Rechtbank den haag Team handel zaak- / rolnummer: C/09/615801 HA ZA 21/681 Vonnis in het incident van 9 maart 2022 in de zaak van 1 [eisende partij sub 1] te [plaats] , 2. [eisende partij sub 2] te [plaats] , 3. [eisende partij sub 3] te [plaats] , 4. [eisende partij sub 4] te [plaats] , eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, advocaat mr. M. Erkens te Den Haag, tegen [gedaagde] te [plaats] , eiser in het incident, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. R.M. van de Zwan te Den Haag, Eisers worden hierna ieder individueel [eisende partij sub 1] , [eisende partij sub 2] , [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] en gezamenlijk [eisende partij sub 1 c.s.] (meervoud) genoemd. De gedaagde wordt [gedaagde] genoemd. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 22 juli 2021 met producties; het tussenvonnis van 22 september 2021 waarin een descente en mondelinge behandeling bevolen is; het proces-verbaal van de descente en aansluitende mondelinge behandeling van 11 november 2021; de akte aanvulling en verbetering van eis met productie; de conclusie van antwoord tevens houdende het incident exceptio plurium litis consortium; en de antwoordakte in het incident aan de zijde van [eisende partij sub 1 c.s.] met producties. 2De beoordeling in het incident 2.1. Partijen zijn buren van elkaar. De woning van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] is gelegen aan de [adres 1] en de woning van [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] is gelegen aan de [adres 2] . De achtertuinen van deze woningen grenzen aan de zijkant van het appartement van [gedaagde] ( [adres 3a] ). Het appartement van [gedaagde] is op de eerste en tweede etage gelegen. Op de begane grond is het appartement van de heer [A] gelegen ( [adres 3b] ) (hierna: [A] ). 2.2. In 2016 heeft [A] de uitbouw achter zijn appartement vergroot. [gedaagde] heeft vervolgens het balkon bij zijn keuken op de eerste etage, die op die uitbouw gerealiseerd is, vergroot (hierna: het dakterras). De Gemeente Den Haag heeft een omgevingsvergunning aan [gedaagde] verleend voor de vergroting van het dakterras. 2.3. Het dakterras van [gedaagde] is op minder dan twee meter gelegen van de achtertuinen van [eisende partij sub 1 c.s.] Vanaf het dakterras heeft [gedaagde] zicht op de achtertuinen en woningen van [eisende partij sub 1 c.s.] 2.4. [eisende partij sub 1 c.s.] stellen zich op het standpunt dat het dakterras in strijd is met artikel 5:50 BW op grond waarvan het, kortweg, verboden is om binnen twee meter van de erfgrens een balkon of soortgelijk werk te hebben dat uitzicht geeft op het naburige erf. [eisende partij sub 1 c.s.] vorderen in de hoofdzaak verwijdering respectievelijk verkleining van het dakterras, dat laatste eventueel in combinatie met plaatsing van een glazen scherm. 2.5. Voordat de rechtbank toekomt een beoordeling van de vordering in de hoofdzaak, zal zij eerst het door [gedaagde] opgeworpen incident moeten beoordelen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. De vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] hebben betrekking op een onroerende zaak waartoe niet alleen [gedaagde] als appartementseigenaar van [adres 3a] gerechtigd is, maar ook [A] als mede VvE-lid en de vereniging van eigenaren [adres 3a/3b] (hierna: de VvE). Het balkon is immers onderdeel van het gemeenschappelijke gedeelte van de VvE. In ieder geval is er sprake van (gedeeltelijk) eigendom van [A] . 2.6. [gedaagde] stelt dat uit het voorgaande volgt dat sprake is van ondeelbare rechtsverhouding waarover pas worden beslist als alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure betrokken zijn. Nu [eisende partij sub 1 c.s.] hebben nagelaten om ook [A] en/of de VvE in de procedure te betrekken, dienen de vorderingen jegens [gedaagde] afgewezen te worden, althans dienen [eisende partij sub 1 c.s.] niet-ontvankelijk verklaard te worden. 2.7. [eisende partij sub 1 c.s.] hebben als verweer aangevoerd dat de VvE niet is opgericht. Hiervoor verwijzen zij naar de akte van levering waarmee het appartementsrecht [adres 3a] aan [gedaagde] geleverd is en waarin verwezen wordt naar akte van 25 februari 1964 die is opgesteld bij de splitsing in appartementsrechten (hierna: de splitsingsakte). In de splitsingsakte is opgenomen dat geen vereniging van eigenaren is opgericht. Omdat geen vereniging van eigenaars is opgericht, en deze derhalve ook niet van rechtswege bestaat, kan de VvE ook niet in de procedure betrokken worden. Ten aanzien van de positie van [A] hebben [eisende partij sub 1 c.s.] aangevoerd dat volstaan kan worden met een vordering jegens [gedaagde] , nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.