RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummers: NL22.2600 en NL22.2718 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. I.E. Lemmers). Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2022 (bestreden besluit 1) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 24 februari 2022 meegedeeld de maatregel van bewaring met ingang van 23 februari 2022 op te heffen. De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2022 op een zitting behandeld in Breda. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen
- Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Albanese nationaliteit.
- Tegen het bestreden besluit 1 heeft eiser geen gronden gericht. Het beroep tegen dat besluit is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelt als volgt over het bestreden besluit
- Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, heeft eiser in zoverre geen procesbelang meer bij de behandeling van het beroep. De rechtbank ziet zich nog wel gesteld voor de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet worden beoordeeld of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- Eiser betwist alleen de lichte grond 4d. Dit brengt met zich dat hoe dan ook voldoende gronden aanwezig waren om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:
- Verder kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikte gelet op de omstandigheid dat hij ten tijde van het gehoor in het kader van de inbewaringstelling naar eigen zeggen over ongeveer 50 euro beschikte. Volgens onderdeel A1/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 geldt als minimumbedrag: ten minste 55 euro per persoon per dag exclusief de kosten voor een vliegreis.
- Ten slotte voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door eerst op de vijfde dag na inbewaringstelling een vertrekgesprek te houden. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270, waarbij het houden van een eerste vertrekgesprek met een vreemdeling die evenals eiser over een paspoort beschikte op de zesde dag na inbewaringstelling voldoende voortvarend is geacht.
- Het beroep, voor zover dit is gericht op het verkrijgen van schadevergoeding, is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 (NL22.2718) niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 (NL22.2600), voor zover dit ziet op de maatregel van bewaring, niet-ontvankelijk; verklaart dit beroep voor het overige ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.