daarvoor onvoldoende gesteld. In september 2003 werd de bijstand immers vanwege detentie van [eiser] beëindigd, wat niet in verband staat met de medische fout. [eiser] heeft niet verduidelijkt – en uit de verschillende rapporten van Trivium volgt ook niet – waarom hem pas weer in juni 2005 een uitkering is toegekend. Voor de periode tussen 1 oktober 2008 en 1 februari 2015 houdt de rechtbank het er in navolging van het Triviumrapport van 9 juli 2018 op dat de betalingen die AZM daarvóór en ín die periode heeft gedaan door de gemeente zijn aangemerkt als compensatie voor verlies aan verdienvermogen en daarom grotendeels als inkomen in mindering strekten op een recht op bijstand. Daargelaten wat de aanleiding was voor het beëindigen van de uitkering in oktober 2008 – over de omstandigheden waaronder dit gebeurde is vrijwel niets bekend – zou [eiser] om deze reden feitelijk dan ook geen bijstand hebben ontvangen, om aan de medische fout toe te rekenen redenen. De rechtbank ziet hierin voldoende grond om het gemis aan een inkomen uit de bijstand toe te rekenen aan de medische fout en dus als schade ten gevolge daarvan. De rechtbank begroot deze schade – overeenkomstig het door AZM hiervoor genoemde en door [eiser] niet weersproken bedrag van € 999,70 netto per maand – ex aequo et bono op een bedrag van € 100.000,- waarin de wettelijke rente moet worden geacht te zijn begrepen. Zorgschade 4.22. De vraag of de zorgschade van [eiser] wordt gedekt door de publieke voorzieningen die hem zijn toegekend of dat er een tekort is waarvoor AZM dient op te komen, moet worden beoordeeld voor verschillende periodes, vanwege relevante wijzigingen die zich in de loop der tijd hebben voorgedaan. De rechtbank neemt daarbij in navolging van partijen tot uitgangspunt de informatie die [C] van Trivium steeds op gezamenlijk verzoek van partijen heeft verschaft. Tot 1 januari 2021 4.23. Vanaf het moment dat [eiser] vanuit aansluitende periodes van intern (zorg)verblijf in 2008 een (aangepaste) woning betrok, kreeg hij een PGB toegekend op basis van CIZ-indicatie L05. Tot 1 oktober 2017 werd in de zorg voorzien door een zorgaanbieder, door de zus van [eiser] en door een vriendin (hierna: [D] ). De zus en de zorgaanbieder zijn met marktconform tarief bekostigd uit het PGB. Voor de hulp van [D] was geen budget beschikbaar (zie rapport Trivium 25 mei 2018). [eiser] berekent dit tekort op een bedrag van € 10.079,- per jaar. 4.24. AZM stelt zich op het standpunt dat tot 1 oktober 2017 feitelijk geen sprake is geweest van een zorgtekort omdat [D] niet is betaald en dus hooguit een vordering over deze jaren op [eiser] heeft. Volgens AZM is dat geen schade voor [eiser] . De rechtbank volgt AZM hierin niet. AZM betwist niet dat [eiser] mede aangewezen is geweest op de zorg en hulp van [D] en dat het PGB daarvoor tekort schoot. Ook de omvang van het tekort weerspreekt zij niet (gemotiveerd). De rechtbank gaat er daarom vanuit dat op dit punt sprake is van verplaatste schade (artikel 6:107 lid 1, aanhef en onder a BW), waarvoor AZM dient op te komen. 4.25. Vanaf 1 oktober 2017 is de zorg voor [eiser] overgenomen door twee professionele zorgaanbieders (zzp-ers). Niet in geschil is dat het PGB daarvoor tekortschoot, tot het moment met ingang waarvan aan [eiser] het EKT-budget werd toegekend (28 november 2020). AZM is bereid uit te gaan van een zorgtekort over de periode 1 oktober 2017 tot 1 januari 2020 van € 17.703,04 per jaar. Dat is meer dan waarvan in de door [eiser] overgelegde schadestaat (nieuw) wordt uitgegaan, maar sluit aan op het door Trivium in het rapport van 25 mei 2018 berekende tekort van € 15.651,04 per jaar vermeerderd met een bedrag van € 2.052,- per jaar voor zorg door [D] . [eiser] heeft in de dagvaarding gesteld dat het zorgtekort in 2019 is opgelopen naar ruim € 22.000,-, maar daarvoor is geen onderbouwing aangereikt. Het volgt ook niet uit de beschikbare Trivium-rapportages. De rechtbank volgt daarom AZM op dit punt. Voor het jaar 2020 zal de rechtbank uitgaan van het door Trivium berekende zorgtekort van € 11.473,44, welk bedrag tussen partijen niet in geschil is. 4.26. Op grond van het voorgaande begroot de rechtbank de zorgschade van [eiser] tot 1 januari 2021 op een bedrag van € 93.230,75 (9 x € 10.079,- + 1/4e x € 10.079,-) + € 39.831,85 (€ 17.703,04 x 2 + 1/4e x € 17.703,04) + € 11.473,44, afgerond een bedrag van € 144.536,-. Deze schadepost moet worden vermeerderd met de wettelijke rente over de jaarlijkse tekorten zoals hierboven vastgesteld, telkens met ingang van de eerste dag van januari volgend op het betreffende jaar. Vanaf 1 januari 2021 4.27. Tussen partijen is niet in geschil dat met de toekenning van het EKT per 28 november 2020) en de verlenging daarvan tot in elk geval 27 november 2024 geen sprake is van een tekort in de structurele bekostiging van de noodzakelijke hulp en verzorging. Inmiddels is de situatie opnieuw gewijzigd, omdat [eiser] in september 2021 is overgestapt naar de inzet van zorg au-pairs. Uit de meest recente informatie van Trivium volgt dat het PGB-budget ook zonder het EKT-budget toereikend is voor deze – voor [eiser] passende – vorm van zorg. Al eerder (in de rapportage van 21 maart 2021) had Trivium gerapporteerd dat deze vorm van zorg – uitgaande van 24-uurs zorg en aanwezigheid – voor [eiser] het meest passend en duurzaam en minst kwetsbaar is. 4.28. Er zijn thans dan ook geen aanknopingspunten om uit te gaan van een situatie in de toekomst waarin de kosten voor noodzakelijke en passende zorg van [eiser] ten gevolge van de medische fout niet uit de publieke voorzieningen kunnen worden bekostigd. [eiser] heeft in zijn akte uitlating van 6 oktober 2021 niettemin opgemerkt dat van een finale afwikkeling (zonder een voorbehoud) van de zorgschade geen sprake kan zijn, vanwege een mogelijk in de toekomst weer optredend(
- e)zorgtekort/zorgschade. Hij heeft echter niet toegelicht met welke kwade kansen in dat verband rekening moet worden gehouden of welke omstandigheden maken dat niet kan worden uitgegaan van een blijvende dekking van de noodzakelijke zorg uit de publieke middelen. Ook de vordering van [eiser] gaat uit van een finale afwikkeling zonder enig voorbehoud. Een eiswijziging te dien aanzien is niet gedaan. 4.29. Tussen partijen is niet in geschil dat de omschakeling naar de inzet van zorg au-pairs betekent dat de twee zorgverleners die tot dan toe de zorg verleenden zullen moeten worden gecompenseerd in de vorm van wat partijen een “ontslagvergoeding” noemen, maar kennelijk van doen heeft met een geldende opzegtermijn van de zorgcontracten. Volgens de meest recente informatie van Trivium van september 2021 komt dit voor beiden neer op een maandsalaris, in totaal een bedrag van € 6.502,- bruto. Dit bedrag is niet in geschil. Volgens Trivium biedt het budget van 2021 onvoldoende ruimte om deze, wat AZM “frictiekosten” noemt, uit te voldoen. Vanwege de ziekte van één van de betrokken zorgverleners (gedurende welke ziekte kennelijk, partijen gaan daarvan beide uit, niet kan worden opgezegd) is bovendien onduidelijk of deze kosten in 2021 of in 2022, of verdeeld over beide jaren moeten worden voldaan. Omdat onduidelijk is of deze kosten kunnen worden voldaan uit het beschikbare budget (AZM erkent die onduidelijkheid) en het risico van een ontoereikend budget hiervoor ook volgens AZM niet door [eiser] gedragen hoort te worden, begroot de rechtbank de verschenen incidentele zorgschade voor de periode na 1 januari 2021 per heden in redelijkheid op een bedrag van € 6.502,-. Toezichturen 4.30. [eiser] stelt dat bij de berekening van het zorgtekort geen rekening is gehouden met een redelijke vergoeding voor zogenoemde toezichturen; uren waarin de zorgverleners geen zorgtaken vervullen maar wel een oogje in het zeil houden, nu 24 uur per dag toezicht en zorg nodig is. [eiser] meent dat een vergoeding voor deze toezichturen op zijn plaats is, naast de bekostiging van de zorg. Hij gaat daarbij uit van een bedrag op jaarbasis van € 14.300,- vanaf 2008, met uitzondering van de periode 2008- februari 2015 waarin hij de jaarlijkse kosten (vanwege compensatie op andere wijze) op 10% daarvan begroot. 4.31. Met AZM is de rechtbank van oordeel dat nu bij de beoordeling van de zorgschade is uitgegaan van de noodzaak van 24-uurszorg met rond de klok nabijheid van zorgverleners voor de noodzakelijke begeleiding en zorg, het er voor moet worden gehouden dat in het toezicht reeds (voldoende) is voorzien. Aanknopingspunten om aan te nemen dat daarnaast nog kosten voor toezichturen zijn dan wel zullen worden gedragen, zijn niet voldoende concreet en onderbouwd aangereikt. Samenvattend zorgschade 4.32. Aan zorgschade dient AZM aan [eiser] te vergoeden € 144.536,- (met wettelijke rente te vermeerderen) voor de periode tot 1 januari 2021 en een bedrag van € 6.502,- voor de periode daarna. Voor het overige is van zorgschade niet gebleken. Overige schadecomponenten Eigen risico ziektekostenverzekering en overige eigen bijdragen ziektekosten 4.33. [eiser] vordert vergoeding van het eigen risico van de ziektekostenverzekering, kennelijk voor alle jaren vanaf 2008. Daarnaast vordert hij overige eigen bijdragen voor buiten de dekking vallende ziektekosten, waarvoor hij – vanwege de volgens hem wisselende aard en omvang ervan – een stelpost heeft opgenomen in de schadeberekening vanaf 1 januari 2019 van € 1.500,- per jaar. 4.34. Anders dan AZM ziet de rechtbank grond om het eigen risico van de ziektekostenverzekering geheel toe te rekenen aan de medische gevolgen van de fout van AZM. De medische situatie van [eiser] maakt zonder meer aannemelijk dat hij jaarlijks ziektekosten heeft gemaakt en blijvend zal maken, die het eigen risico overstijgen. Een onderbouwing met nota’s (voor het verleden) acht de rechtbank daarvoor niet noodzakelijk. De rechtbank bepaalt deze post voor de periode tot 1 januari 2019 in redelijkheid op in totaal € 3.850,- (11 x € 350,-). Vanaf 1 januari 2019 moet worden uitgegaan van een nog te kapitaliseren jaarbedrag van € 385,- zoals gevorderd. De contante waarde hiervan per heden is berekend op een bedrag van € 11.784,-, uitgaande van de einddatum van [datum 2]. 4.35. Voor wat betreft de overige eigen bijdragen van buiten de dekking vallende ziektekosten wreekt zich dat [eiser] hierin geen enkel inzicht heeft gegeven, laat staan een onderbouwing die voldoende houvast biedt voor een realistische begroting van deze post. Zonder die onderbouwing valt niet in te zien waarom de door hem gegeven voorbeelden van kosten voor extra mondhygiëne en parodontologie in verband staan met de (gevolgen van
- de)medische fout, zoals AZM terecht heeft opgemerkt. Omdat de rechtbank het gelet op de medische situatie van [eiser] ten gevolge van de fout van AZM aannemelijk acht dat hij in de toekomst in voorkomend geval kosten zal moeten maken die niet of niet volledig zijn gedekt door zijn ziektekostenverzekering (bijvoorbeeld fysiotherapeutische behandelingen die het in het basispakket vergoede aantal overstijgen) ziet de rechtbank aanleiding om de hiervoor gemaakte en nog te maken kosten in redelijkheid te begroten op een bedrag van in totaal € 10.000,-. Eigen bijdrage CAK (onderdeel van de vorderingen c, d en
- f)4.36. [eiser] vordert vergoeding van de betaalde en in de toekomst nog te betalen eigen bijdrage, die hij in verband met het PGB vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning verschuldigd is. In de dagvaarding is ter toelichting op deze post volstaan met verwijzing naar “de schadestaat” en productie 66 bij dagvaarding, die bestaat uit een enkele factuur uit 2009 en een tweetal brieven van het CAK uit 2015 en 2019. 4.37. AZM wijst er terecht op dat de onderbouwing van [eiser] op dit punt tekort schiet. In de schadestaat “oud” is over de periode 2008 tot en met 2015 een groot aantal bedragen opgenomen, zonder dat daarvan enige onderbouwing is overgelegd. De enige wel overgelegde factuur komt in het overzicht dan weer niet voor. In de schadestaat “nieuw” is een jaarbedrag van € 280,80 opgenomen, te berekenen tot de statische eindleeftijd. Uit de overgelegde brief van het CAK van 22 november 2019 blijkt dat de eigen bijdrage over 2019 € 227,50 was en voor 2020 op € 228,- komt. 4.38. Dat [eiser] aangewezen zal blijven op deze publieke voorziening is niet in geschil en evenmin is in geschil dat hij hiervoor een eigen bijdrage verschuldigd was en zal blijven. De rechtbank hanteert hiervoor – bij gebrek aan verdere aanknopingspunten of onderbouwing aansluitend bij de wel beschikbare gegevens – een afgerond jaarbedrag van € 250,-. Voor de periode tot en met 2018 stelt de rechtbank de verschenen schade op dit punt vast op een bedrag van 11 x € 250,- (€ 2.750,-) te vermeerderen met het bedrag van de overgelegde factuur over 2008 (€ 2.776,65), afgerond in redelijkheid en inclusief daarover te betalen wettelijke rente € 7.000,-. Vanaf 1 januari 2019 en gedurende de rest van de looptijd wordt voor deze post een – nog te kapitaliseren – jaarschade van € 250,- begroot. De contante waarde hiervan per heden is berekend op een bedrag van € 7.652,-, uitgaande van de einddatum van [datum 2]. Kosten verzekering scootmobiel, extra kosten veiligheid en Securitas 4.39. [eiser] vordert – blijkens de schadestaten vanaf het jaar 2013 – vergoeding voor de verzekering van zijn scootmobiel. Hij gaat daarbij uit van een jaarbedrag van € 386,- tot 1 januari 2019 en van € 408,- per jaar vanaf die datum. AZM wijst er terecht op dat dit niet rijmt met het enige overgelegde polisblad voor een WA-verzekering voor de scootmobiel van 9 september 2013, waaruit een jaarlijkse bruto premie van € 21,50 volgt. Bij gebrek aan iedere verdere toelichting of onderbouwing begroot de rechtbank de gemaakte en in de toekomst nog te maken verzekeringskosten voor de scootmobiel op een totaal bedrag van € 1.000,-. Zij gaat er daarbij vanuit dat [eiser] voor zijn mobiliteit mede aangewezen blijft op deze vorm van vervoer. 4.40. Dat [eiser] kosten maakt voor extra veiligheid en een persoonlijk alarm, en zo ja, waarom die noodzakelijk zijn (mede gelet op de 24 uurs-zorg) heeft hij niet gesteld, laat staan onderbouwd. AZM heeft er daarnaast onbestreden op gewezen dat de Wmo een voorziening voor dergelijke kosten kent. Voor toewijzing van deze gestelde kostenpost bestaat dan ook geen grond. Extra kosten beperkte mobiliteit en reizen 4.41. [eiser] stelt dat hij als gevolg van zijn beperkingen extra kosten maakt voor vervoer en reizen (onder meer naar familie en zijn dochter in Curaçao), omdat hij is aangewezen op de voorziening voor rolstoeltaxivervoer en hij bovendien noodzakelijkerwijs begeleiding bij het reizen nodig heeft. In de schadestaat is daarvoor tot februari 2015 een bedrag van € 1.500,- opgenomen, voor de periode vanaf februari 2015 tot januari 2019 een stelpost van in totaal € 750,- en voor de periode vanaf 1 januari 2019 jaarlijks een bedrag van € 4.000,- (bestaande uit € 2.500,- aan kosten voor begeleiding bij vakanties en € 1.500,- vanwege beperkte mobiliteit). Geen van deze bedragen is van een concrete onderbouwing (ook niet voor zover het reeds gemaakte kosten betreft) of een inzichtelijke, op de feitelijke omstandigheden van [eiser] toegespitste toelichting voorzien. Dat, waarom en in welke omvang de Wmo-vervoersvoorziening ontoereikend is, is niet gesteld. Evenmin is gesteld hoe vaak [eiser] per jaar reist en waarheen en waaruit de noodzakelijke kosten voor begeleiding bestaan. 4.42. AZM maakt van dit gebrek aan onderbouwing terecht een punt. Het gegeven dat – zoals ook AZM onderkent – [eiser] recht heeft op vergoeding van de kosten die hij vanwege zijn beperkingen extra moet maken bij het reizen naar bijvoorbeeld familie of voor vakanties, maakt nog niet dat hiervoor in een schadestaat bedragen kunnen worden opgevoerd, zonder dat duidelijk is dat de kosten daadwerkelijk zijn of worden gemaakt en in welke omvang en dat de genoemde bedragen reëel zijn. Het lag op de weg van [eiser] om houvast te bieden voor een realistische begroting van deze (stel)post, die [E] kennelijk ook al eerder aan AZM had aangekondigd, maar die achterwege is gebleven. Bij gebreke daarvan ziet de rechtbank geen grond om af te wijken van het bedrag dat AZM bereid is te voldoen, zijnde een bedrag van € 1.000,- per jaar vanaf 2020 voor het bezoeken van de dochter in Curaçao, te kapitaliseren en te berekenen tot het 70e levensjaar van [eiser] . De contante waarde hiervan per heden is berekend op een bedrag van € 23.111,-, uitgaande van een einddatum van [datum 1]. Voor een verdere vergoeding van in het verleden gemaakte of in de toekomst nog te maken kosten in dit verband is onvoldoende aangevoerd. Zelfwerkzaamheid 4.43. [eiser] vordert schade in verband met verlies aan zelfwerkzaamheid overeenkomstig de Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad. In de dagvaarding gaat [eiser] uit van het normbedrag van een rijtjeshuis met tuin, (€ 599,- x 0,8) vanaf 1 januari 2019 tot het 70e levensjaar. In de schadeberekening (productie 43) is een niet toegelicht jaarbedrag van € 479,- genoemd. In de schadestaat “oud” is voor de periode tot 1 januari 2019 € 15.000,- opgenomen, onder de aanduiding “achterstallig”. 4.44. AZM betwist deze post, primair omdat niet zou zijn gebleken dat [eiser] voorheen klussen in en rondom zijn woning zelf verrichtte. De rechtbank ziet echter geen reden daaraan te twijfelen. De rechtbank neemt, met partijen, voor begroting van deze post de Richtlijn Zelfwerkzaamheid tot uitgangspunt. De rechtbank volgt daarbij AZM in haar standpunt dat geen aanknopingspunten zijn aangereikt om uit te gaan van een ander normbedrag dan die behorende bij een huurwoning met tuin met weinig onderhoud (€ 299,-) x 0,8, omdat het om een rijtjeshuis gaat. [eiser] heeft deze post namelijk verder niet toegelicht. Voor de voor het verleden gevorderde € 15.000,- is geen enkele concrete onderbouwing gegeven. De enkele opmerking in de toelichting van [E] op de schadestaten dat de woning vanwege rolstoelgebruik sneller slijt, volstaat daartoe niet. Een abstracte schadeberekening in afwijking van de Richtlijn kan dan ook niet aan de orde zijn. 4.45. De rechtbank begroot de post zelfwerkzaamheid voor de periode tot 1 januari 2019 in redelijkheid op een bedrag van in totaal € 2.631,-. Voor de periode vanaf 1 januari 2019 bedraagt de jaarschade een – nog te kapitaliseren – bedrag van € 239,20, te berekenen tot aan het 70e levensjaar van [eiser] , overeenkomstig de Richtlijn. De contante waarde hiervan per heden is berekend op een bedrag van € 5.767,-, uitgaande van een einddatum van [datum 1]. Extra kosten nutsvoorzieningen 4.46. [eiser] stelt dat hij vanwege zijn beperkingen noodgedwongen aan huis gebonden is. Hierdoor is zijn energieverbruik hoger dan gebruikelijk (verwarmingskosten, televisie kijken, opladen accu rolstoel), hetgeen hij berekent op een jaarlijkse stelpost van € 600,- vanaf juni 2008, waartoe hij ter onderbouwing zijn feitelijke verbruikskosten over de jaren 2009 tot en met 2019 heeft afgezet tegen de door het NIBUD gehanteerde gemiddelden voor een eenpersoonshuishouden. 4.47. AZM heeft in de conclusie van antwoord gewezen op een gebrek aan onderbouwing voor deze post, maar zich niettemin bereid getoond om uit te gaan van een jaarschade van € 200,- vanaf 2003. 4.48. In het rapport van Trivium van 22 maart 2021 heeft [C] zich desgevraagd uitgelaten over de vraag of sprake is van extra nutskosten. Op basis van de gebruiksgegevens van 2018/2019 is het extra verbruik van [eiser] aan gas, elektriciteit en water ten opzichte van de NIBUD gemiddelden voor een eenpersoonshuishouden te begroten op ongeveer € 1.300,-. Deze extra kosten zijn volgens Trivium een gevolg van de extra zorgbehoefte en het feit dat [eiser] veel thuis is. Voor deze kosten kan een beroep worden gedaan op de Regeling tegemoetkoming meerkosten van de gemeente Amsterdam van € 20,- per maand. 4.49. Uit deze informatie van Trivium, die AZM niet heeft bestreden, volgt dat het door [eiser] gevorderde bedrag van € 600,- per jaar niet te veel is. De rechtbank wijst dit dan ook toe, met ingang van juni 2008 (omdat [eiser] toen na diverse interne verblijven zijn woning heeft betrokken). Voor de periode tot 1 januari 2019 begroot de rechtbank dit op een vast bedrag van in totaal € 6.300,-. Vanaf 1 januari 2019 dient AZM een bedrag te vergoeden van € 600,- per jaar, te kapitaliseren, tot einde looptijd. De contante waarde hiervan per heden is berekend op een bedrag van € 18.364,-, uitgaande van de einddatum van [datum 2]. Extra kosten slijtage en beddengoed 4.50. [eiser] stelt dat hij vanwege onder meer rolstoelafhankelijkheid vaker dan gemiddeld kleding en beddengoed moet vervangen. Hij vordert daarvoor € 600,- per jaar vanaf 1 juni 2008 tot 1 februari 2018, € 441,- per jaar over 1 februari 2015 tot 1 januari 2019 en vanaf 1 januari 2019 een bedrag van € 600,- per jaar, onder verwijzing naar de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers. 4.51. AZM betwist in de conclusie van antwoord deze post, bij gebrek aan iedere onderbouwing. 4.52. Met AZM stelt de rechtbank vast dat deze post op geen enkele wijze is onderbouwd, anders dan met de blote stelling dat extra kosten worden gemaakt en verwijzing naar een Voorzieningenregeling waarvan niet is toegelicht waarom aansluiting daarbij in de rede ligt. Uit het rapport van Trivium van 22 maart 2021 blijkt bovendien dat in de woonplaats van [eiser] een gemeentelijke tegemoetkomingsregeling bestaat voor kosten als deze (de hierboven al genoemde Regeling tegemoetkoming meerkosten). Hoewel de rechtbank niet onaannemelijk acht dat [eiser] met extra slijtage van kleding en beddengoed te maken heeft, heeft zij geen aanknopingspunten om deze post te begroten op basis van jaarschades zoals door [eiser] gevorderd. De rechtbank houdt het ervoor dat [eiser] voor de toekomst een beroep weet te doen op de bedoelde gemeentelijke voorziening en dat die volstaat. Voor in het verleden gemaakte kosten op dit vlak begroot zij in redelijkheid een schadepost van in totaal € 2.000,-. Kosten seksueel gerief 4.53. [eiser] vordert kosten voor hulp bij seksueel gerief (escortservice en ondersteunende medicatie) vanaf 2008 tot zijn 70e levensjaar, uitgaande van een jaarschade van € 5.500,- (op de helft in de periode februari 2015 tot januari 2019). Hij stelt niet meer in staat te zijn een seksuele relatie aan te knopen, terwijl zijn seksuele behoeften nog altijd aanwezig zijn en hij daarin niet zelf kan voorzien. 4.54. AZM stelt zich op het standpunt dat het smartengeld moet worden geacht een vergoeding in te houden voor deze vorm van derving van levensvreugde. Daarnaast betwist zij het causaal verband met de medische fout en ook dat [eiser] deze schade daadwerkelijk lijdt, nu deze kosten niet zijn aangetoond. 4.55. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat [eiser] daadwerkelijk kosten maakt om te kunnen voorzien in zijn seksuele behoeften, omdat hij dat vanwege zijn fysieke beperkingen ten gevolge van de medische fout niet meer zelf kan en de wens tot het onderhouden van een duurzame seksuele relatie in de gegeven omstandigheden lastig te realiseren is. AZM heeft gelijk dat voor de levensvreugde die hierdoor ontegenzeggelijk wordt aangetast, de smartengeldvergoeding dient. Echter, daar waar het gaat om kosten die [eiser] daadwerkelijk maakt om toch redelijkerwijs in zijn behoeften te voorzien, kan wel degelijk ook van materiële schade ten gevolge van de medische fout worden gesproken. Hoe [eiser] vóór de fout placht te voorzien in zijn seksuele behoeften is daarbij, anders dan AZM meent, niet relevant. AZM wijst er wel terecht op dat [eiser] deze schadepost op geen enkele manier heeft onderbouwd, anders dan de toelichting van [E] (productie 40 bij dagvaarding) dat is uitgegaan van € 100,- per week voor een escortservice en € 300,- per jaar voor Viagra of andere ondersteunende medicatie. Toerekening van deze aldus begrote kostenpost tot aan het 70e levensjaar van [eiser] aan de medische fout, voert zonder nadere onderbouwing te ver. De rechtbank kent aan [eiser] ten laste van AZM voor deze schadepost in redelijkheid een bedrag toe van in totaal € 10.000,-. Daggeldvergoeding 4.56. [eiser] vordert een vergoeding voor de kosten die gemoeid zijn geweest met zijn opnames in ziekenhuizen en revalidatiecentra tot een bedrag van € 24.644,- (productie 45 bij dagvaarding), bedoeld voor kosten van bed- en ziekenhuiskleding en veraangenaming van het verblijf. Hij stelt daartoe te hebben aangesloten bij de Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding van de Letselschaderaad, uitgaande van 154 dagen ziekenhuisverblijf en 842 dagen verblijf in verschillende revalidatieklinieken. 4.57. AZM betwist niet dat een daggeldvergoeding op zijn plaats is, maar weerspreekt wel gemotiveerd en onder verwijzing naar de Richtlijn de juistheid van de berekening van [eiser] en de gehanteerde uitgangspunten. AZM acht een bedrag van € 5.602,- toewijsbaar. 4.58. Omdat beide partijen voor de berekening van de daggeldvergoeding over de gehele periode aansluiting zoeken bij de Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding van de Letselschaderaad, zal ook de rechtbank dat doen. AZM wijst er in de eerste plaats terecht op dat de Richtlijn is bedoeld voor tijdelijk verblijf, dat gemaximeerd is op 365 dagen. De vordering van [eiser] moet dus in zoverre al worden beperkt, ook al staat vast dat [eiser] veel langer in ziekenhuizen en revalidatieklinieken heeft verbleven (bijna 5 jaar). Voor een dergelijke situatie is de Richtlijn niet bedoeld. Maar nu ook [eiser] zelf aansluiting zoekt bij deze Richtlijn (in plaats van zijn werkelijke kosten inzichtelijk te maken en te onderbouwen), ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt van de Richtlijn. AZM wijst er verder ook terecht op dat [eiser] een te hoog tarief voor de vergoeding van het verblijf in revalidatieklinieken heeft gehanteerd (namelijk het hogere tarief voor verblijf in een ziekenhuis). 4.59. De rechtbank volgt AZM in haar berekening van de daggeldvergoeding, namelijk 99 dagen x € 23,- voor verblijf in ziekenhuizen = € 2.277,- (overeenkomstig de eigen opgave van [eiser] ) en 266 dagen x € 12,50 voor verblijf in revalidatieklinieken = € 3.325,- (aansluitend bij het historische tarief voor 2009 zoals genoemd in de Richtlijn), is in totaal € 5.602,-. Niet in de dagvaarding genoemde posten 4.60. In de schadestaten “oud” en “nieuw” van [eiser] komen nog enkele andere posten voor, die in de dagvaarding niet zijn opgesomd of toegelicht en ook niet kenbaar van een onderbouwing zijn voorzien, maar kennelijk wel vallen onder een van de onderdelen van de vordering. Zo staan genoemd de aanschaf van een scootmobiel en van een bed en terugbetaling van huurtoeslag. AZM weerspreekt de gehoudenheid tot het vergoeden van die posten en ook de rechtbank ziet bij gebrek aan iedere onderbouwing of toelichting geen grond voor toewijzing ervan. Buitengerechtelijke kosten 4.61. [eiser] vordert een bedrag van € 74.229,93 aan openstaande buitengerechtelijke kosten. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij naar de toelichting van [E] bij de schadestaten van 23 oktober 2019 ten behoeve van AZM (productie 40 bij dagvaarding). Als bijlagen daarbij bevinden zich twee pro forma declaraties (van 15 september 2017 à € 36.548,89 met een tot 10 oktober 2011 teruggaande urenspecificatie en van 23 oktober 2019 à € 33.380,55 met een tot 17 september 2017 teruggaande urenspecificatie) (producties 46 en 47 bij dagvaarding). In de genoemde toelichting wordt verder vermeld dat daarnaast nog sprake is van een bedrag van € 4.300,49 aan tot 18 oktober 2011 openstaande nota’s. Dit onderdeel van de vordering ziet kennelijk uitsluitend op kosten van de schadebehandelaar en niet ook op werkzaamheden die door de advocaat van [eiser] zijn verricht. 4.62. AZM stelt zich op het standpunt dat vooralsnog niet is gebleken dat [eiser] schade aan buitengerechtelijke kosten lijdt, nu de daadwerkelijke maximale hoogte van de buitengerechtelijke kosten die voor rekening van [eiser] komen zullen worden bepaald door de uitkomst van de procedure. Volgens AZM heeft [E] 20% van het behaalde resultaat bedongen. Het uiteindelijke honorarium dat op basis van deze afspraak wordt betaald zal op redelijkheid moeten worden beoordeeld, waarbij mede het aantal gewerkte uren en het uurtarief zullen moeten worden betrokken, aldus AZM. AZM meent verder dat de thans opgevoerde werkzaamheden niet allemaal als buitengerechtelijke kosten hebben te gelden en daarom hoe dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast meent AZM dat niet alle kosten in redelijkheid zijn gemaakt, vanwege het onnodige uitstel van de start van deze schadestaatprocedure. Van vergoeding van wettelijke rente over deze kostenpost kan volgens AZM pas sprake zijn wanneer [E] een opeisbare vordering heeft op [eiser] en [eiser] op zijn beurt op AZM. 4.63. Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen op de voet van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding door de aansprakelijke partij, behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (art. 6:96 lid 3 BW). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd. Of de kosten waarvoor een vergoeding wordt gevraagd – al dan niet op basis van een no cure no pay-afspraak – redelijk zijn in de zin van de wet en voor vergoeding in aanmerking komen, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat hij vooralsnog geen beroep doet op de no cure no pay afspraak die hij met [E] heeft. Kennelijk staat het hem vrij om die keuze te maken. In deze omstandigheid ziet de rechtbank grond om bij de beoordeling van de buitengerechtelijke kosten de – verder ook niet toegelichte – no cure no pay afspraak buiten beschouwing te laten. 4.64. Voor zover de gevorderde kosten niet zijn onderbouwd met een declaratie en/of specificatie gaat de rechtbank daar om die reden aan voorbij. Dat geldt dus voor het bedrag van € 4.300,49, dat [E] in zijn toelichting richting AZM wel heeft genoemd, maar niet heeft onderbouwd en ook in de dagvaarding of elders niet van een toelichting zijn voorzien. Verder heeft AZM er terecht op gewezen dat het ervoor moet worden gehouden dat kosten in rekening zijn gebracht die – ook al zijn de werkzaamheden door [E] verricht en niet door zijn raadsman – van kleur zijn verschoten door het aanbrengen van de procedure en onder de proceskostenveroordeling moeten worden geschaard. [eiser] heeft onvoldoende inzicht gegeven in welke werkzaamheden op de twee ingediende declaraties werkzaamheden betreffen die zijn verricht in voorbereiding op de verschillende procedures (waaronder naast de onderhavige procedure ook die bij het hof en een tussen partijen gevoerd kort geding over de bevoorschotting). Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank grond om de in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten te begroten op een bedrag van € 60.000,-. Afwijzen beroep op matiging rente en kosten 4.65. Het beroep van AZM op een (verdere) matiging van de gevorderde wettelijke rente en kosten vanaf de datum van het arrest van het hof van 8 september 2015 (zie 2.6) wijst de rechtbank af. Dat AZM geen vertrouwen had in een minnelijke afwikkeling – gelet op de wezenlijke verschillen van inzicht over substantiële schadeposten – en dat in dat licht [eiser] de schadestaatprocedure eerder had kunnen starten, is daarvoor onvoldoende grond. Slotsom ten aanzien van de schade 4.66. De schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de medische fout op 14 augustus 2003 dient concluderend te worden vastgesteld op basis van: € 95.000,- aan smartengeld, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 augustus 2003; € 100.000,- aan misgelopen bijstandsuitkering; € 144.536,- aan zorgschade tot 1 januari 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in nummer 4.26 omschreven; € 6.502,-. aan incidentele verschenen zorgschade na 1 januari 2021; € 3.850,- voor de periode tot 1 januari 2019 aan verschenen kosten eigen risico zorgverzekering en vanaf 1 januari 2019 een te kapitaliseren jaarbedrag van € 385,- tot einde looptijd, zijnde € 11.784 per 19 januari 2022 ; € 10.000,- aan gemaakte en nog te maken eigen bijdrage overige ziektekosten; € 7.000,- aan reeds verschenen eigen bijdrage CAK en vanaf 1 januari 2019 gedurende de rest van de looptijd hiervoor een te kapitaliseren jaarschade van € 250,-, zijnde € 7.652,- per 19 januari 2022; € 1.000,- verzekeringskosten scootmobiel; € 1.000,- per jaar vanaf 2020, te kapitaliseren en te berekenen tot het 70e levensjaar voor extra reiskosten zijnde € 23.111,- per 1 januari 2022; € 2.631,- aan verschenen schade voor verlies aan zelfwerkzaamheid voor de periode tot 1 januari 2019 en voor de periode vanaf 1 januari 2019 op basis van een jaarschade – nog te kapitaliseren – van € 239,20, te berekenen tot aan het 70e levensjaar van [eiser] , zijnde € 5.767 per 1 januari 2022; € 6.300,- aan verschenen kosten voor extra nutsvoorzieningen voor de periode tot 1 januari 2019 en vanaf 1 januari 2019 € 600,- per jaar, te kapitaliseren, tot einde looptijd, zijnde € 18.364,- per 1 januari 2022; € 2000,- aan verschenen schade voor extra slijtage van kleding en beddengoed; € 10.000,- aan kosten in verband met hulp bij seksueel gerief; € 5.602,- aan daggeldvergoedingen; € 60.000,- aan buitengerechtelijke kosten. 4.67. De rechtbank zal AZM veroordelen tot het vergoeden van de schade van [eiser] overeenkomstig de in 4.66 genoemde bedragen, waarop de voorschotten die zij ter vergoeding van deze schade heeft betaald in mindering moeten worden gebracht en met de bepaling dat artikel 6:44 BW op de betalingen van toepassing is. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in staat zijn aan de hand hiervan zelf te (laten) berekenen welke betalingsverplichting voor AZM nog resteert. Voor het overige worden de vorderingen afgewezen. Proceskostenveroordeling 4.68. AZM wordt beschouwd als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en wordt veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . De rechtbank begroot de proceskosten aan de kant van [eiser] tot op heden op € 1.639 aan griffierecht, € 100,83 voor de dagvaarding en € 8.035,- aan salaris advocaat (2,5e punt à € 3.214,-, tarief VII). In totaal is dat € 9.774,83, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd. Voor de ook gevorderde nakosten is geen afzonderlijke veroordeling vereist, omdat zij voor zover redelijkerwijs voorzienbaar in de proceskostenveroordeling zijn begrepen. De nakosten worden in de beslissing wel begroot. 5De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt AZM om aan [eiser] te betalen de schade zoals opgesomd in rechtsoverweging 4.66, en bepaalt dat daarop artikel 6:44 BW van toepassing is en dat de voorschotten die AZM al ter vergoeding van deze schade heeft voldaan in mindering strekken; 5.2. veroordeelt AZM in de proceskosten van [eiser] , die tot op heden worden begroot op € 9.774,83, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van de vijftiende dag na heden; 5.3. begroot de nakosten op € 163,-, nog met € 85,- te vermeerderen in geval van betekening van het vonnis; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, mr. J.L.M. Luiten en mr. A.M. van der Vliet en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2022. Hof 's-Hertogenbosch, 08-09-2015 ECLI:NL:GHSHE:2015:3458 type: 2651