RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL22.2597 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. I.E. Lemmers). Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 1 maart 2022 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2022 op een zitting behandeld in Breda. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.
- Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, heeft eiser in zoverre geen procesbelang meer bij de behandeling van het beroep. De rechtbank ziet zich nog wel gesteld voor de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet worden beoordeeld of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
- Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Volgens eiser was het al op 23 februari 2022 duidelijk dat hij niet vóór de uiterste overdrachtsdatum, 4 maart 2022, kon worden overgedragen, omdat hij toen een coronatest heeft geweigerd. Eiser stelt dan ook dat verweerder ten onrechte eerst op 1 maart 2022 de maatregel van bewaring heeft opgeheven.
- De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De omstandigheid dat een vreemdeling weigert mee te werken aan een coronatest, waardoor een geplande overdracht naar een andere lidstaat geen doorgang kan vinden, brengt niet onmiddellijk met zich dat de maatregel van bewaring dient te worden opgeheven. Eiser heeft immers de rechtsplicht om mee te werken aan zijn overdracht en verweerder moet in de gelegenheid kunnen zijn om vóór de uiterste overdrachtsdatum nogmaals te proberen de vreemdeling over te dragen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat op 28 februari 2022 nogmaals informeel met eiser is gesproken en dat eiser toen heeft geweigerd om alsnog een coronatest te ondergaan. Deze gang van zaken is niet namens eiser betwist. Daags hierna is de maatregel van bewaring opgeheven. Dit acht de rechtbank voldoende voortvarend. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder blijkens het dossier voornemens was om eiser per auto over te dragen aan de autoriteiten van Duitsland, zodat het niet op voorhand onmogelijk was om kort voor de uiterste overdrachtsdatum alsnog een overdracht te organiseren.
- Het beroep, voor zover dit is gericht op het verkrijgen van schadevergoeding, is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen de maatregel van bewaring, niet ontvankelijk; verklaart het beroep voor het overige ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.