Rechtbank Den HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 21-6642 Zaaknummer: C/09/618679 Datum beschikking: 11 januari 2022 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 1 oktober 2021 ingekomen verzoek van: [Y] , de vader, wonende te [woonplaats] Spanje, advocaat: mr. M.H. Bressers te Barcelona, Spanje en in Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [X] , de moeder, verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres te Nederland, advocaat: mr. M.T.N. Whiterod te Utrecht. Procedure Bij beschikking van 11 november 2021 van deze rechtbank is iedere verdere beslissing aangehouden en is [bijz. curator 1] benoemd als bijzondere curator over de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op 18 november 2021 van deze rechtbank is nogmaals iedere verdere beslissing aangehouden en is [bijz. curator 2] benoemd als bijzondere curator over de voornoemde minderjarige kinderen. De bijzondere curator is verzocht om de volgende vragen te beantwoorden: Wat geven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf aan over een eventueel verblijf in Spanje en een eventueel verblijf in Nederland? In hoeverre lijken de kinderen zich vrij te kunnen uiten? In hoeverre lijken de kinderen de gevolgen van het verblijf in Spanje of het verblijf in Nederland te overzien? Willen de kinderen met de rechters spreken en zo ja, wensen de kinderen dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn? Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen? De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook: het verslag van de bijzondere curator, van 9 december 2021; het aanvullend verzoekschrift van de vader, ingekomen op 14 december 2021; het verweerschrift van de moeder, ingekomen op 15 december 2021. [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven over het verzoek, maar zij heeft aan de bijzondere curator verteld niet met de rechters te willen spreken. De rechtbank heeft haar dus niet zelf gehoord. Op 20 december 2021 is de behandeling op de videozitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij waren digitaal aanwezig: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk [naam tolk] de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de bijzondere curator; namens de Raad voor de Kinderbescherming [medewerker RvdK 1] en [medewerker RvdK 2] Door de advocaat van de vader de pleitnotities per e-mail aan de rechtbank toegezonden. Deze pleitnotities zijn op de zitting voorgedragen. Feiten De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] Spanje; [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] , Spanje. Volgens de Basisregistratie Personen (BRP) heeft de moeder de Nederlandse nationaliteit. Volgens het verzoekschrift heeft de vader de Spaanse nationaliteit. Bij vonnis van 11 mei 2018 van de rechtbank [plaatsnaam] is het convenant dat door beide ouders is ondertekend en waarmee de betrekkingen tussen beiden en de gemeenschappelijke kinderen worden geregeld, goedgekeurd en opgenomen in het vonnis. Partijen zijn hierna weer een affectieve relatie aangegaan, die begin oktober 2020 is gestrand. De moeder is op 8/9 oktober 2020 met de kinderen met een camper vanuit Spanje naar Nederland gereisd. Op 10 oktober 2020 heeft zij aan de vader een e-mail gestuurd over het meenemen van de kinderen naar Nederland. De vader was het hier niet mee eens. De moeder heeft op 23 oktober 2020 bij de rechtbank Alcalá de Henares in Spanje onder meer verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te bepalen in Nederland. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken ingediend, waarbij hij onder meer heeft verzocht de overbrenging van de kinderen onrechtmatig te verklaren en hun teruggeleiding te gelasten. De Spaanse rechtbank heeft op 28 juli 2021, een beslissing genomen, waarvan de vertaling in haar geheel als produktie 1 aan dit vonnis is gehecht. De beslissing komt er kort gezegd op neer dat de Spaanse rechter de overbrenging van de kinderen naar Nederland ongeoorloofd acht, het verzoek tot terugkeer van de kinderen naar Spanje afwijst, omdat de rechtbank niet bevoegd is tot het nemen van deze beslissing en de woonplaats van de kinderen op het adres van de moeder in Nederland bepaalt. Binnen de daarvoor gestelde termijn is door geen van de ouders hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 28 juli 2021 van de rechtbank [plaatsnaam] Dit vonnis is dus definitief geworden. Op 1 oktober 2021 heeft de vader het onderhavige teruggeleidingsverzoek ingediend. Verzoek en verweer De vader heeft – met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – nu verzocht: de terugkeer te gelasten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Spanje, meer in het bijzonder naar de huidige woning van de vader aan de [adres en plaatsnaam] (Spanje), en daarbij te bepalen dat de afgifte van de kinderen (met geldige reisdocumenten) aan de vader dient te geschieden op de luchthaven van Madrid binnen uiterlijk één week na de te dezen te wijzen beschikking, waarbij de moeder de vader minimaal 24 uur voor het tijdstip van aankomst in Madrid daarover dient te informeren per email, zulks op straffe van een door de moeder te verbeuren dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat zij niet voldoet aan dit bevel, met een maximum van € 50.000,00; te bepalen dat bij weigering van de moeder om aan de veroordeling uitvoering te geven, de vader zal zijn gemachtigd om de kinderen zelf op te halen op het adres [adres en plaatsnaam in Nederland] alwaar de moeder de kinderen aan hem dient af te geven, opdat hij hen zelf mee terug kan nemen naar Spanje; met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure van € 14.161,26. De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Spanje zijn partij bij het Verdrag. Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. Het doel van het Verdrag is volgens artikel 1:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.