vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/602259 / HA ZA 20-1083 Vonnis van 16 maart 2022 in de zaak van 1SPRECH INDUSTRIA LTDA, te Munisipio de Sao Gonzalo do Amarante, Brazilië, 2. SPRECH S.R.L., te Martano, Italië, eiseressen in conventie, verweersters in voorwaardelijke reconventie, advocaat mr. N. Peters te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde 1], te [plaats 1], gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie, advocaat mr. H.C.M. Kortman te Den Haag, 2. [gedaagde 2], te [plaats 2], gedaagde in conventie, advocaat mr. S. van Buuren te 's-Gravendeel. Eiseressen samen worden hierna ‘Sprech c.s.’ genoemd; gedaagde onder 1 ‘[gedaagde 1]’ en gedaagde onder 2 ‘[gedaagde 2]’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 21 september 2020 met producties 1-19; de conclusie van antwoord in conventie van [gedaagde 1], met daarin een voorwaardelijke eis in reconventie van 23 december 2020, met producties 1-6; de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] met productie 1; de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging eis van 3 februari 2021, met productie 20; het tussenvonnis waarin een mondelinge behandeling is bepaald van 15 december 2021; de akte overleggen stukken van [gedaagde 1] van 20 januari 2022 met producties 7 en 8; het proces-verbaal van de op 2 februari 2022 gehouden mondelinge behandeling. 1.2. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Zij zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken. Mr. Buskens heeft bij brief van 14 februari 2022 opmerkingen gemaakt namens Sprech c.s.; mr. Kortman heeft bij brief van 18 februari 2022 opmerkingen gemaakt namens [gedaagde 1]. De rechtbank neemt (alleen) de in deze brieven vervatte opmerkingen over de verslaglegging van de zitting mee in haar beoordeling. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Sprech S.r.l. is een vennootschap naar Italiaans recht. De heer [naam] (hierna: [naam]) is haar bestuurder. 2.2. Op 19 mei 2009 hebben Sprech S.r.l. en [gedaagde 1] samen de vennootschap naar Braziliaans recht Sprech Industria Ltda (hierna: SI) opgericht. Sprech S.r.l. kreeg 51% van de aandelen en [gedaagde 1] 49%. SI zou het soort onderneming dat Sprech S.r.l. in Italië voerde, in Brazilië gaan voeren. 2.3. [gedaagde 1] kon zijn deel van de aandelen in SI ten tijde van de oprichting niet betalen. Op 2 september 2010 hebben SI en [gedaagde 1] daarom een garantieovereenkomst getekend, waarin onder meer het volgende staat: “The undersigned - Mr. [gedaagde 1], (…) and - Sprech LTDA, (…) represented by its director, Ms. [A.] (…) whereas - [gedaagde 1] holds shares equivalent to 49% of [Sprech Ltda] and paid R$ 1,00 against a share capital of R$ 700.000; (…) - To ensure the punctual payment of the entire share capital, Sprech Ltda require a warrant to be issued by [gedaagde 1] up to a maximum of € 150.000 and Mr. [gedaagde 1] is willing to release it under the following terms and conditions: 1. Mrs. [gedaagde 2] (…) is the sole owner of the property located in (…) Leidschendam; 2. (…) The divorce proceedings between Ms. [gedaagde 2] and [gedaagde 1] states that [gedaagde 1] is entitled to 50% of the mark up between the real estate and the mortgage quota (€ 300.000); 3. The real estate at stake is still for sale and [gedaagde 1] is committed to pay its remaining share capital of Sprech Ltda with his share of the real estate (€ 150,000.00) once the house will be sold. 4. (…) [gedaagde 1] can sell or otherwise dispose of the real estate only to repay the debt he has against Sprech Ltda. 5. This warranty expires when the reimbursement is made complete or when [gedaagde 1] has paid its share capital through the profits generated from Sprech Ltda; 6. The owner of the property (…) Mrs. [gedaagde 2] commits herself to ensure the execution of this warranty and to deal in good faith with regard to the negotiations for the sale of the real estate. (…) 8. This warranty is subject to Dutch law. In case of dispute the competent court will be the one where the real estate is located. Signed and approved in three copies in São Gonçalo do Amarante / Leidschendam, 02 September 2010. [gedaagde 1] [handtekening] [gedaagde 2] [handtekening] Sprech Ltda” 2.4. Op 29 augustus 2012 hebben Sprech S.r.l. en [gedaagde 1] een overeenkomst getekend, opgesteld in het Portugees. In de door Sprech c.s. bij dagvaarding overgelegde, door [gedaagde 1] niet betwiste Engelse vertaling van dit stuk staat onder meer het volgende: “The shareholder Sr. [gedaagde 1] , no matter the future of SPRECH LTDA, undertakes the obligation to repay the other shareholder SPRECH Srl , the loss incurred in the year 2010 amounting to RS 259.201,09 (…), and for the year 2011 amounting to RS. 354.602,68 (…) and for the year 2012 for the amount which will be determined after the drafting of the balance account. What abovementioned respect the brazilian civil code which obliges shareholders to bear the financial losses of the company according to their shares owned. The same shareholders acknowledge what agreed according to the Brazilian and/or Italian legislations.” 2.5. Bij brief van 13 juli 2017 heeft de Italiaanse advocaat van Sprech S.r.l. [gedaagde 2] gesommeerd om binnen acht dagen te betalen “payment in full of the outstanding debt in the amount of €. 150.000,00 related to the share capital never paid.” 2.6. Bij brief van 23 juli 2019 heeft een Nederlandse advocaat [gedaagde 1] namens Sprech S.r.l. en SI gesommeerd om binnen twee weken te betalen: aan SI: € 160.234 (R$ 699.999) in verband met het volstorten van zijn aandelen, en aan Sprech S.r.l. € 142.602,60 (R$ 613.803,77) in verband met de verliezen van SI over de boekjaren 2010 (R$ 259.201,09 / € 60.219,20) en 2011 (R$ 354.602,68 / € 82.383,40). 2.7. Bij afzonderlijke brief van 23 juli 2019 heeft de Nederlandse advocaat [gedaagde 2] namens Sprech S.r.l. en SI gesommeerd om binnen twee weken € 150.000 te betalen, in verband met de garantieovereenkomst. 2.8. Bij brief van 26 juli 2019 heeft [gedaagde 2] op de sommatie van 23 juli 2019 gereageerd, waarin zij onder meer het volgende heeft geschreven: “Mijn destijds verstrekte garantie is dat het huis verkocht zou worden. Het huis heeft ook lang te koop gestaan, bij twee verschillende makelaars voor een bedrag van [x]. Het is niet gelukt tot een verkoop te komen, dit komt enerzijds door de crisis tijd en anderzijds omdat niet duidelijk was wat de bestemming zou worden van het tuincentrum naast het huis en de bestemming van de omgeving. Het huis is tijdelijk uit de verkoop gehaald, er is gewacht op de sanering van het tuincentrum en de goedgekeurde bestemmingsplannen “duivencorridor Leidschendam-Voorschoten”. Vanaf 15 juni 2019 is het huis opnieuw via een makelaar in de verkoop gezet (…) Bij deze brief bevestig ik dat ik er alles aan doe om het huis te verkopen. Daarnaast dat de overwaarde gedeeld wordt met mijn ex-man dhr. [gedaagde 1], ieder 50% minus aftrek van de kosten. Het bedrag zal ik dan naar hem storten. Uit het door mij destijds getekende stuk kunt u niet opmaken dat ik zelf een verplichting zou hebben tot enige betaling aan uw cliënten.” 2.9. Op 17 april 2020 is het huis verkocht. Op 20 en 21 april 2020 heeft [gedaagde 2] in totaal € 106.000 aan [gedaagde 1] overgemaakt. 2.10. Bij afzonderlijke brieven van 6 augustus 2020 heeft de (huidige) advocaat van Sprech c.s. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesommeerd tot betaling. Op 7 september 2020 heeft Sprech c.s. derdenbeslag gelegd ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. 3De vorderingen en het verweer 3.1. SI vordert op grond van de garantieovereenkomst – kort gezegd – de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 54.403, vermeerderd met rente en kosten, waaronder de kosten voor de derdenbeslagen. Sprech S.r.l. vordert op grond van de overeenkomst ten aanzien van de in 2010 tot en met 2012 in SI gerealiseerde verliezen – kort gezegd en na wijziging van eis – veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 225.239 (of € 110.367). Sprech S.r.l. vordert daarnaast rente en kosten, waaronder de kosten voor de derdenbeslagen. 3.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren afzonderlijk verweer. [gedaagde 1] heeft ook een voorwaardelijke vordering in reconventie ingesteld tegen Sprech c.s., voor het geval enige vordering van Sprech c.s. wordt toegewezen en voor zover zijn stellingen niet als verweer maar als eigen vordering worden gezien. 3.3. Sprech c.s. voert verweer in voorwaardelijke reconventie en concludeert tot afwijzing. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna per onderwerp ingegaan. 4De beoordeling Vordering van SI op [gedaagde 1] 4.1. SI vordert € 54.403 van [gedaagde 1] op grond van de garantieovereenkomst; zij stelt dat haar vordering op grond van die overeenkomst de dag na de verkoop van het huis opeisbaar is geworden, dus op 18 april 2020. [gedaagde 1] beroept zich op verjaring, op andere afspraken die partijen rond 2016 zouden hebben gemaakt en op verrekening met de vordering die hij op SI heeft terzake van salaris en een autovergoeding. Opeisbaarheid; verjaring 4.2. [gedaagde 1] betwist niet dat hij het bedrag van € 54.403 verschuldigd was, maar stelt ten eerste dat de vordering van SI terzake het volstorten van de aandelen is verjaard. SI betwist dit. 4.3. Voor de beoordeling van dit verweer is het nodig vast te stellen of de vordering opeisbaar was; de verjaring van vorderingen begint immers op de dag nadat zij opeisbaar zijn geworden. Partijen zijn het niet eens over wat zij hebben afgesproken over de opeisbaarheid van de vordering tot het volstorten van de aandelen in SI, zodat de rechtbank hun afspraken zal moeten uitleggen. Volgens vaste jurisprudentie moet de rechtbank daarbij letten op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat de vordering terzake het volstorten van de aandelen opeisbaar is geworden met de verkoop van het huis op 17 april 2020. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen. [gedaagde 1] stelt dat de vordering al opeisbaar was vanaf de oprichting van SI in 2009. Ook als de rechtbank ervan uitgaat dat dat zo is, blijft staan dat [gedaagde 1] ten tijde van het sluiten van de garantieovereenkomst nog niet aan zijn volstortingsplicht had voldaan en – zoals hij ter zitting heeft toegelicht – ook niet kon voldoen. Partijen hebben daarom de afspraak gemaakt dat [gedaagde 1] zijn aandelen zou betalen met zijn helft van de overwaarde van het huis in Leidschendam; die afspraak is neergelegd in de garantieovereenkomst. Artikel 3 van die overeenkomst bepaalt dat SI pas betaling kon eisen “once the house will be sold” (artikel 3). Dat [gedaagde 1] ervoor kon kiezen om eerder of anders te betalen, bijvoorbeeld met winst, maakt dat niet anders. 4.5. Dit betekent dat de verjaring van de vordering van SI pas op 18 april 2020 begon te lopen. De dagvaarding is op 21 september 2020 uitgebracht, zodat de vordering van SI niet is verjaard. Verrekening 4.6. [gedaagde 1] stelt dat de vordering terzake het volstorten van de aandelen is meegenomen in afspraken die Sprech c.s. en hij rond 2016 hebben gemaakt naar aanleiding van een verzoek van Sprech c.s. aan hem om SI te liquideren. [gedaagde 1] stelt stukken te hebben ondertekend waarin staat dat noch de vennootschap noch de aandeelhouders enige vordering hebben over en weer. Sprech c.s. betwist het bestaan van dergelijke afspraken. Zij wijst erop dat de door [gedaagde 1] ter onderbouwing overgelegde stukken in het Portugees zijn opgesteld en dat geen vertaling is overgelegd, zodat zij de rechtbank vraagt aan die stukken en stellingen voorbij te gaan. 4.7. De rechtbank gaat aan dit verrekeningsverweer voorbij. Uit [gedaagde 1]’s eigen stellingen volgt namelijk dat Sprech c.s. de stukken destijds niet heeft ondertekend en dat SI niet is geliquideerd. De door [gedaagde 1] gestelde afspraken zijn kennelijk uiteindelijk niet doorgegaan en bieden dus geen grondslag voor verrekening. 4.8. Verder stelt [gedaagde 1] dat hij de vordering van SI heeft verrekend met de vordering die hij op SI heeft, terzake het salaris en de vergoedingen die SI hem volgens het Braziliaanse recht had moeten betalen maar niet heeft betaald. Sprech c.s. betwist dat SI [gedaagde 1] salaris en vergoedingen schuldig was. Zij meent dat [gedaagde 1] onvoldoende duidelijk maakt op grond waarvan zij hem salaris en vergoedingen schuldig zou zijn. Ook doet zij een beroep op artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat de gegrondheid van [gedaagde 1]’s verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. 4.9. De rechtbank gaat ook aan dit verrekeningsverweer voorbij, omdat [gedaagde 1] niet voldoende heeft gesteld waarom hem naar Braziliaans recht salaris en vergoedingen toekomen. De rechtbank kan het recht – ook buitenlands recht – slechts toepassen op feiten. [gedaagde 1] heeft echter niets gesteld over afspraken op basis waarvan hij recht zou hebben op een salaris; niets over zijn precieze hoedanigheid en de aard en duur van zijn werkzaamheden, noch over de hoogte van het in Brazilië wettelijk verplichte salaris. Rechtspraak of literatuur heeft [gedaagde 1] niet genoemd en ook niet overgelegd; wetsartikelen waaruit zijn recht op salaris en vergoedingen voortvloeit, heeft hij niet genoemd. Het handgeschreven overzicht dat [gedaagde 1] heeft overgelegd, biedt op deze vragen geen antwoord – dit nog los van het feit dat de herkomst en betekenis van het document onduidelijk zijn, en het overzicht ook volgens [gedaagde 1] zelf een fout bevat. 4.10. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de hoofdvordering van SI op [gedaagde 1] zal toewijzen. Wettelijke rente 4.11. SI vordert wettelijke rente vanaf 6 augustus 2020, de datum van dagtekening van haar laatste sommatiebrief aan [gedaagde 1]. Echter, deze sommatiebrief gaf [gedaagde 1] de mogelijkheid om uiterlijk op 13 augustus 2020 te betalen. Het verzuim is daardoor pas op 14 augustus 2020 ingetreden; de rechtbank zal de wettelijke rente vanaf die datum toewijzen. Vordering van SI op [gedaagde 2] 4.12. SI stelt dat [gedaagde 2] zich met de garantieovereenkomst hoofdelijk garant heeft gesteld om SI uit de verkoopopbrengst van het huis te voldoen, zodat SI [gedaagde 2] kan aanspreken tot betaling van de in de overeenkomst bedoelde vordering op [gedaagde 1]. [gedaagde 2] betwist dat zij zich persoonlijk mede garant heeft gesteld. Zij meent dat zij slechts gehouden was de uitvoering van de garantie te verzekeren en te goeder trouw te handelen bij de onderhandelingen over de verkoop van de woning. Dat heeft zij ook gedaan, aldus [gedaagde 2]. 4.13. Partijen zijn het niet eens over de betekenis van de garantieovereenkomst voor zover die ziet op de verplichtingen van [gedaagde 2] jegens SI. De rechtbank zal de overeenkomst dus ook op dit punt moeten uitleggen. 4.14. De rechtbank is van oordeel dat SI [gedaagde 2] op grond van de garantieovereenkomst niet kan aanspreken tot betaling aan SI, en wel om de volgende redenen. 4.14.1. De rechtbank hecht in deze zaak extra waarde aan de tekst van de overeenkomst, omdat SI een professionele partij is en [gedaagde 2] een natuurlijk persoon die
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.