Rechtbank Den HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 22-56 Zaaknummer: C/09/623436 Datum beschikking: 7 maart 2022 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 6 januari 2022 ingekomen verzoek van: [X] , de moeder, wonende te [woonplaats 1] , Finland, advocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [Y] , de vader, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. S. Taskent-Demir te Eindhoven. Procedure Bij beschikking van [beschikkingsdatum] 2022 van deze rechtbank is [bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] , Finland. De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden: Wat geeft [voornaam minderjarige 1] zelf aan over een eventueel verblijf in Finland en een eventueel verblijf in Nederland? In hoeverre lijkt [voornaam minderjarige 1] zich vrij te kunnen uiten? In hoeverre lijkt [voornaam minderjarige 1] de gevolgen van het verblijf in Finland of het verblijf in Nederland te overzien? Wil [voornaam minderjarige 1] met de rechter(s) spreken en zo ja, wenst hij dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn? Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen? De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook: het bericht van 15 februari 2022, met bijlagen, van de vader; het bericht van 16 februari 2022, met bijlagen, van de moeder; het verslag van de bijzondere curator van 16 februari 2022; het bericht van 18 februari 2022, met bijlagen, van de vader; het bericht van 21 februari 2022, met bijlage, van de moeder. [voornaam minderjarige 1] is op 21 februari 2022 in raadkamer in het bijzijn van de bijzondere curator en een tolk in de Finse taal gehoord. Op 21 februari 2022 is de behandeling ter zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Engelse taal; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de bijzondere curator; [medewerker RvdK] , namens de Raad voor de Kinderbescherming. De advocaat van de moeder heeft pleitaantekeningen overgelegd. Beoordeling Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Finland zijn partij bij het Verdrag. Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). Tussen de ouders is niet in geschil dat de kinderen onmiddellijk voor hun vasthouding in Nederland hun gewone verblijfplaats in Finland hadden. De moeder woonde ruim twee jaar met de kinderen in Finland. [voornaam minderjarige 1] ging in Finland naar school en [voornaam minderjarige 2] heeft vanaf zijn geboorte alleen in Finland gewoond. De vader kwam daar regelmatig gedurende langere tijd op bezoek. Ook is tussen de ouders niet in geschil dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend. Het geschil tussen de ouders spitst zich toe op de vraag of de moeder toestemming aan de vader heeft gegeven om zich met de kinderen permanent in Nederland te vestigen. De moeder stelt dat zij de vader toestemming heeft gegeven om op 2 december 2021 met de kinderen naar familie in Nederland te gaan voor een wintervakantie. Het was de bedoeling dat de moeder zich vervolgens op 24 december 2021 bij de vader en de kinderen in Nederland zou voegen en dat het gezin gezamenlijk vóór medio januari 2022 naar Finland zou terugkeren, omdat de voorschool van [voornaam minderjarige 1] dan weer zou beginnen. De tekst van de toestemmingsverklaring luidde volgens de moeder: “To whom it may concern. Herewith, [X] , born [geboortedatum 3] -1982 consent that [Y] , born [geboortedatum 4] -1980 is allowed to travel with [minderjarige 1] , born [geboortedatum 1] -2015 [minderjarige 2] , born [geboortedatum 2] -2019 See also included birth certificates” De vader heeft echter zonder toestemming van de moeder achter “is allowed to travel with” toegevoegd “and subscribe in [woonplaats 2] :”. Vervolgens heeft de vader op 9 december 2021 aan de moeder kenbaar gemaakt niet met de kinderen terug te zullen keren naar Finland. De moeder is door deze handelingen van de vader niet meer voor de kerstdagen naar Nederland gevlogen. Zij heeft op 17 december 2021 in Finland een verzoek tot echtscheiding ingediend. De vader stelt dat hij de kinderen met toestemming van de moeder in Nederland heeft gehouden. Hij betwist met klem dat hij de toestemmingsverklaring zou hebben vervalst. Volgens de vader hadden de ouders de intentie om de kinderen in Nederland te laten opgroeien. De ouders hebben daartoe al vanaf 2020 verschillende mogelijkheden onderzocht en bijvoorbeeld ook in augustus 2021 bijna een woning in [plaats] gekocht, wat uiteindelijk in verband met de financiering niet is doorgegaan. Uiteindelijk was de wens groter om zich in [woonplaats 2] te vestigen omdat het sociale netwerk van de vader zich daar bevindt. De moeder vond het volgens de vader weliswaar “scary” om deze stap te zetten, maar zij zou eind december 2021 ook naar Nederland komen om zich bij de rest van het gezin te vestigen. Tijdens het bezoek van vader aan Finland van 27 november tot 2 december 2021 hebben de ouders volgens de vader besloten om zich permanent in Nederland te vestigen. In verband daarmee is toen de toestemmingsverklaring opgesteld en getekend. De rechtbank overweegt als volgt. De bewijskracht van een onderhandse akte is in het origineel gelegen en niet in een kopie. De vader heeft evenwel de originele toestemmingsverklaring niet in het geding gebracht. Reeds hierom kan de rechtbank niet vaststellen of de toestemmingsverklaring luidt zoals de vader betoogt, dan wel de woorden “and subscribe in [woonplaats 2] ” later zijn toegevoegd, zoals de moeder aanvoert. Echter, zelfs in het geval de woorden “and subscribe in [woonplaats 2] ” níet later zijn toegevoegd kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat de moeder aan de vader expliciet toestemming heeft gegeven voor een permanent verblijf van de kinderen in Nederland. Onduidelijk is immers gebleven wat de ouders met de woorden “and subscribe in [woonplaats 2] ” precies zouden hebben bedoeld. Dit klemt temeer omdat “and subscribe in [woonplaats 2] ” zou kunnen duiden op het inschrijven in de gemeentelijke basisregistratie. Inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie is evenwel louter een administratieve handeling, waaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat er toestemming is gegeven om te verhuizen. Ook de overige feiten en omstandigheden wijzen er niet op dat de moeder daadwerkelijk toestemming heeft gegeven om met de kinderen naar [woonplaats 2] te verhuizen. Uit de overgelegde stukken, waaronder WhatsApp-berichten en transcripten van telefoongesprekken, blijkt veeleer dat de ouders serieus hebben gesproken over de mógelijkheid om op enig moment naar Nederland te verhuizen. Zij hebben meerdere opties besproken, zoals het kopen/huren van een huis in [plaats] en [woonplaats 2] . Daarbij is het de rechtbank opgevallen dat de ouders volgens het door de vader overgelegde transcript van een WhatsAppgesprek op 9 december 2021 nog over [woonplaats 2] hebben gesproken als een “possibility”, terwijl de moeder toen al (nl. op 2 december 2021) de toestemmingsverklaring met inbegrip van de woorden “and subscribe in [woonplaats 2] ” zou hebben getekend. Indien de moeder al eerder uitdrukkelijk de door de vader gestelde toestemming had verleend, dan had het voor de hand gelegen dat de vader haar daarop op 9 december 2021 had gewezen. Dit heeft hij echter niet gedaan. De vader heeft hiervoor ter zitting geen genoegzame verklaring kunnen geven. Ook uit de andere gedragingen van de moeder is niet gebleken dat zij haar toestemming voor een permanent verblijf van de kinderen in Nederland heeft verleend. De gedragingen van de moeder duiden er eerder op dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de kinderen met haar in Finland zouden blijven wonen. Zij heeft immers meermaals te kennen gegeven nog te twijfelen over de verhuizing en zij had nog een afspraak voor [voornaam minderjarige 2] bij het consultatiebureau in Finland gemaakt voor eind januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.