vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/622199/HA ZA 22-4 Vonnis van 30 maart 2022 in de zaak van COÖPERATIEVE RABOBANK U.A. te Amsterdam, eiseres, advocaat mr. P. Jansen te Eindhoven, tegen [gedaagde] zonder bekende woon- of verblijfplaats zowel binnen als buiten Nederland, gedaagde, niet verschenen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 22 november 2021, tegen de eerste rolzitting van 23 februari 2022, met producties 1 tot en met 22; een kopie van de advertentie in de Staatscourant van 26 november 2021; het ter rolzitting van 2 maart 2022 tegen gedaagde verleende verstek. 1.
- Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
- Deze zaak heeft internationale aspecten, nu gedaagde per 25 oktober 2021 vertrokken is naar het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank moet daarom ambtshalve onderzoeken of zij rechtsmacht heeft. Voor zover de rechtbank rechtsmacht heeft, moet zij ook ambtshalve onderzoeken naar welk materieel recht het gevorderde moet worden beoordeeld. De rechtbank moet bepalen aan de hand van de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) neergelegde bepalingen of zij bevoegd is. Eiseres heeft zich niet uitgelaten over de bevoegdheid van de rechtbank. 2.
- Eiseres grondt haar vorderingen op een door gedaagde getekende offerte van 23 april 2010 en een drietal overeenkomsten van geldlening van 14 juli 2010 op basis waarvan eiseres aan gedaagde een geldlening heeft verstrekt van in totaal € 1.000.000,-. In de offerte wordt op pagina 8 onder meer de algemene bankvoorwaarden van toepassing verklaard. Deze pagina is door gedaagde ondertekend. In de algemene bankvoorwaarden staat in artikel 34 lid 2 het volgende: “
- Klachten en geschillen (…) 2 Geschillen tussen de cliënt en de bank worden uitsluitend voorgelegd aan de bevoegde Nederlandse rechter, behoudens dwingend recht en het volgende: a De cliënt kan een geschil ook voorleggen aan de bevoegde geschillen- en klachtencommissies. b De bank kan een geschil ook voorleggen aan de voor cliënt in aanmerking komende buitenlandse rechter.” De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft nu partijen in voornoemd artikel uit de algemene bankvoorwaarden een forumkeuze hebben gemaakt voor de Nederlandse rechter in de zin van artikel 8 Rv. 2.
- Nu het in deze zaak gaat om overeenkomsten (van geldlening), die zijn gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf in de zin van artikel 101 Rv, beoordeelt de rechtbank ook zonder daartoe strekkend verweer of zij relatief bevoegd is (artikel 110 lid 1 Rv). Nu gedaagde geen bekende woonplaats of werkelijke verblijfplaats heeft, wijst artikel 110 lid 1 Rv jo. artikel 101 Rv geen relatief (mede) bevoegde rechtbank aan. De rechtbank oordeelt dat niet zij, maar de rechtbank Amsterdam relatief bevoegd is op grond van artikel 109 Rv, nu eiseres woonplaats heeft in dat arrondissement en de artikelen 99 tot en met 108 Rv geen bevoegde rechter aanwijzen. 2.
- De zaak zal gelet op het voorgaande op grond van artikel 110 lid 2 Rv ambtshalve worden verwezen naar de afdeling privaatrecht van de rechtbank Amsterdam, locatie Amsterdam, in de stand waarin deze zich bevindt. 3De beslissing De rechtbank: 3.
- verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van woensdag 13 april 2022 om 10:00 uur van de afdeling privaatrecht van de rechtbank Amsterdam, locatie Amsterdam, alwaar partijen kunnen voortprocederen; 3.
- wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de rechtbank eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken door mr. P. Dondorp, rolrechter, op 30 maart
- Type: 2753