vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Zaaknummer / rolnummer: C/09/595744 / HA ZA 20-659 Vonnis van 23 maart 2022 in de zaak van [eiser] te [plaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. S.W. Autar-Matawlie te Den Haag, tegen 1 [gedaagde 1] te [plaats] , 2. [gedaagde 2] te [plaats] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat mr. S. van Buuren te ’s-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 29 juni 2020, met producties; de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties; de conclusie van antwoord in reconventie, met producties; het tussenvonnis van 23 juni 2021, waarin de rechtbank heeft bepaald dat een fysieke behandeling van de zaak zal plaatsvinden; de rolbeslissing van 7 juli 2021, waarin verhinderdata zijn opgevraagd; het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 16 december 2021 en de daarin genoemde stukken. 1.2. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 december 2021 is – met hun instemming – buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het proces-verbaal te reageren. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen verwezen naar de rolzitting van 26 januari 2022 voor uitlaten partijen, om te bezien of partijen tot een minnelijke oplossing van hun geschil konden komen. 1.4. Vervolgens heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen: de antwoordakte, met producties, namens [eiser] ; de akte uitlating, tevens houdende aanvullende productie, namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ; de akte uitlaten, met producties, namens [eiser] . 1.5. Omdat partijen niet tot een oplossing zijn gekomen is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn kinderen van [naam 1] (hierna: moeder). Tot 1982 was zij gehuwd met [naam 2] (hierna: erflater). Uit dat huwelijk zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geboren. Erflater heeft [eiser] erkend. De woning en het winkelpand 2.2. Op 22 juni 1993 heeft erflater als koper een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning) en het onder de woning gelegen winkelpand aan de [adres 2] te [plaats] (hierna: het winkelpand). De woning en het winkelpand worden hierna samen ook genoemd: het pand. De koopsom voor het pand bedroeg ƒ 230.000. In de koopovereenkomst is in artikel 5.3 opgenomen dat de koper voornemens is het pand te gebruiken voor verhuur van het winkelpand en voor eigen bewoning van de woning. 2.3. Op 6 september 1993 is het pand aan erflater geleverd. Op diezelfde dag is een recht van hypotheek op het pand gevestigd. De hypothecaire geldlening bedroeg ƒ 150.000, waarbij erflater, moeder en [gedaagde 1] schuldenaar waren. Naast het pand was een woning van vader aan de [adres 3] te [plaats] onderpand voor deze hypothecaire geldlening. 2.4. In een verklaring van erflater, gedateerd 27 mei 1994, staat: “VERKLAART VOORAF ALS VOLGT: - dat hij gekocht en geleverd heeft gekregen de onroerende zaken, plaatselijk bekend: [adres 1] en [adres 2] te ’ [plaats] ; - dat het ten tijde van de levering voor zijn zoon: [gedaagde 1] , (…), niet mogelijk was reeds de mede-eigendom van voormelde panden te verkrijgen; - dat thans dit wel mogelijk is; - dat voornoemde zoon aan ondergetekende om de hiervoor gemelde redenen een bedrag van tachtigduizend gulden (ƒ 80.000,--) heeft betaald; - dat de ondergetekende terwille van voornoemde zoon één en ander vast wenst te leggen; REDENEN WAAROM ONDERGETEKENDE VERVOLGENS VERKLAART: 1. dat hij van meergenoemde zoon: [gedaagde 1] (…), een bedrag van tachtigduizend gulden (ƒ 80.000,--) heeft ontvangen, waarvoor hij thans kwijting en décharge verleent; 2. dat voormeld bedrag dient als koopsom voor de onverdeelde helft van de onroerende zaken, plaatselijk bekend: [adres 1] en [adres 2] te ’ [plaats] ; 3. dat de akte van levering van de onverdeelde helft van voormelde onroerende zaken aan de onder 1. genoemde zoon zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 31 december 1994 zal worden verleden voor P.J. Busch, notaris ter standplaats ’s-Gravenhage; 4. dat de kosten, welke samenhangen met de onder 3 vermelde rechtshandelingen voor rekening komen van de onder 1. genoemde zoon.” 2.5. [gedaagde 1] woont sinds 8 augustus 1996 in de woning. 2.6. In een handgeschreven brief van 2 augustus 2001 schrijft erflater aan [gedaagde 1] en moeder onder meer: “Verduidelijking van ƒ 80000,00 Dit bedrag is door de heer [gedaagde 1] verstrekt voor aankoop van [adres 1] / [adres 2] Derhalve maak ik geen aanspraak voor enige genoegdoening hiervan.” 2.7. In een ontwerp akte van levering van 5 september 2001, opgesteld door Heemskerk & Feijen Notarissen, is opgenomen dat het pand door erflater wordt geleverd aan moeder en [gedaagde 1] , ieder voor de onverdeelde helft. Verder is in de ontwerp akte opgenomen dat de hypothecaire geldlening, in hoofdsom groot ƒ 150.000, op dat moment nog ƒ 92.551 bedraagt, dat de koopprijs ƒ 630.000 bedraagt en door de koper is voldaan deels door schuldoverneming (ƒ 92.551) en deels door storting op een rekening van de notaris. Moeder woonde op dat moment ook in de woning. 2.8. In een handgeschreven brief van 19 oktober 2001 schrijft erflater aan [gedaagde 1] en moeder onder meer: “Doordat de procedurele afwikkeling van het bovengenoemde pand naar mijn oordeel te lang duurt en er ook geen zicht is op een binnen afzienbare tijd te verwachten besluit van de Belastingdienst, heb ik thans besloten in tegenstelling van punt 4 van mijn brief en Uw akkoordverklaring hiervan middels Uw brief van 31 juli 2001, alle kosten (100%) voor mijn rekening te nemen. Met andere woorden : Het pand [adres 1] / [adres 2] zal v.o.n. worden gesteld. Ook bied ik U (beiden) aan de restantschuld van de [het pand] af te lossen in een vorm van een lening met wettelijke rentepercentage. De lening dient echter maandelijks te worden afgelost met ƒ 1700,- vermeerderd met de wettelijke rente. Indien U met het bovenstaande instemt, verzoek ik U notaris Heemskerk & Fijen zo spoedig mogelijk in kennis te stellen zodat zij kunnen inspelen op de nieuwe ontstane situatie.” 2.9. Erflater heeft aan zijn voornemen tot levering van het pand aan [gedaagde 1] en moeder geen uitvoering gegeven. Overlijden erflater 2.10. Erflater is op 4 december 2004 overleden. 2.11. Erflater heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt, zodat zijn kinderen (partijen), ieder voor 1/3e deel, erfgenaam zijn. 2.12. [eiser] heeft op 26 januari 2005 een boedelvolmacht verstrekt aan [gedaagde 1] om hem te vertegenwoordigen in de nalatenschap van erflater. Op 7 januari 2020 heeft [eiser] de boedelvolmacht ingetrokken. 2.13. [gedaagde 1] heeft op 25 november 2005 aangifte erfbelasting gedaan. Daarin staat het pand vermeld met een waarde van € 300.000, vrij van hypotheek. Verder vermeldt de aangifte dat de totale verkrijging door de erfgenamen € 325.137,03 bedraagt en dat [eiser] voor 1/3e gedeelte erfgenaam is. Als toelichting heeft [gedaagde 1] daarbij nog geschreven: “Naar aanleiding van misstanden uit het verleden zouden wij (erfgenamen) graag een afspraak willen maken met een medewerker van de belastingdienst voor advies inzake successierecht.” 2.14. In de daarop volgende aanslag erfbelasting van 7 maart 2006 is de verkrijging per erfgenaam vastgesteld op € 139.411 en de te betalen erfbelasting op € 16.032 per erfgenaam. 2.15. Bij brief van 25 januari 2007 schrijft de belastingdienst aan [gedaagde 1] onder meer: “Bezwaar is gemaakt tegen de aangegeven aandeel in de onroerende zaak aan de [adres 1] te [plaats] . Nader is voldoende aannemelijk gemaakt, dat erflater 1/1 deel juridisch eigenaar was van de onroerende zaak en voor 1/3 deel economisch. De waarde van de onroerende zaak is vastgesteld op € 403.500, 1/3 aandeel is € 134.500. Saldo nalatenschap vastgesteld op € 149.233.” 2.16. Bij beschikking van 6 maart 2007 heeft de belastingdienst het bedrag van de aanslag lager vastgesteld en een vermindering verleend van € 12.397 per erfgenaam (in totaal € 37.191). moeder 2.17. Moeder heeft tot najaar 2011 in de woning gewoond. Daarna woonde zij in een appartement van [gedaagde 1] in Leidschenveen en vanaf 2015 in een verzorgingshuis. 2.18. Op 6 augustus 2019 is moeder overleden. 2.19. Moeder heeft bij testament van 22 februari 2013 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot erfgenamen benoemd, ieder voor de helft. Verder heeft zij [gedaagde 1] tot executeur benoemd en indien hij de functie niet kan aanvaarden, [gedaagde 2] . 2.20. [eiser] heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie. De legitieme portie bedraagt 1/6e deel van de nalatenschap. 2.21. Bij brief van 5 december 2019 heeft de belastingdienst [gedaagde 1] bericht dat de erfgenamen van moeder geen aangifte erfbelasting hoeven te doen, omdat de erfenis lager is dan de vrijstelling. 2.22. In 2019 bedroeg de vrijstelling erfbelasting € 20.616 per kind. 3Het geschil 3.1. Tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds is een geschil ontstaan over de nalatenschappen van erflater en moeder. Daarbij gaat het met name om de woning waarin [gedaagde 1] al jaren woont. Erflater heeft het pand ooit aangekocht, maar volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was het steeds de bedoeling dat [gedaagde 1] eigenaar zou worden. Zij stellen dat [gedaagde 1] en moeder, die daar jarenlang samen met hem woonde, alle lasten hebben voldaan en de hypotheekschuld hebben afgelost en zij wijzen op verschillende stukken waaruit blijkt dat erflater het pand aan moeder en [gedaagde 1] of aan [gedaagde 1] zou leveren. Daar is het niet van gekomen, ook omdat het ingewikkeld was om dat fiscaal goed te regelen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden dat het pand eigenlijk niet tot de nalatenschap behoort omdat het – misschien niet formeel, maar in de praktijk wel – allang van [gedaagde 1] was. Zij hebben onderling afgesproken dat het op naam van [gedaagde 1] moet komen en zij willen dat [eiser] daaraan meewerkt. Daar komt bij dat zij menen dat [eiser] geen aanspraak kan maken op een deel van de nalatenschap van erflater. Hij heeft zijn achternaam veranderd en erflater niet als vader gezien en hij heeft duidelijk gemaakt dat hij niets wilde hebben uit de erfenis. Nadat moeder was overleden en hij geen erfgenaam bleek te zijn, is de verstandhouding verstoord geraakt. [eiser] maakt aanspraak op zijn deel uit de nalatenschap van erflater en op zijn legitieme portie van de nalatenschap van moeder. Dat moet volgens hem gewoon volgens de regels berekend worden, en daarbij hoort ook de huidige waarde van het pand dat tot de nalatenschap van erflater behoort. Bij de berekening van de legitieme portie van moeder wijst hij op bedragen die aan [gedaagde 1] zijn geschonken en die bij de berekening moeten worden betrokken. Tegen die achtergrond zijn de volgende vorderingen ingesteld. in conventie 3.2. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: in de nalatenschap van erflater I. een onafhankelijke deskundige te benoemen die de waarde van de woning en het winkelpand vaststelt; II. [gedaagde 1] te veroordelen om binnen veertien dagen na de vonnisdatum inlichtingen te verschaffen en rekening en verantwoording af te leggen in de nalatenschap van erflater aan [eiser] onder overlegging van verificatoire bescheiden over het door [gedaagde 1] gevoerde beheer over de nalatenschap van erflater in de periode van 26 januari 2005 tot en met 7 januari 2020, op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag na deze veertien dagen dat [gedaagde 1] hier niet volledig aan voldoet; III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot overlegging van de boedelbeschrijving met alle daarop betrekking hebbende verificatoire bescheiden (zie randnummer 26 van de dagvaarding en randnummer 51 van de conclusie van antwoord in reconventie) aan [eiser] binnen veertien dagen na de vonnisdatum, op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag na deze veertien dagen dat zij hier niet volledig aan voldoen, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk acht; IV. de omvang van de nalatenschap van erflater vast te stellen, dan wel na taxatie van de woning en het winkelpand en het aan [eiser] toekomende erfdeel (geldvordering) uit hoofde van deze nalatenschap vast te stellen; V. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om het aan [eiser] toekomende erfdeel (geldvordering) in de nalatenschap van erflater te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf 4 december 2004, althans vanaf de dag van betekening van de dagvaarding, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot de dag van algehele voldoening; in de nalatenschap van moeder VI. [gedaagde 1] , dan wel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tezamen, te veroordelen tot overlegging van de boedelbeschrijving met alle daarop betrekking hebbende verificatoire bescheiden (zie randnummer 34 van de dagvaarding en randnummer 65 van de conclusie van antwoord in reconventie) aan [eiser] binnen veertien dagen na de vonnisdatum, op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag na deze veertien dagen dat zij hier niet volledig aan voldoen, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk acht; VII. de omvang van de nalatenschap van moeder vast te stellen en de aan [eiser] toekomende legitieme portie (geldvordering) uit hoofde van deze nalatenschap in rechte vast te stellen; VIII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om de aan [eiser] toekomende legitieme vordering in de nalatenschap van moeder te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW en artikel 4:84 BW vanaf 6 februari 2020, althans vanaf de dag van betekening van de dagvaarding, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot de dag van algehele voldoening; proceskostenveroordeling primair IX. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen een vergoeding van de redelijke en evenredig werkelijke (advocaat)kosten en nakosten, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, alles te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis; subsidiair X. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten en nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis. 3.3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen na wijziging van eis, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair om [eiser] te veroordelen alle medewerking te verlenen tot het leveren van de woning en het winkelpand aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] middels een door hen te bepalen notaris, waaronder het ondertekenen van de akte van levering, zulks binnen veertien dagen nadat het vonnis is gewezen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500 per dag, een halve dag geldende als een hele dag; aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , na verstrijking van de termijn van veertien dagen na het gewezen vonnis, toestemming te verlenen die de toestemming van [eiser] vervangt om de woning en het winkelpand aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te leveren, waaronder de ondertekening van de akte van levering aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ; om aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toestemming te verlenen die de toestemming van [eiser] vervangt tot het verrichten van overige handelingen die voor de levering van de woning en het winkelpand aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] noodzakelijk zijn; voorts vorderen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de door hen, in het bijzonder door [gedaagde 1] , gemaakte kosten en geleden en nog te lijden schade die zien op de gevolgen van de rechtsverwerking en/of de uitgestelde leveringsverplichting als besproken in het subsidiaire geval in conventie, welke schade onder andere bestaat uit juridische kosten en huurderving, zulks nader op te maken bij staat; subsidiair aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vervangende toestemming te verlenen op een wijze zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht; [eiser] te veroordelen in alle kosten en schade voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in verband met het mislopen van enige belastingvrijstelling ter zake van de juridische levering van de woning en het winkelpand, doordat [eiser] in weerwil van zijn eerdere uitlatingen en gedragingen niet meer meewerkt aan de laatste afwikkeling, en thans [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoodzaakt zijn voor de rechter de leveringsverplichting bij [eiser] af te dwingen. De hierdoor veroorzaakte belastingschade is geheel voor rekening van [eiser] , zulks nader op te maken bij staat; [eiser] te veroordelen in alle door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en in het bijzonder [gedaagde 1] gemaakte kosten en geleden en nog te lijden schade met betrekking tot de nalatenschap inclusief de woning en het winkelpand en vergoeding voor waardevermeerdering van de woning en het winkelpand te ontvangen, zulks inclusief belastingen, inclusief inkomstenbelasting schade en derving van de belastingdienst, verzekeringen en alle overige kosten om de woning en het winkelpand bewoonbaar te houden, ingeval het verweer in conventie dat ziet op rechtsverwerking en leveringsverplichting door de rechtbank wordt gepasseerd, zulks nader op te maken bij staat; [eiser] te veroordelen de waarde op het moment van afgifte van de goederen die [gedaagde 1] aan [eiser] in beginsel heeft gegeven aan [gedaagde 1] te vergoeden, alsmede verleende dienstbetoon, zulks nader op te maken bij staat; primair en subsidiair kosten van administratie en beheer inzake beheer en afwikkeling van de boedel van erflater; [eiser] te veroordelen in de schade die is ontstaan als gevolg van het jarenlang onjuist indienen van aangiften inkomstenbelasting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] respectievelijk [eiser] , zulks nader op te maken bij staat; [gedaagde 1] en [gedaagde 2] doen een beroep op verrekening van hun vordering in reconventie met de conventionele vordering van [eiser] , voor zover de vordering van [eiser] ondanks het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt toegewezen en de woning en het winkelpand in de nalatenschap vallen; opheffing van het door [eiser] , althans mr. Autar-Matawlie, opgelegde verbod op het aangaan van rechtshandelingen aangaande de woning en het winkelpand, binnen veertien dagen na het gewezen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500 per dag, een halve dag geldende als een hele dag; [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geleden en nog te lijden immateriële schade – in alle redelijkheid te bepalen door de rechtbank – gezien de totale en langdurige sabotage die door en namens [eiser] is gepleegd rondom een integer procesverloop, terwijl [eiser] en diens advocaat mr. Autar-Matawlie gehouden waren om de belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] juist in het oog te blijven houden; afgifte van het telefoongesprek tussen [gedaagde 2] en de gemachtigde van [eiser] , de heer [naam 3] , vermoedelijk op 2 september 2019, na overlijden van moeder op 6 augustus 2019. [eiser] beschikt kennelijk over een opname van dat gesprek. [gedaagde 2] zal – uiteraard onder ede – een verklaring afleggen over de inhoud van dat gesprek, zodat de inhoud kan worden geverifieerd, uiterlijk binnen veertien dagen na het gewezen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom; [eiser] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf december 2019, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; [eiser] te veroordelen in de integrale kosten van dit geding, inclusief de kosten voor de vorige advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede in de nakosten van € 131 indien [eiser] zonder betekening aan zijn veroordeling jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voldoet en € 199 indien het vonnis eerst aan [eiser] betekend dient te worden. 3.6. [eiser] voert verweer. 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Deze zaak gaat om de afwikkeling van de nalatenschap van erflater en het vaststellen van de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschap van moeder. 4.2. De rechtbank zal, gelet op de samenhang, de conventie en de reconventie gezamenlijk behandelen. De nalatenschap van erflater Rechtsverwerking 4.3. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is dat [eiser] geen aanspraak (meer) kan maken op zijn rechten uit de nalatenschap. Zij voeren daartoe aan dat [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niets uit de nalatenschap van erflater wil hebben. [eiser] heeft erflater nooit als zijn vader erkend; hij nam de naam van zijn moeder aan en gaf daarmee te kennen dat hij niets met erflater te maken wilde hebben. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoefden er geen rekening mee te houden dat er nog met [eiser] afgerekend zou hoeven worden, zeker niet met betrekking tot het pand. Dat [eiser] niets uit de nalatenschap van erflater wenste te ontvangen volgt volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verder uit het volgende: Nadat [gedaagde 1] de aanslag erfbelasting ter informatie aan [eiser] heeft toegezonden, heeft [eiser] hem laten weten dat hij niets uit de nalatenschap van erflater wenste te ontvangen. [eiser] heeft geen erfbelasting betaald en heeft ook geen andere kosten of schulden van de nalatenschap betaald. In 2007 zijn de aanslagen WOZ-belasting met betrekking tot de woning op naam van de “erven [naam 2]” op het woonadres van [eiser] bezorgd. Deze aanslagen heeft hij zonder verdere vragen aan [gedaagde 1] overhandigd. [gedaagde 1] heeft [eiser] sinds 2005 diverse goederen verstrekt, waaronder een VW Polo. Ook heeft hij [eiser] diensten verleend, die door [eiser] zijn aanvaard. Deze goederen en diensten zou [eiser] niet aannemen als hij jarenlang in afwachting was van de afhandeling van de nalatenschap. In 2017/2018 heeft de dochter van [eiser] haar inboedel gedurende ongeveer negen maanden opgeslagen op de parterre van het winkelpand. [eiser] heeft gevraagd welke huurvergoeding hij [gedaagde 1] schuldig was en gedroeg zich niet als iemand die van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog iets te vorderen had. [eiser] respecteerde de woning en het winkelpand als zijnde eigendom van [gedaagde 1] . 4.4. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt hun positie onredelijk benadeeld doordat [eiser] alsnog aanspraak maakt op een deel van de nalatenschap. Door het zeer grote tijdsverloop beschikken zij niet meer over relevante stukken om zich goed te kunnen verweren. Bovendien zouden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij toewijzing van de vordering van [eiser] jarenlang de aangifte IB foutief hebben ingediend, met alle gevolgen van dien. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen gelegenheid gehad om met [eiser] afspraken te maken over betaling van de aan de woning en het winkelpand verbonden kosten. 4.5. [eiser] betwist dat zich omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] er op mochten vertrouwen dat hij zijn recht niet geldend zou maken. [eiser] betwist dat hij tegen [gedaagde 1] heeft gezegd dat hij niets uit de nalatenschap wilde hebben en hij wijst er daarbij op dat hij de nalatenschap (zuiver) heeft aanvaard. Ook heeft hij een boedelvolmacht aan [gedaagde 1] verstrekt om de nalatenschap af te wikkelen en de schulden van de nalatenschap te voldoen. Daarom heeft [eiser] de WOZ-aanslagen in 2007 aan hem overhandigd. [eiser] heeft ten overstaan van de familie verklaard mee te werken aan een transparante en zorgvuldige afwikkeling van de nalatenschap. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] erkennen dit in hun brief van 24 januari 2020. Ook in de aangifte erfbelasting, die door [gedaagde 1] is ingediend, wordt [eiser] als erfgenaam aangemerkt. [eiser] is nooit teruggekomen op zijn beslissing de erfenis te aanvaarden. De overige door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestelde omstandigheden doen volgens [eiser] niet ter zake. 4.6. De rechtbank stelt voorop dat enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende is om te kunnen aannemen dat [eiser] zijn recht op zijn erfdeel heeft verwerkt. Dan moeten er ook bijzondere omstandigheden zijn waardoor hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiser] zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval [eiser] zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. Daarbij weegt zwaar dat [eiser] juist geen afstand heeft gedaan van de nalatenschap maar die zuiver heeft aanvaard. Dan zijn een enkele opmerking dat hij niets wil hebben en de verdere door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangevoerde omstandigheden niet genoeg om aan te nemen dat [eiser] geen aanspraak zou maken op zijn rechten uit de nalatenschap. Ook is niet gebleken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in hun positie onredelijk worden benadeeld doordat [eiser] zijn aanspraak alsnog geldend maakt. [gedaagde 1] had van 26 januari 2005 tot 7 januari 2020 een boedelvolmacht van [eiser] om de nalatenschap van erflater af te wikkelen. Indien [gedaagde 1] het idee had dat [eiser] zijn erfdeel niet meer zou opeisen, had hij dat bij [eiser] moeten en kunnen verifiëren. Bovendien hebben ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden de nalatenschap van erflater niet verdeeld. 4.7. Van een geslaagd beroep op rechtsverwerking is, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Misbruik van recht 4.8. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [eiser] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun stelling dat sprake is van misbruik van recht, omdat [eiser] doelbewust het overlijden van moeder heeft afgewacht en daarna deze procedure is gestart, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij. Het pand 4.9. Subsidiair stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het standpunt dat de woning en het winkelpand geen onderdeel uitmaken van de nalatenschap van erflater. Zij onderbouwen dit als volgt. De erfgenamen van erflater hebben een leveringsverplichting overgenomen jegens [gedaagde 1] en moeder. Erflater heeft de woning en het winkelpand in 1993 gekocht en heeft dit daarna doorverkocht respectievelijk in economische eigendom overgedragen aan [gedaagde 1] en moeder. Dit blijkt volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit het volgende. [gedaagde 1] en moeder waren schuldenaar ten aanzien van de hypotheek en betaalden de hypotheeklasten. Pas later bleek dat zij geen verkrijger van de juridische eigendom waren. De hypotheek is afgegeven op basis van de drie jaarrekeningen van [gedaagde 1] en moeder, die samen een onderneming hadden, en niet op basis van inkomensgegevens van erflater. Erflater was in 1993 grotendeels arbeidsongeschikt. Erflater moest ook de hypotheeklasten en andere kosten van zijn woning aan de [adres 3] voldoen. Erflater kon gezien zijn beperkte inkomen de lasten van twee panden niet betalen. [gedaagde 1] betaalde ƒ 80.000 als koopsom. Op 27 mei 1994 heeft erflater bij de notaris een verklaring getekend waarin hij verklaart dat het de bedoeling is dat hij de onverdeelde helft van de onroerende zaken aan [gedaagde 1] zal leveren, dat het ten tijde van de levering voor [gedaagde 1] niet mogelijk was om de mede-eigendom te verkrijgen en dat [gedaagde 1] een bedrag van ƒ 80.000 als koopsom heeft betaald. Dat het de bedoeling was dat erflater de andere onverdeelde helft aan moeder zou leveren volgt uit het feit dat erflater een algemene volmacht had van moeder. De notaris heeft op verzoek van erflater een ontwerp akte van levering opgesteld (gedateerd 5 september 2001), waarin de juridische situatie wordt hersteld en de woning en het winkelpand worden geleverd aan moeder en [gedaagde 1] . Herstel van de juridische titel via voormelde leveringsakte gaf aanleiding tot fiscale heffingen (schenkingsrecht en overdrachtsbelasting). Daarom wilden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vooraf afstemming met de belastingdienst, met een beroep op de hardheidsclausule. In een brief van 19 oktober 2001 schrijft erflater aan [gedaagde 1] en moeder dat hij aanbiedt om alle kosten en belastingen voor zijn rekening te nemen waarbij zij de restschuld aflossen in de vorm van een lening. Eind 2001 kreeg erflater ernstige gezondheidsproblemen, daarom is hij zijn leveringsverplichting niet nagekomen. Deze verplichting is een schuld van de nalatenschap van erflater. [eiser] benadrukt daartegenover dat erflater ten tijde van zijn overlijden eigenaar was van het pand en dat kennelijke plannen om het over te dragen aan [gedaagde 1] en/of moeder niet zijn uitgevoerd. Er is volgens hem geen verplichting om het pand alsnog aan [gedaagde 1] te leveren en er is geen bewijs van de gestelde betalingen door [gedaagde 1] . 4.10. De rechtbank stelt voorop dat uit de gegevens van het kadaster blijkt dat erflater ten tijde van zijn overlijden eigenaar was van het pand. Het pand behoort daarmee tot de nalatenschap van erflater. 4.11. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gaat het dan echter alleen om de juridische eigendom; de economische eigendom van het pand heeft [gedaagde 1] (voorheen samen met moeder). Zij voeren daarbij aan dat na het overlijden van erflater er overleg is geweest met de belastingdienst over de waarde van het pand in het kader van de aangifte erfbelasting. Zij hebben toen uitgelegd dat erflater het pand niet had betaald, dat hij er niet woonde en dat [gedaagde 1] (en moeder) alle lasten droegen. De belastingdienst is toen akkoord gegaan met een benadering waarbij is uitgegaan van 1/3e economisch eigendom van erflater. Uit deze afspraak met de belastingdienst, waarbij blijkbaar de term ‘economisch eigendom’ is gebruikt, kan echter naar het oordeel van de rechtbank op zich niet worden afgeleid dat er tussen erflater en [gedaagde 1] (en moeder) afspraken zijn gemaakt die erop neerkomen dat erflater alleen op papier, formeel juridisch eigenaar was, en [gedaagde 1] en moeder alle verplichtingen en risico’s ten aanzien van het pand droegen en gerechtigd waren tot de gehele waarde daarvan. Dat erflater met [gedaagde 1] (en moeder) dergelijke afspraken maakte is niet gesteld en kan ook niet worden afgeleid uit het feitelijk handelen van erflater, [gedaagde 1] en moeder. Dat [gedaagde 1] en moeder het pand vanaf 1996 gebruikten en de lasten droegen wijst naar het oordeel van de rechtbank niet op de wil van erflater om [gedaagde 1] en moeder een, als economisch eigendom te kwalificeren, samenstel van rechten en verplichtingen te doen toekomen ten aanzien van het pand, ook niet voor twee derde gedeelte. Ter zitting hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog toegelicht dat het één derde deel van de economische eigendom dat uiteindelijk is gehanteerd door de belastingdienst, voortkwam uit de aangiften inkomstenbelasting van de betrokkenen waarin ieder sinds 1994 een derde eigendom van het pand heeft opgegeven. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben, hoewel zij daartoe wel de gelegenheid hadden, deze stelling na betwisting door [eiser] niet nader onderbouwd. Leveringsverplichting? 4.12. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat erflater het pand aan [gedaagde 1] (en moeder) had moeten leveren en dat die leveringsverplichting nu dus op zijn erfgenamen rust. Zij hebben dan het pand geërfd en de verplichting om dat – nu moeder is overleden – aan [gedaagde 1] (en voorzover het aandeel van moeder betreft: aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als haar erfgenamen) te leveren. Uit de stukken die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben overgelegd blijkt echter niet dat erflater het pand aan [gedaagde 1] en moeder moest leveren. Er zijn wel plannen in die richting geweest, maar die zijn verschillend van aard en niet uitgevoerd. Zo staat in de verklaring van erflater van 27 mei 1994 dat de onverdeelde helft van het pand zo spoedig mogelijk en uiterlijk 31 december 1994 zal worden geleverd aan [gedaagde 1] . Niet duidelijk is geworden waarom dit vervolgens niet is gebeurd. In de ontwerp akte van levering van 5 september 2001 is opgenomen dat het pand wordt geleverd aan moeder en [gedaagde 1] , ieder voor de onverdeelde helft, op grond van een koopovereenkomst met een koopsom van ƒ 630.000. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was dat toen de waarde van het pand maar was er geen sprake van een koopovereenkomst tussen erflater en [gedaagde 1] en moeder voor dat bedrag. Voor wat dan wel de grondslag was van de beoogde levering biedt het stuk, en de kort daarna opgestelde brief van erflater waarin staat dat hij snel wil leveren, geen aanknopingspunten en ook niet voor de conclusie dat die verplichting ook later nog – en los van die koopovereenkomst – bestond. Als het al de bedoeling van erflater was om het pand aan [gedaagde 1] en moeder over te dragen, is niet duidelijk geworden tegen welke prijs en/of onder welke voorwaarden. Er zijn ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde 1] en moeder zich bij erflater op een leveringsverplichting beroepen. 4.13. De rechtbank komt tot de conclusie dat de gestelde leveringsverplichting niet voldoende is onderbouwd. Er zijn zeker aanwijzingen in het dossier dat het de bedoeling was van erflater om het pand aan [gedaagde 1] (en moeder) over te dragen, maar dat is op zich niet genoeg om een verplichting daartoe aan te nemen. Kosten en schade (vorderingen d, f, g en h van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) 4.14. Het voorgaande brengt ook mee dat [eiser] niet aansprakelijk is voor kosten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen te hebben gemaakt en/of de schade die volgens hen is geleden als gevolg van de rechtsverwerking en/of de niet nagekomen leveringsverplichting. Er is immers geen sprake van rechtsverwerking of van een leveringsverplichting. 4.15. Evenmin is er een grondslag voor vergoeding door [eiser] van door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gederfde huurinkomsten. Omdat het pand tot de nalatenschap behoort, kan [gedaagde 1] daar niet alleen over beschikken, ook niet samen met [gedaagde 2] . Dat kunnen alleen de drie erfgenamen samen. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in dit kader voorstellen hebben gedaan waaraan [eiser] niet heeft meegewerkt – terwijl hij dat redelijkerwijs wel had moeten doen – is niet gesteld of gebleken. 4.16. Ten aanzien van eventuele onjuiste indiening van de aangiften inkomstenbelasting is de rechtbank van oordeel dat dit [eiser] niet kan worden aangerekend. Het lag op de weg van [gedaagde 1] , als boedelgevolmachtigde, om de nalatenschap van erflater voortvarend af te wikkelen. Als daarbij fouten zijn gemaakt is [eiser] daar in beginsel niet voor aansprakelijk. 4.17. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat zij op andere wijze schade hebben geleden waarvoor [eiser] aansprakelijk is. 4.18. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen nog vergoeding van de waarde van goederen en diensten die [gedaagde 1] aan [eiser] heeft verstrekt. Het gaat er dan naar de rechtbank begrijpt om, dat een en ander is gegeven en gedaan in de veronderstelling dat [eiser] niets uit de nalatenschap kreeg en [gedaagde 1] het pand in eigendom zou verkrijgen. Daarmee is echter niet duidelijk geworden op welke grond zij menen dat [eiser] hen de waarde van die goederen of diensten zou moeten vergoeden, zodat deze post moet worden afgewezen. Peildatum 4.19. Omdat het pand tot de nalatenschap behoort en moet worden verdeeld, komt de vraag aan de orde van welke waarde van het pand daarbij moet worden uitgegaan. [eiser] is van mening dat het pand voor de huidige waarde in de verdeling moet worden betrokken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betogen dat moet worden uitgegaan van de waarde per overlijdensdatum van erflater, dan wel (uiterst subsidiair) dat de huidige waarde moet worden geschat en dat de kosten die door [gedaagde 1] zijn gemaakt en de giften en diensten die [eiser] ontving moeten worden verrekend met zijn aandeel. 4.20. De rechtbank stelt voorop dat bij bepaling van de waarde van tot de nalatenschap behorende goederen in beginsel als peildatum de datum van verdeling dient te worden aangehouden, dat is dus de huidige waarde van het pand. De deelgenoten kunnen andere afspraken maken en de tussen hen geldende eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat van een andere peildatum wordt uitgegaan. 4.21. Vast staat dat partijen geen afspraken met elkaar hebben gemaakt over de verdeling van de nalatenschap of over de waarde van het pand. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] leefden wellicht wel in de veronderstelling dat [eiser] het ermee eens was dat [gedaagde 1] het pand zou overnemen zonder dat hij daar nog voor hoefde te betalen, maar dat daar afspraken over zijn gemaakt is niet gesteld of gebleken. Juist omdat het op de weg lag van [gedaagde 1] om de nalatenschap af te wikkelen ziet de rechtbank in de omstandigheid dat er veel tijd is verstreken sinds het overlijden van erflater en het pand naar het zich laat aanzien inmiddels in waarde is gestegen, geen aanleiding om van een eerdere peildatum uit te gaan. Taxatie en verdeling van het pand 4.22. [eiser] vordert benoeming van een onafhankelijke deskundige die de waarde van het pand vaststelt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betogen dat de waarde van het pand kan worden geschat aan de hand van de WOZ aanslag 2020, het WOZ taxatieverslag en een uittreksel van Huispedia en schatten de waarde zodoende op € 770.000. 4.23. De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat op de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voorgestelde wijze, aan de hand van gegevens van twee jaar geleden, niet de huidige marktwaarde van het pand kan worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat het pand moet worden getaxeerd door een NVM makelaar in de omgeving van het pand. Daarom zal de rechtbank in het eindvonnis bepalen dat het pand moet worden getaxeerd door Tettero & Wetters Makelaars- en Assurantiekantoor, Zeestraat 40 in Den Haag (hierna: de makelaar). 4.24. In het eindvonnis zal de rechtbank bepalen dat partijen binnen twee weken na de vonnisdatum opdracht moeten geven aan de makelaar om het pand te taxeren. Partijen moeten bij de taxatie aanwezig zijn, althans daartoe op behoorlijke wijze in de gelegenheid worden gesteld. De taxatie is bindend voor partijen. De taxatiekosten komen ten laste van de nalatenschap van erflater. 4.25. De rechtbank zal in het eindvonnis bepalen dat het pand aan [gedaagde 1] wordt toegedeeld tegen de door de makelaar getaxeerde waarde en dat indien het [gedaagde 1] niet lukt om [gedaagde 2] en [eiser] binnen drie maanden na de vonnisdatum uit te kopen (onder verrekening van de hierna onder 4.30 te beschrijven vergoeding), het pand moet worden verkocht. 4.26. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om vervangende toestemming te verlenen. Verrekening 4.27. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat als het pand voor de huidige waarde in de verdeling wordt betrokken, de kosten die door [gedaagde 1] zijn gemaakt en de giften en diensten aan [eiser] moeten worden verrekend met zijn erfdeel. Om welke kosten, giften en diensten het precies gaat en op welke grond verrekening zou moeten plaatsvinden is niet echter niet voldoende duidelijk geworden. De rechtbank is daarom met [eiser] van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met betrekking tot de door [gedaagde 1] gemaakte kosten te weinig hebben gesteld zodat die niet voor verrekening in aanmerking komen. Ten aanzien van verrekening van aan [eiser] ter beschikking gestelde goederen en diensten verwijst de rechtbank naar wat hiervoor onder 4.18 is overwogen. 4.28. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat de waardestijging van het pand aan [gedaagde 1] dient toe te komen omdat [gedaagde 1] het pand, dat in zeer slechte staat verkeerde, sinds 1993 ingrijpend heeft gerenoveerd en verbouwd. Nu vast staat dat [gedaagde 1] geen economisch eigenaar is van het pand, ook niet voor een gedeelte, is de rechtbank van oordeel dat er geen juridische grondslag is om aan dit standpunt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegemoet te komen. Ten aanzien van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestelde investeringen in het pand ten behoeve van renovaties en noodzakelijk onderhoud geldt bovendien dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze kosten onvoldoende hebben onderbouwd. Daarbij is ook van belang dat niet is gesteld of gebleken dat er overleg is geweest met erflater over de werkzaamheden en/of dat het hier ging om werkzaamheden die geen uitstel konden lijden. Omdat niet voldoende duidelijk is om welke investeringen het precies gaat en op welke grondslag [gedaagde 1] daarvoor een vergoeding zou toekomen (al dan niet gekoppeld aan de waarde van het pand) kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat [eiser] – of strikt genomen [eiser] en [gedaagde 2] – aan [gedaagde 1] een bedrag moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.