vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/620796 / HA ZA 21-1003 Vonnis in incident van 9 maart 2022 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN (Dienst Uitvoering Onderwijs, een agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) te Den Haag, eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. D.H. Mathijssen te Veghel, tegen [gedaagde] te [plaats] , Duitsland, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. L.M. Bischof te Maastricht-Airport. Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 11 augustus 2021, met de producties 1 tot en met 10; de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele conclusie van onbevoegdheid, met de producties 1 en 2; de conclusie van antwoord in het incident. 1.2. Ten slotte is een datum bepaald voor vonnis in het incident. 2De feiten in het incident Tussen partijen staan, voor zover van belang voor dit incident, de volgende feiten als onweersproken vast. 2.1. [gedaagde] is in september 2003 een studie aan een hogeschool in Nederland gestart. 2.2. Op 6 oktober 2003 heeft [gedaagde] – onder haar meisjesnaam [Naam] – bij de rechtsvoorganger van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) studiefinanciering aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft [gedaagde] ingevuld respectievelijk aangevinkt dat zij op dat moment woonde in Nederland – waar zij gedurende haar studie een studentenkamer huurde – en niet in Duitsland bij haar ouders. Het aanvraagformulier was verder voorzien van bijlagen. Eén daarvan was een verklaring omtrent het Nederlanderschap waarin staat dat [gedaagde] (mede) de Nederlandse nationaliteit heeft (zie productie 1 bij dagvaarding). 2.3. Bij besluit van 10 oktober 2003 is aan [gedaagde] studiefinanciering toegekend, bestaande uit onder meer een prestatiebeurs (een lening die kan worden omgezet in een gift) en een rentedragende lening (die niet kan worden omgezet in een gift). 2.4. Met ingang van 1 november 2003 is de studiefinanciering maandelijks aan [gedaagde] uitbetaald. 2.5. In augustus 2009 heeft [gedaagde] haar studie met goed gevolg afgerond, waarna de prestatiebeurs als gift aan haar is toegekend. 2.6. De Wet Studiefinanciering 2000 (WSF2000) bepaalt ten aanzien van de terugbetaling van (onder meer) de rentedragende lening, voor zover van belang, het volgende: ‘Artikel 6.5. Terugbetalingsperiode 1. De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten. 2. De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase. (…) Artikel 6.6. Aanloopfase 1. De aanloopfase beslaat de eerste 2 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode. 2. Gedurende de aanloopfase bestaat geen verplichting tot terugbetaling. Artikel 6.7. Aflosfase 1. De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat (…) 35 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening hoger onderwijs. (…) Artikel 6.9. Vaststelling en aflossing termijnbetalingen 1. Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.’ Op 1 januari 2012 bedroeg het saldo van de rentedragende lening ruim € 37.000. 2.8. Bij brief van 6 januari 2012 is [gedaagde] medegedeeld dat op 1 januari 2012 de aflosfase voor de rentedragende lening is gestart en dat de terugbetalingsverplichting uiteenvalt in maandelijkse aflostermijnen. 2.9. Tot op heden heeft [gedaagde] geen enkele maandelijkse aflossingstermijn voldaan. 3 3. Het geschil 3.1. De Staat vordert in de hoofdzaak de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 22.489,64, te vermeerderen met rente en diverse kosten. 3.1.1. Hieraan legt de Staat ten grondslag dat [gedaagde] en (de rechtsvoorganger van) DUO met de aanvraag en de verstrekking van de studiefinanciering een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan (hierna: de overeenkomst). Op de overeenkomst is de WSF2000 van toepassing. Aangezien [gedaagde] met ingang van 1 september 2009 (zie punt 2.5.) geen recht meer had op studiefinanciering, is ingevolge artikel 6.5 WSF2000 op 1 januari 2010 de periode tot terugbetaling van de rentedragende lening aangevangen, beginnend met een aanloopfase van twee jaar zonder betalingsverplichting. Op 1 januari 2012 is de aflosfase aangevangen en moest [gedaagde] starten met het terugbetalen van de rentedragende lening via maandelijkse aflostermijnen. [gedaagde] heeft de afbetalingen niet binnen de vervaltermijnen voldaan, waarmee – aldus nog steeds de Staat – de vervallen termijnen direct opeisbaar zijn geworden en [gedaagde] daarover wettelijke rente verschuldigd is. Om haar moverende redenen vordert DUO in deze procedure alleen de aflostermijnen van augustus 2012 tot en met oktober 2020 ten bedrage van in totaal € 22.489,64. 3.2. Op de rol van 26 januari 2022 heeft [gedaagde] verweer gevoerd in de hoofdzaak. Daarbij heeft [gedaagde] vóór alle weren een exceptie van onbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 11 en 110 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgeworpen. [gedaagde] vordert dat deze rechtbank zich internationaal en relatief onbevoegd verklaart om van de hoofdzaak kennis te nemen. Zij voert hiertoe het volgende aan. internationale bevoegdheid 3.2.1. De internationale bevoegdheid van de rechter moet worden bepaald aan de hand van de Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en in handelszaken (herschikking), PbEU2012 L 351/1 (Brussel I bis-Verordening). Hoofdregel daarbij is dat de rechter van de lidstaat waar de gedaagde woont bevoegd is (artikel 4). Dit leidt tot de bevoegdheid van de Duitse rechter, nu [gedaagde] in Duistland woont. De alternatieve bevoegdheidsregel van artikel 7 lid 1 sub a Brussel I bis-Verordening leidt tot dezelfde uitkomst, omdat Duitsland de daarbij als uitgangspunt geldende plaats van uitvoering van de aan de eis ten grondslag liggende verbintenis (haalschuld) is. Daarbij stelt [gedaagde] zich aan de hand van artikel 4 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Trb. 1980, 156 (EVO) op het standpunt dat de overeenkomst beheerst wordt door Duits recht, nu zij daar woont en als schuldenaar de kenmerkende prestatie (terugbetaling) moet verrichten (lid 2) dan wel omdat de zaak nauwer verbonden is met Duitsland dan met Nederland (lid 5). relatieve bevoegdheid 3.2.2. Voor zover toch sprake is van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, is op grond van artikel 1:14 Burgerlijk Wetboek (BW) de rechtbank Noord-Nederland (relatief) bevoegd om van dit geschil kennis te nemen omdat Duo als agentschap van de Staat in Groningen is gevestigd. bevoegdheid civiele rechter 3.2.3. Tenslotte stelt [gedaagde] nog dat de bevoegdheid van de civiele rechter in het geding komt vanwege het bestuursrechtelijke karakter van de zaak. Volgens haar kwalificeert de op het publiekrecht gebaseerde studiefinanciering niet als een overeenkomst van geldlening in civielrechtelijke zin. 3.3. Op de rol van 9 februari 2022 heeft de Staat geantwoord op de incidentele vordering van [gedaagde] en daartegen verweer gevoerd. De Staat bestrijdt de door [gedaagde] gestelde onbevoegdheid van de Nederlandse (civiele) rechter te Den Haag en concludeert tot afwijzing van het bevoegdheidsincident. Hij verwijst hiertoe (eveneens) naar artikel 7 lid 1 sub a Brussel I bis-Verordening, de artikelen 6:116 en 118 BW en artikel 109 Rv, waaruit zou volgen dat de Nederlandse rechter wel degelijk internationaal en relatief bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen. De Staat baseert zich daarbij op de stelling dat de overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht. Primair omdat beide partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in Nederland gevestigd/woonachtig waren, zodat sprake is van een nationale overeenkomst. Subsidiair op grond van artikel 4 EVO, omdat DUO de kenmerkende prestatie heeft verricht en de overeenkomst het nauwst is verbonden met Nederland. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in het incident4.1. Omdat de Staat in Nederland is gevestigd en [gedaagde] in Duistland woont, is sprake van een zaak met een internationaal karakter. [gedaagde] heeft in haar eerste processtuk, dus tijdig, beroep gedaan op primair het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter en subsidiair op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank. Gelet hierop dient de rechtbank allereest (ambtshalve) te beoordelen of zij internationaal bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. Internationale bevoegdheid 4.2. Beide partijen gaan er vanuit dat de internationale bevoegdheid van deze rechtbank moet worden beantwoord aan de hand van de Brussel I bis-Verordening, meer in het bijzonder artikel 7 lid 1 sub a. De rechtbank is echter van oordeel dat de Brussel I bis-Verordening in dit geval toepassing mist, omdat de zaak buiten haar materiële toepassingsgebied valt. Daarvoor is het volgende doorslaggevend. 4.2.1. Artikel 1 Brussel I bis-Verordening bepaalt dat deze verordening van toepassing is in ‘burgerlijke en handelszaken’, ongeacht de aard van het gerecht. Ze heeft met name geen betrekking op – voor zover hier van belang – bestuursrechtelijke en administratieve zaken. 4.2.2. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) moeten de bewoordingen waarmee het materiële toepassingsgebied van de Brussel I bis-Verordening worden afgebakend autonoom worden uitgelegd aan de hand van enerzijds de doelen en het stelsel van deze verordening en anderzijds de algemene beginselen die in alle rechtsstelsels van de EU-lidstaten te vinden zijn. Dit leidt ertoe dat bepaalde internationale zaken buiten het materiële toepassingsgebied vallen in verband met elementen die kenmerkend zijn voor de aard van de tussen partijen bestaande rechtsbetrekking of het voorwerp van geschil. Rechtsbetrekkingen tussen een overheidsinstantie en een particulier kunnen binnen het materiële toepassingsbereik vallen, maar niet wanneer de overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid handelt. Om te bepalen of dit het geval is, moet worden gekeken naar de (aard van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.