RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.16588 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.H. Hekman), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Imami-Kalloemisier). Procesverloop In het besluit van 14 juni 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 oktober 2020 voor afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez afgewezen. In het besluit van 15 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2022 op zitting behandeld te Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.E. Chadwick. Verweerder is, met bericht vooraf, niet verschenen. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Kameroense nationaliteit. Hij heeft een minderjarige dochter, [naam4] ([naam3]) [naam5], geboren op [geboortedatum2], die de Nederlandse nationaliteit heeft en bij haar moeder in Nederland woont. 2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser bij het primaire besluit afgewezen omdat het arrest Chavez-Vilchez op eiser niet van toepassing is. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn dochter en dat zij zo afhankelijk van hem is dat zij het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten als verweerder hem geen EU-document geeft. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 3. Eiser heeft aangevoerd dat de moeder het contact tussen eiser en zijn dochter frustreert. Eiser stelt zijn uiterste best te doen het contact te herstellen en dat hij een rechterlijke procedure is gestart om de omgang te herstellen. Dat de omgang nog marginaal is, wordt volgens eiser enkel veroorzaakt door het gedrag en de opstelling van de moeder. Eiser stelt dat door de tegenwerking door de moeder ook de afhankelijkheid is blijven steken op een bepaald niveau. Eiser vindt dat het bestreden besluit niet kan standhouden, omdat het is genomen in strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. 4. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat een derdelander een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan het verblijfsrecht dat een Unieburger van rechtswege heeft op grond van artikel 20 van het VWEU, indien vanwege de afhankelijkheid van de Unieburger de weigering van verblijf aan die derdelander tot gevolg zou hebben dat de Unieburger feitelijk gedwongen wordt het grondgebied van de EU te verlaten, waardoor aan de Unieburger het feitelijk genot van zijn Unierechtelijk verblijfsrecht wordt ontnomen. In het arrest heeft het HvJEU onder meer overwogen (punt 70) dat moet worden bepaald welke ouder de daadwerkelijke zorg over het kind heeft en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land. In het kader van die beoordeling dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarbij dat artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van dat Handvest erkende hogere belang van het kind. 5. Verweerder heeft hieraan in zijn beleid nadere invulling gegeven. Paragraaf B10/2.2 van de Vc vermeldt dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, van de Vw als – voor zover relevant – aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: […]; […]; de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd. Vervolgens is met betrekking tot onderdeel c het volgende bepaald. De IND verstaat onder zorgtaken ook opvoedingstaken. De IND merkt zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de vreemdeling niet is aan te rekenen. Dit wordt de vreemdeling niet aangerekend als hij/zij kan aantonen dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert. Met betrekking tot onderdeel d is het volgende bepaald. Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd, betrekt de IND, in het hogere belang van het kind, alle relevante omstandigheden, meer in het bijzonder: de leeftijd van het kind; zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling; en de mate van zijn affectieve relatie zowel met de Nederlandse ouder als met de vreemdeling, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van deze laatste zou worden gescheiden. De rechtbank oordeelt als volgt. Daadwerkelijke zorgtaken en frustratie daarvan (voorwaarde onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.