RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummers: NL22.253, NL22.254, NL22.255 en NL22.374 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [Naam 1], eiser 1, V-nummer: [Nummer 1] [Naam 2] , eiseres 1, V-nummer: [Nummer 2] en hun minderjarige kinderen [Naam 3] , eiser 2, V-nummer: [Nummer 3] [Naam 4] , eiseres 2, V-nummer: [Nummer 4] hierna gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H. Remerie). Procesverloop Bij vier afzonderlijke besluiten van 5 januari 2022 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan eisers de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
- Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft de beroepen op 12 januari 2022 om 09:30 uur op zitting behandeld in Breda. Eisers zijn verschenen via een beeldverbinding. Als tolk is verschenen via een beeldverbinding A.O. Madu. Eisers hebben zich laten bijstaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Op 12 januari 2022 om 13:34 uur heeft verweerder meegedeeld de maatregelen van bewaring op te heffen. Overwegingen
- Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [Geb. datum 1] 1999, [Geb. datum 2] 1997, [Geb. datum 3] 2018 en [Geb. datum 4] 2020 en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.
- Op 4 mei 2018 hebben eiser 1 en eiseres 1 in Nederland asiel aangevraagd. Bij besluiten van 25 september 2018 heeft verweerder deze aanvragen niet in behandeling genomen omdat de autoriteiten van Italië daarvoor verantwoordelijk zijn. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 15 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, de verzoeken om een voorlopige voorziening toegewezen. Bij uitspraak van 10 augustus 2021 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, de beroepen ongegrond verklaard. De daartegen door eisers ingestelde hoger beroepen zijn niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 september
- Op 5 januari 2022 om 07:51 uur zijn eisers staandegehouden in het asielzoekerscentrum te Almere. Zij zijn vervolgens overgebracht naar het detentiecentrum (gesloten gezinsvoorziening) te Zeist, waar zij om 10:49 uur in bewaring zijn gesteld nadat eiser 1 en eiseres 1 om 10:07 uur zijn gehoord. In de maatregelen van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze nodig waren omdat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht zoals bedoeld in de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening), terwijl er een significant risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken.
- Hoewel verweerder de maatregelen van bewaring kort na de zitting heeft opgeheven, gaat de rechtbank ervan uit dat eisers de beroepen voortzetten met het oog op schadevergoeding.
- Eisers voeren aan dat voor het opleggen van de maatregelen van bewaring onvoldoende gronden aanwezig waren. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 als zware gronden vermeld dat eisers:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eisers:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
- Ten aanzien van de grond 3a voeren eisers aan dat uit de omstandigheid dat zij bijna vier jaar geleden niet op de voorgeschreven wijze Nederland zijn binnengekomen niet kan worden afgeleid dat er een risico op onttrekken aan het toezicht bestaat. Dit raakt echter niet aan de feitelijke juistheid van het niet op voorgeschreven wijze Nederland binnenkomen, terwijl verweerder daarmee kan volstaan. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, rechtsoverweging 15.
- Daarnaast betwisten eisers de zware grond 3k en de beide lichte gronden niet. Er is dan ook geen aanleiding om de gronden van de maatregelen van bewaring onvoldoende te achten.
- Vervolgens voeren eisers aan dat de verzwaarde belangenafweging, die volgens onderdeel A5/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) vereist is bij het in bewaring stellen van gezinnen met minderjarige kinderen, niet deugdelijk is. Daarbij stellen zij dat de belangen van de kinderen ten onrechte niet voorop zijn gesteld door uitsluitend te overwegen dat zij een sociale eenheid vormen met hun ouders. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder daarnaast in de maatregelen van bewaring heeft overwogen dat de kinderen vanwege hun minderjarigheid niet in staat zijn om zelfstandig te beslissen over terugkeer naar Italië, dat zij niet diepgeworteld zijn in Nederland en dat zij naar verwachting met hulp van hun ouders een bestaan zullen kunnen opbouwen in Italië. Ook heeft verweerder ten tijde van de oplegging van de maatregelen kunnen overwegen dat de bewaring niet van onnodig lange duur zou zijn, aangezien de autoriteiten van Italië toestemming hebben gegeven voor overdracht en op 12 januari 2022 om 09:40 uur een vlucht was geboekt. Eisers hebben verder niet onderbouwd welke belangen voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om een andere afweging te maken. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
- Ten slotte voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een zicht op overdracht binnen redelijke termijn. Daarbij wijzen zij erop dat zij eerder hebben geweigerd om een coronatest te ondergaan. Verweerder had daarom volgens eisers kunnen vermoeden dat de geplande overdracht op 12 januari 2022 om 09:40 uur niet door zou gaan. Deze vlucht is op 11 januari 2022 ook daadwerkelijk geannuleerd omdat eisers niet hebben meegewerkt aan een coronatest. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet had hoeven vooruitlopen op het al dan niet blijven weigeren van een coronatest en dat er ten tijde van de oplegging van de maatregelen voldoende zicht op overdracht op redelijke termijn bestond gelet op de geplande vlucht op 12 januari
- Ter zitting is nog gesproken over de vraag of verweerder in dit geval vanwege het weigeren van de coronatest mocht aannemen dat sprake is van verzet zoals bedoeld in onderdeel A5/2.4 van de Vc, zodat de inbewaringstelling langer dan twee weken had mogen duren, en over de vraag of de inbewaringstelling reeds hierdoor zes weken had mogen duren gelet op het bepaalde in artikel 28 van de Dublinverordening. Omdat de maatregelen van bewaring kort na de zitting zijn opgeheven, behoeft dit geen verdere bespreking meer.
- De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.