RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/7493 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering, verweerder (gemachtigde: A. Arabkhani). Procesverloop In het besluit van 10 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij vanaf 14 augustus 2020 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (Zw). In het besluit van 6 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1 Eiser was sinds 2012 werkzaam als chauffeur bij een vishandel. Op 1 mei 2017 heeft eiser zich ziek gemeld vanwege door een auto-ongeval opgelopen belemmeringen aan rug en knie. Bij einde wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia). Hieruit volgde dat eiser met de voor hem geduide functies meer dan 65% van zijn laatst verdiende loon zou kunnen verdienen, zodat zijn aanvraag is afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar aangetekend. 1.2 Op 30 augustus 2019 heeft eiser zich vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld. Verweerder heeft eiser per 27 september 2019 hersteld gemeld. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. 2. Per 28 november 2019 heeft eiser zich vanwege een operatie aan zijn knie ziekgemeld en is hem per die datum een Zw-uitkering toegekend. Bij primair besluit heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser per 14 augustus 2020 beëindigd. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser per datum in geding minstens één van de voor hem in de Wia-procedure geduide functies kan uitoefenen. 3. Eiser voert aan dat zijn beperkingen ten opzichte van de Wia-beoordeling zijn toegenomen en dat verweerder hier geen danwel onvoldoende rekening mee heeft gehouden. Naast zijn schouder-, rug- en knieklachten heeft eiser ook psychische klachten. Vanwege zijn op aambeiengelijkende klachten kan eiser evenmin lang zitten. Voorts heeft verweerder nagelaten om te onderzoeken of de geduide functies corona-proof zijn uit te voeren. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij inmiddels onder behandeling is voor zijn psychische klachten. Beoordeling door de rechtbank 4.1 De rechtbank dient te beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met ingang van 14 augustus 2020 geschikt is voor minimaal één van de functies die in het kader van zijn Wia-aanvraag voor hem zijn geduid. 4.2 Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat verweerder de rapporten van de verzekeringsartsen mag volgen als aan drie voorwaarden is voldaan. De rapporten moeten zorgvuldig zijn opgesteld, ze mogen niet tegenstrijdig zijn en ze moeten begrijpelijk zijn. Het is echter aan eiser om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. 4.3 De verzekeringsarts in opleiding (i.o.) heeft eiser op 7 augustus 2020 lichamelijk en psychisch onderzocht en dossierstudie verricht. Haar bevindingen heeft zij neergelegd in haar rapportage van 10 augustus 2020. De verzekeringsarts i.o. is van oordeel dat eiser beperkingen ondervindt ten aanzien van zijn rug, schouder en linker knie. De verzekeringsarts i.o. heeft echter geen nieuwe aandoeningen vastgesteld dan de aandoeningen die ten tijde van de Wia-beoordeling aanwezig waren. Zij is daarom van oordeel dat eiser met zijn huidige beperkingen in staat moet worden geacht ten minste één van de tijdens de Wia-beoordeling geduide functies te kunnen verrichten. Deze conclusie wordt gedeeld door de verzekeringsarts die de rapportage heeft medeondertekend. 4.4 Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b op 3 november 2020 een rapportage uitgebracht. Deze verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en is digitaal aanwezig geweest bij de hoorzitting van 2 november 2020 op welk moment eens aanvullende anamnese plaatsgevonden. In zijn rapportage staat onder meer vermeld dat de bestudering van de gegevens en de tijdens de hoorzitting verkregen informatie geen aanleiding gaven de beslissing van de primaire arts i.o. te herzien. Eiser is aangewezen op kniesparende en enigszins nek/schoudersparende arbeid, zoals ook bij de Wia-beoordeling is aangenomen. 4.5 De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om het verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig te oordelen. Zowel de primaire arts (i.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.