zelfstandige op grond van artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb. In geschil is
eiser rechtmatig verblijf heeft als werkzoekende op grond van diezelfde bepaling. Eiser voert aan dat hij als economisch actieve gemeenschapsonderdaan moet worden aangemerkt, nu hij op zoek is naar werk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet voldeed aan de voorwaarden voor werkzoekenden. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij werk zocht en dat hij een reële kans op werk had. Eiser heeft wel gesteld dat hij heeft meegedaan aan een traject voor werkzoekenden van de gemeente Breda en dat hij verschillende sollicitaties heeft verricht, maar deze stelling is niet met stukken onderbouwd. De enkele stelling van eiser dat de sollicitaties door de covid-pandemie zijn bemoeilijkt, is onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet. De toelaatbaarheid van de verwijdering
sprake is van een schending van familie-
gezinsleven als bedoeld in artikel 7 van het Handvest en artikel 8 van het EVRM nu eiser geen rechtmatig verblijf heeft gehad. Verweerder heeft niet bestreden dat tussen eiser en zijn partner sprake is van een gezinsleven. Dat betekent dat hij een belangenafweging had moeten maken. Bovendien heeft verweerder ook op dit onderdeel miskend dat eiser eerder rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Dit heeft betekenis voor het gewicht van eisers belangen in relatie tot die van verweerder. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij, ondanks de hem toekomende bevoegdheid in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb, in deze zaak niet ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM heeft verleend. Ook hierom is sprake van strijd met artikel 7:12 van de Awb. Horen
49 VWEU en in Artikel 6, lid 1, Artikel 7, lid 1, onder a), b)
c), Artikel 7, lid 3, Artikel 14, Artikel 16, lid 1,
(…) Artikel 18 Afgifte van verblijfsdocumenten 1. Het gastland kan burgers van de Unie
onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, hun respectieve familieleden en andere personen die overeenkomstig de in deze titel vermelde voorwaarden op zijn grondgebied verblijven, verplichten tot het aanvragen van een nieuwe verblijfsstatus waaraan de rechten uit hoofde van deze titel zijn verbonden alsook tot het aanvragen van een document tot staving van deze status, waarvan het formaat ook digitaal mag zijn. Aan de aanvraag van een dergelijke verblijfstatus zijn de volgende voorwaarden verbonden: a. a) de aanvraagprocedure heeft als doel na te gaan
de aanvrager in aanmerking komt voor de in deze titel vermelde verblijfsrechten. Wanneer dat het geval is, heeft de aanvrager recht op verlening van de verblijfsstatus en op het document ter staving van die status; b) de uiterste termijn voor het indienen van de aanvraag bedraagt niet minder dan 6 maanden te rekenen vanaf het eind van de overgangsperiode, voor personen die voor het eind van de overgangsperiode in het gastland verblijven. Voor personen die het recht hebben hun verblijf in het gastland overeenkomstig deze titel aan te vangen na het eind van de overgangsperiode, is de uiterste termijn voor het indienen van de aanvraag 3 maanden na hun aankomst
, indien dat later is, na het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde uiterste termijn. Een verklaring dat de aanvraag voor een verblijfsstatus is ingediend, wordt onmiddellijk afgegeven;
het Verenigd Koninkrijk de Unie ervan in kennis heeft gesteld dat het gastland door technische problemen ervan wordt weerhouden de aanvraag te registreren
de verklaring dat de aanvraag is ingediend, als bedoeld onder b), af te geven. Het gastland publiceert die kennisgeving en verstrekt de betrokken personen tijdig passende openbare informatie;
tegen een bedrag dat niet hoger is dan het voor de afgifte van soortgelijke documenten van eigen burgers
onderdanen van het gastland verlangde bedrag; h) personen die voor het eind van de overgangsperiode in het bezit zijn van een krachtens Artikel 19
van Richtlijn 2004/38/EG afgegeven geldig permanent verblijfsdocument
van een geldig, nationaal immigratiedocument dat een permanent recht op verblijf in het gastland verleent, hebben het recht om dat document binnen de in dit lid, onder b), bedoelde periode in te wisselen voor een nieuw verblijfsdocument, nadat zij daartoe een aanvraag hebben ingediend en na controle van hun identiteit, een controle van hun strafrechtelijke antecedenten en een veiligheidscontrole overeenkomstig punt p) van dit lid, en een bevestiging van dat zij nog steeds verblijf houden; dergelijke nieuwe verblijfsdocumenten worden kosteloos verstrekt; i. i) de identiteit van de aanvragers wordt gecontroleerd door middel van de overlegging van een geldig paspoort
een geldige nationale identiteitskaart voor burgers van de Unie en onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, en door middel van de overlegging van een geldig paspoort voor hun respectieve familieleden en andere personen die geen burger van de Unie
onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn; aan de aanvaarding van dergelijke identiteitsdocumenten mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan de geldigheid van het document. Wanneer de bevoegde autoriteiten van het gastland het identiteitsdocument gedurende de aanvraagprocedure onder zich houden, geeft het gastland dat document op verzoek onverwijld terug voordat de beslissing over de aanvraag is genomen;
zelfstandige: een verklaring van indienstneming
tewerkstelling, dan wel bewijs dat zij zelfstandige zijn; ii) wanneer zij overeenkomstig Artikel 7, lid 1, onder b), van Richtlijn 2004/38/EG als economisch niet actieve personen in het gastland verblijven: bewijs dat zij voor zichzelf en voor hun familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikken die de ziektekosten in het gastland volledig dekt;
iii) wanneer zij overeenkomstig Artikel 7, lid 1, onder c), van Richtlijn 2004/38/EG als student in het gastland verblijven: bewijs dat zij zijn ingeschreven aan een instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving
administratieve praktijk is erkend
wordt gefinancierd, bewijs van een verzekering die de ziektekosten volledig dekt en een verklaring
een gelijkwaardig bewijsmiddel dat de zekerheid verschaft dat zij over voldoende middelen beschikken om te voorkomen dat zij
hun familieleden tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland. Het gastland mag niet verlangen dat dergelijke verklaringen een specifiek bedrag van bestaansmiddelen vermelden. Ten aanzien van de voorwaarde inzake voldoende bestaansmiddelen is Artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2004/38/EG van toepassing; l) het gastland mag familieleden op wie Artikel 10, lid 1, onder e), punt i),
, lid 2
lid 3, van dit akkoord van toepassing is en die overeenkomstig Artikel 7, lid 1, onder d),
, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG, in het gastland verblijven, er alleen toe verplichten om, naast de in dit lid, onder i), bedoelde identiteitsdocumenten, de volgende bewijsstukken als bedoeld in Artikel 8, lid 5,
i) een document waaruit de verwantschap
het bestaan van een geregistreerd partnerschap blijkt; ii) een verklaring van inschrijving
, indien een inschrijvingssysteem ontbreekt, een ander bewijs dat de burger van de Unie
de onderdaan van het Verenigd Koninkrijk bij wie zij verblijven, daadwerkelijk in het gastland verblijft; iii) voor rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn onder de leeftijd van 21 jaar
die te hunnen laste zijn en voor rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn die te hunnen laste zijn, alsmede voor die van de echtgenoot
geregistreerde partner, stukken ter staving dat aan de voorwaarden van Artikel 2, lid 2, onder c)
d), van Richtlijn 2004/38/EG is voldaan; iv) voor de personen als bedoeld in Artikel 10, lid 2
lid 3, van dit akkoord: een door de desbetreffende autoriteit in het gastland overeenkomstig Artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG afgegeven document. Met betrekking tot de voorwaarde inzake toereikende middelen van bestaan, is ten aanzien van familieleden die zelf burger van de Unie
onderdaan van het Verenigd Koninkrijk zijn, Artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2004/38/EG van toepassing; m) het gastland mag familieleden op wie Artikel 10, lid 1, onder e), punt ii), lid 2,
, lid 4, van dit akkoord toepassing is, er alleen toe verplichten om, naast de in dit lid, onder i), bedoelde identiteitsdocumenten, de volgende bewijsstukken als bedoeld in Artikel 8, lid 5, en Artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG te overleggen: i. i) een document waaruit de verwantschap
het bestaan van een geregistreerd partnerschap blijkt; ii) een verklaring van inschrijving
, indien een inschrijvingssysteem ontbreekt, een ander bewijs van verblijf in het gastland, van de burger van de Unie
van de onderdaan van het Verenigd Koninkrijk bij wie zij zich in het gastland voegen; iii) voor echtgenoten
geregistreerde partners: een document waaruit de verwantschap
het bestaan van een geregistreerd partnerschap voor het eind van de overgangsperiode blijkt; iv) voor rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn onder de leeftijd van 21 jaar
die te hunnen laste zijn en voor rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn die te hunnen laste zijn, alsmede voor die van de echtgenoot
geregistreerde partner: stukken ter staving dat zij voor het eind van de overgangsperiode verwant waren met burgers van de Unie
onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en aan de voorwaarden van Artikel 2, lid 2, onder c)
d), van Richtlijn 2004/38/EG inzake leeftijd
afhankelijkheid voldoen; v) voor de personen als bedoeld in Artikel 10, lid 4, van dit akkoord: bewijs dat voor het eind van de overgangsperiode een duurzame relatie met een burger van de Unie
een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk bestond, die ook daarna voortduurt;
omissies in hun aanvragen te voorkomen; zij bieden de aanvragers de gelegenheid om aanvullend bewijs te overleggen en om eventuele tekortkomingen, fouten
omissies te verhelpen; p) aanvragers kunnen systematisch aan een controle van hun strafrechtelijke antecedenten en een veiligheidscontrole worden onderworpen met als enig doel na te gaan
de in Artikel 20 van dit akkoord vermelde beperkingen eventueel van toepassing zijn. Daartoe kunnen aanvragers ertoe worden verplicht strafrechtelijke veroordelingen te vermelden die ten tijde van de aanvraag overeenkomstig het recht van het land van veroordeling in hun strafblad zijn opgenomen. Wanneer het gastland dat van wezenlijk belang acht, kan het ten aanzien van de raadpleging van andere landen over eerdere strafrechtelijke gegevens de procedure toepassen van Artikel 27, lid 3, van Richtlijn 2004/38/EG;
onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, hun respectieve familieleden en andere personen die in het gastland verblijven, overeenkomstig de voorwaarden en behoudens de beperkingen als vermeld in Artikel
onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, hun familieleden, en andere personen die overeenkomstig de in deze titel vermelde voorwaarden op zijn grondgebied verblijven, niet ertoe te verplichten om als een voorwaarde voor legaal verblijf een nieuwe verblijfsstatus als bedoeld in lid 1 aan te vragen, hebben degenen die op grond van deze titel in aanmerking komen voor een verblijfsrecht, het recht om overeenkomstig de voorwaarden als vermeld in Richtlijn 2004/38/EG een verblijfsdocument te ontvangen, dat digitaal van vorm kan zijn en een verklaring bevat dat het in overeenstemming met dit akkoord is afgegeven. Artikel 19 Afgifte van verblijfsdocumenten tijdens de overgangsperiode 1. Tijdens de overgangsperiode kan een gastland toestaan dat aanvragen voor een verblijfsvergunning
een verblijfsdocument als bedoeld in Artikel 18, leden 1 en 4, met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit akkoord op basis van vrijwilligheid worden ingediend. 2. Besluiten om dergelijke aanvragen te aanvaarden
te weigeren worden in overeenstemming met Artikel 18, leden 1 en 4, genomen. Besluiten uit hoofde van Artikel 18, lid 1, blijven tot na het eind van de overgangsperiode zonder gevolg.
uitvoeringsperiode, die eindigt op 31 december 2020. Het vreemdelingenbesluit 2000 Artikel 8.111). De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis, indien hij: a.beschikt over een geldige identiteitskaart
een geldig paspoort;
b.het bewijs van zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen levert. 2). De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde
vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel en beschikt over een geldig paspoort, heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis. Artikel 8.12 1). De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij: a. in Nederland werknemer
zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft; b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt; c. is ingeschreven voor een opleiding die is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
in het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, om als hoofdbezigheid een studie
beroepsopleiding te volgen, beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt, en hij met een verklaring
een gelijkwaardig middel naar zijn keuze de zekerheid verschaft dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zichzelf en zijn familieleden; d. een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, is van een vreemdeling als bedoeld onder a
b; e. de echtgenoot, de geregistreerde partner
een kind is dat ten laste is van een vreemdeling als bedoeld onder c; f. familielid is als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, en hij in het land van herkomst ten laste is van
inwoont bij een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b
c; g. familielid is als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, en hij vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b
c, strikt behoeft;
h. partner is als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, en hij een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft met een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b
c, dan wel rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn, jonger dan 18 jaar, is van een zodanige partner. 2). Het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, eindigt niet om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer
zelfstandige is: a. in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte
ongeval;b. indien hij na werkzaamheden als werknemer
zelfstandige van ten minste een jaar onvrijwillig werkloos is en als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ingeschreven;c. gedurende een periode van ten minste zes maanden, nadat hij onvrijwillige werkloos is geworden door de afloop van een arbeidsovereenkomst korter dan een jaar, dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ingeschreven;d. indien hij een beroepsopleiding gaat volgen, die, behoudens ingeval van onvrijwillige werkloosheid, verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit. Vreemdelingencirculaire 2000 (B) B13/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.