Rechtbank den haag Team handel zaak- / rolnummer: C/09/615801 HA ZA 21/681 proces-verbaal van mondeling vonnis van 29 maart 2022 in de zaak van 1 [eisende partij sub 1] te [plaats] , 2. [eisende partij sub 2] te [plaats] , 3. [eisende partij sub 3] te [plaats] , 4. [eisende partij sub 4] te [plaats] , eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, advocaat mr. M. Erkens te Den Haag, tegen [gedaagde] te [plaats] , eiser in het incident, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. R.M. van de Zwan te Den Haag, De eisers [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] worden hierna [eisende partij sub 1 c.s.] genoemd, de eisers [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] worden hierna [eisende partij sub 3 c.s.] genoemd en de gedaagde wordt [gedaagde] genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: het vonnis in het incident van 9 maart 2022; de mondelinge behandeling van 28 maart 2022. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden en deze aantekeningen zijn in het dossier gevoegd. In beginsel wordt geen proces-verbaal opgemaakt van de mondelinge behandeling, tenzij hier om verzocht wordt en verzoeker een voldoende belang heeft bij het opstellen van een proces-verbaal. 1.2. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling aangehouden tot 29 maart 2022 om op die dag op de voet van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak te doen. 2De beoordeling Is het dakterras in strijd met artikel 5:50 lid 1 BW? Ja. 2.1. De rechtbank verwijst voor de beoordeling ook naar de vaststaande feiten die zijn opgenomen in het incidenteel vonnis van 9 maart 2022. 2.2. In artikel 5:50 lid 1 BW is bepaald dat, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, het niet toegestaan is om binnen twee meter van de grenslijn een balkon of soortgelijk werk te hebben, voor zover dit uitzicht geeft op het naburige erf. 2.3. Niet in geschil is dat het dakterras van [gedaagde] aan het erf van [eisende partij sub 3 c.s.] grenst. Onder verwijzing naar de foto’s bij de dagvaarding heeft [eisende partij sub 1 c.s.] voldoende gemotiveerd gesteld dat de achterzijde van het hekwerk van het dakterras van [gedaagde] ook grenst aan het erf van [eisende partij sub 1 c.s.] . Deze stelling is onvoldoende weersproken door [gedaagde] . Dit betekent dat zowel het erf van [eisende partij sub 1 c.s.] als het erf van [eisende partij sub 3 c.s.] naburig is en zij beiden een beroep kunnen doen op de regeling van artikel 5:50 lid 1 BW. 2.4. Het huidige dakterras van [gedaagde] moet worden aangemerkt als een soortgelijk werk als bedoeld in 5:50 BW. Dit dakterras is op circa 90 centimeter gelegen van de erfgrens van de erven van [eisende partij sub 1 c.s.] en [eisende partij sub 3 c.s.] Tijdens de descente is door de rechtbank vastgesteld dat staande op het dakterras in de kijkrichting van de erven van [eisende partij sub 1 c.s.] en [eisende partij sub 3 c.s.] zicht is op (een deel van) beide achtertuinen en de woning. Het dakterras van [gedaagde] is in strijd met artikel 5:50 BW. 2.5. Voor de beantwoording van de vraag of de vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] en [eisende partij sub 3 c.s.] ook toewijsbaar zijn, is een beoordeling van de overige verweren van [gedaagde] van belang. De rechtbank zal die verweren hierna bespreken. Is er sprake van verjaring? Ja, voor een deel van het dakterras. 2.6. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op verjaring. Dit verweer slaagt voor een deel. Niet in geschil is dat het oude balkon van [gedaagde] meer dan twintig jaar aanwezig geweest is. Voor de vraag of sprake is van verjaring, is van ondergeschikt belang dat in 2016 de constructie gewijzigd is van een balkon, dat constructief verbonden is met het appartement van [gedaagde] , in een dakterras, dat constructief verbonden is met de uitbouw onder het appartement van [gedaagde] . Dit betekent dat het vorderingsrecht van [eisende partij sub 1 c.s.] en [eisende partij sub 3 c.s.] voor zover dat betrekking heeft op de afmetingen van het oude balkon verjaard is. [gedaagde] heeft dus in ieder geval het recht om een dakterras te hebben op de plaats waar in het verleden het balkon aanwezig was, zonder dat hij verplicht is om een ondoorzichtig scherm te plaatsen. 2.7. Terecht stelt [gedaagde] dat als gevolg van de verjaring [eisende partij sub 1 c.s.] en [eisende partij sub 3 c.s.] de aanwezigheid van het balkon moeten dulden. Dit geldt echter alleen voor de afmetingen van het voormalige balkon, nu het vorderingsrecht ten aanzien van het overige deel van het dakterras nog niet verjaard is. De vordering voor zover die betrekking heeft op de uitbreiding is niet verjaard. Staat de aan [gedaagde] verleende omgevingsvergunning een beroep op artikel 5:50 lid 1 BW in de weg? Nee. 2.8. Verder heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat hij de beschikking heeft over een omgevingsvergunning en dat hij erop mag vertrouwen dat de vergunning verleend is volgens de wet. De rechtbank overweegt, met een verwijzing naar vaste jurisprudentie (vgl. HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823), dat een verleende omgevingsvergunning een vergunningaanvrager niet vrijwaart van civielrechtelijke aanspraken van derden, ook niet indien die derde bestuursrechtelijk bezwaar gemaakt hebben, nu het voorkomen van onrechtmatige hinder/inkijk geen onderdeel is van de beoordeling van de omgevingsvergunning. Dit geldt te meer nu de aan [gedaagde] verleende omgevingsvergunning verleend is behoudens rechten van derden. Hieruit volgt dat de omgevingsvergunning [eisende partij sub 1 c.s.] en [eisende partij sub 3 c.s.] niet in de weg staat in hun beroep op artikel 5:50 BW. Hebben [eisende partij sub 1 c.s.] en [eisende partij sub 3 c.s.] een belang bij hun vordering? Ja. 2.9. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.