RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/1115 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. C. Bakirhan), en het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder (gemachtigde: mr. N.T. Bui). Procesverloop In het besluit van 8 juli 2021 (primair besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering die verzoeker ontving op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 15 mei 2021 ingetrokken. In het besluit van 8 november 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 maart 2022 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Spoedeisend belang Alleen wanneer aan een verzoek om een voorlopige voorziening een spoedeisend belang ten grondslag ligt, kan een inhoudelijke beoordeling daarvan plaatsvinden. Een spoedeisend belang kan worden aangenomen als sprake is van een acute financiële noodsituatie. De spoedeisendheid moet in dit geval beoordeeld worden vanaf de intrekking van het recht op bijstand op 15 mei 2021, omdat verzoeker vanaf die datum geen inkomen meer had uit een bijstandsuitkering. De daarvoor liggende periode blijft in het kader van deze voorlopige voorziening buiten beschouwing. Dat betekent dat de herziening en terugvordering over de periode vóór 15 mei 2021 geen onderdeel uitmaakt van dit geding. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij sinds 15 mei 2021 in het geheel geen inkomen meer heeft en daardoor in een financiële noodsituatie verkeert. Hij doorloopt een traject voor schuldsanering en staat onder bewindvoering. Volgens verzoeker is hij niet in staat om te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan en vaste lasten. Huisuitzetting dreigt, omdat hij de huur niet meer kan betalen. Ook vreest hij de afsluiting van gas, water en elektriciteit, daar hij de maandelijkse termijnen niet meer kan betalen. De voorzieningenrechter ziet hierin reden om aan te nemen dat verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen. Grondslag intrekking per 15 mei 2021 Vanaf 10 februari 2016 ontving verzoeker een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Uit het rapport van de medewerker van het Team Controle en Handhaving van 22 juni 2021 volgt dat uit Suwi is gebleken dat verzoeker op 8 juli 2016 een bedrag van € 1337,- heeft ontvangen van een schadeverzekeraar. Verder blijkt uit dat rapport dat verweerder met verzoeker heeft gesproken op 29 april 2021 en dat verzoeker toen onder meer het volgende heeft verklaard: “In 2016 kreeg ik 1337 euro van een schadeverzekering betaald? Oh ja. Ze moeten mij nog meer dan 5000 betalen, maar ze betalen niet. (…). Waar dat bedrag is gestort? Ik heb ook een ABN Amro bankrekening, een oude rekening, heel veel geld van zakelijke tijd. Het geld is daar binnen maar ik kan het niet gebruiken. Die rekening is al lang geblokkeerd. Ik had nog betalingen van 10.000 euro, 5.000 euro, maar die gingen allemaal naar die geblokkeerde rekening. De ABN rekening staat op mijn naam (…).” Volgend op dit gesprek heeft verweerder verzoeker op 30 april 2021 per brief gevraagd om nadere inlichtingen. Hierbij ging het onder meer – in dit geding van belang – om de bankafschriften vanaf 10 februari 2016 van de door verzoeker genoemde ABN Amro-rekening. Op 4 mei 2021 is verzoeker opnieuw verzocht om de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Nadat een reactie van verzoeker uitbleef, heeft verweerder op 26 mei 2021 het recht op bijstand opgeschort en verzoeker een hersteltermijn geboden tot 2 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.