RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/4190 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer [nummer], eiser, (gemachtigde: mr. J.S. Dobosz), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. L.M. Modderkolk).21/4190 Procesverloop Bij besluit van 16 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van het Unierecht. Bij besluit van 21 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.V. Bandhoe, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Bij brief van 11 november 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht te reageren op het standpunt van eiser over de vertrektermijn. Verweerder heeft deze reactie op 16 november 2021 gegeven. Op 19 november 2021 heeft eiser hierop gereageerd. Bij brief van 30 november 2021 heeft de rechtbank verweerder nadere vragen gesteld. Verweerder heeft hier bij brief van 10 december 2021 inhoudelijk op gereageerd. Op 24 december 2021 heeft eiser zijn reactie ingediend. De rechtbank heeft partijen op 6 januari 2022 per brief geïnformeerd over haar voornemen om de zaak zonder nadere zitting af te doen. Partijen hebben de gelegenheid gekregen om binnen vier weken te laten weten of zij alsnog op zitting gehoord wilden worden. Verweerder heeft bij brief van 21 januari 2022 het standpunt zoals ingenomen in de brief van 10 december 2021 gecorrigeerd en de rechtbank verzocht om een praktische oplossing waardoor partijen niet naar zitting hoeven te komen. Eiser heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd. Op 25 februari 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen Griffierecht 1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Ter onderbouwing heeft eiser een verklaring overgelegd waaruit volgt dat hij geen inkomen en vermogen heeft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek kan worden toegewezen. Eiser wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. Inleiding 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Poolse nationaliteit. Hij verblijft sinds enkele jaren in Nederland. Eiser is op 16 november 2020 gehoord door de politie over zijn verblijfsrecht in Nederland, omdat de politie aanwijzingen had om te twijfelen aan zijn verblijfsrecht. Op 20 november 2020 heeft de politie verweerder voorgesteld om vast te stellen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. 3. Verweerder heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft (gehad) als gemeenschapsonderdaan, omdat hij niet voldoet aan de geldende voorwaarden. Uit onderzoek blijkt dat eiser langer dan drie maanden in Nederland verblijft, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland en als niet-ingezetene geregistreerd staat in de Basisregistratie Personen. Eiser beschikt niet over voldoende middelen van bestaan om in het eigen onderhoud te voorzien en verricht geen arbeid in loondienst. Ook heeft hij niet aangetoond een reële kans op werk te hebben. Eiser is regelmatig veroordeeld wegens het plegen van vermogensdelicten en hij is overlastgever in Rotterdam. Verweerder heeft de belangenafweging die hij in het kader van de toelaatbaarheid van de verwijdering van eiser uit Nederland moet maken in het nadeel van eiser laten uitvallen. Eiser moet Nederland binnen 28 dagen verlaten. 4. Eiser is het hier niet mee eens. Op wat hij aanvoert, gaat de rechtbank hieronder verder in. Besluitonderdelen 5. De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit uit twee afzonderlijke besluitonderdelen bestaat. De beslissing ten aanzien van het verblijfsrecht op grond van het Unierecht enerzijds en de beslissing ten aanzien van de in het kader van de verwijderingsmaatregel opgelegde vertrektermijn anderzijds. Eiser heeft tegen beide besluitonderdelen beroepsgronden gericht. Het verblijfsrecht op grond van het Unierecht 6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb, waarin artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd. De vaststelling van de onrechtmatigheid van het verblijf van eiser leidt echter niet automatisch tot verwijdering. Op grond van de Verblijfsrichtlijn is, zo heeft verweerder ook onderkend, een afzonderlijke beoordeling van de toelaatbaarheid van de verwijdering vereist. In dat verband moet een belangenafweging worden gemaakt. Die heeft verweerder ook verricht. 7. Eiser stelt dat verweerder de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel heeft laten uitvallen. Daartoe voert hij aan dat het niet voldoen aan de vereisten van artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn ten onrechte in zijn nadeel in de belangenafweging is betrokken. Verder voert eiser aan dat verweerder moet vaststellen of de verwijderingsmaatregel niet onevenredig is, waarbij hij ex-nunc moet toetsen. Dat is niet gebeurd, want verweerder heeft niet betrokken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen gebruik meer maakte van de daklozenopvang. Evenmin is aangetoond dat nog steeds sprake was/is van overlast of contacten met de politie. Tot slot stelt eiser dat hij onvrijwillig werkloos is geworden. Verweerder heeft daar ten onrechte geen onderzoek naar gedaan en mag dit - zo begrijpt de rechtbank het standpunt van eiser - daarom niet in zijn nadeel in de belangenafweging meewegen. 8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Gebleken is dat verweerder de relevante, door eiser gestelde omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken. Verweerder heeft in aanmerking genomen dat eiser sinds augustus 2019 (weer) in Nederland is, terwijl hij geboren en getogen is in Polen en daar het overgrote deel van zijn leven heeft verbleven. De band van eiser met zijn land van herkomst is daarom sterk te noemen. Dat wordt ook niet betwist. Verweerder heeft ook ten nadele van eiser kunnen betrekken dat eiser niet heeft aangetoond dat hij beschikt over middelen van bestaan of inkomen om in zijn eigen onderhoud te voorzien. Eiser heeft sinds april 2020 niet meer gewerkt. Zijn stelling dat hij onvrijwillig werkloos is geworden, heeft hij niet onderbouwd. Dat verweerder dit niet in de belangenweging mag betrekken, volgt de rechtbank niet. Niet valt in te zien waarom deze elementen geen rol in de belangenafweging mogen spelen. Verder heeft verweerder ten nadele van eiser kunnen betrekken dat hij niet heeft aangetoond een vaste woon- of verblijfplaats te hebben en dat hij gebruik maakt van sociale voorzieningen om hier te kunnen leven. Eiser stelt weliswaar dat hij geen gebruik meer maakt van de daklozenopvang, maar verweerder stelt terecht dat hij dit niet heeft onderbouwd door bijvoorbeeld inzichtelijk te maken waar hij dan wel verblijft. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen betrekken dat hij veelvuldig is veroordeeld wegens het plegen van verschillende delicten, dat hij een zwervend bestaan leidt en daardoor overlast veroorzaakt.Dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog steeds overlast veroorzaakte of contact had met de politie, maakt niet dat verweerder deze omstandigheden niet in het nadeel van eiser heeft mogen betrekken. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser kunnen laten wegen dat hij nauwelijks betrokken is bij de Nederlandse samenleving, geen ziektekostenverzekering heeft en geen gezins-of familieleven hier onderhoudt. De beroepsgronden falen. De in het kader van de verwijderingsmaatregel opgelegde vertrektermijn 9. Eiser stelt – kort samengevat – dat de gegeven vertrektermijn van 28 dagen te kort is. Uit artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn blijkt dat de gegeven vertrektermijn niet korter mag zijn dan één maand. Dit artikel is ook van toepassing op besluiten tot beperking van het vrij verkeer die worden genomen om andere redenen dan openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid, zoals besluiten op grond van artikel 15 van de Verblijfsrichtlijn. Verweerder heeft deze bepalingen niet juist omgezet in nationaal recht. Voorts wijst eiser erop dat in de Verblijfsrichtlijn een minimumtermijn is opgenomen, wat betekent dat een gunstiger nationale bepaling ook tot de mogelijkheden behoort. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser op de Richtsnoeren voor de toepassing van de Verblijfsrichtlijn, het arrest FS tegen Nederland en artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht waarin staat dat ‘een maand’ dertig kalenderdagen is. 10. Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de opgelegde vertrektermijn juist moet worden geacht. Artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn vermeldt ‘een maand’, wat volgens verweerder 28, 30 of 31 dagen kan zijn. Die bepaling is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, bezien in samenhang met artikel 8.24, derde lid, van het Vb. De wetgever heeft volgens verweerder gekozen heeft voor een (maximale) vertrektermijn van 28 dagen, wat in lijn is met de Verblijfsrichtlijn. 11. Na heropening van het onderzoek, heeft de rechtbank partijen verzocht aan te geven of artikel 3, tweede lid, van de Euratom Verordening aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen. 12. Verweerder heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Verweerder stelt zich nu op het standpunt dat aan eiser een vertrektermijn van ‘een maand’ - overeenkomstig de uitleg van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Euratom Verordening - had moeten worden gegund, in plaats van 28 dagen. Volgens verweerder is eiser echter niet in zijn belangen geschaad, omdat de termijn van ‘een maand’ sinds het bestreden besluit van 21 juni 2021 inmiddels ruimschoots is verstreken. Verweerder verzoekt de rechtbank daarom toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht en dit gebrek in het bestreden besluit te passeren. 13. Eiser is het daar niet mee eens en houdt – kort gezegd – vast aan zijn standpunt zoals hiervoor onder 9 weergegeven. Aanvullend stelt eiser nog dat verweerder de bepalingen van de Verblijfsrichtlijn niet rechtstreeks tegen hem kan inroepen, waarbij hij wijst op het arrest Kolpinghuis. 14. De rechtbank zal hierna deze door partijen ingenomen standpunten in haar beoordeling betrekken. Voor het toepasselijke wettelijk kader verwijst zij naar de bijlage die achter deze uitspraak is gevoegd. 14.1. De rechtbank stelt voorop dat het eiser is die zich tegenover verweerder en de rechtbank beroept op artikelen uit de Verblijfsrichtlijn die volgens hem niet of onjuist in het nationale recht zijn omgezet. Dit ter onderbouwing van zijn betoog dat hem een langere vertrektermijn had moeten worden gegund. Zijn stelling dat het rechtstreeks inroepen van de artikelen uit de Verblijfsrichtlijn - die voor eiser rechten in het leven roepen - niet kan, volgt de rechtbank – gelet op het eerder door eiser gevoerde betoog en dat wat de rechtbank hierna overweegt – niet. 14.2. Eiser beroept zich op artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, waarin de procedurele waarborgen van artikel 30 van de Verblijfsrichtlijn van toepassing worden verklaard op een besluit waarin een verwijderingsmaatregel is vervat die genomen is om andere redenen dan openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Uit artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt dat, behalve in naar behoren aangetoonde dringende gevallen, de vertrektermijn niet korter mag zijn dan een maand na de datum van kennisgeving (hier: het bestreden besluit). 14.3. De rechtbank stelt vast dat dit een Europees rechtelijk criterium is en dat dit bindende bepalingen van de Verblijfsrichtlijn zijn. Hieruit volgt hoe lang de vertrektermijn minstens moet zijn. 14.4. Artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn is volgens verweerder in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in artikel 62, eerste lid, van de Vw en artikel 8.24, derde lid, van het Vb. Artikel 62, eerste lid, van de Vw luidt: “Nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.” En artikel 8.24, derde lid, van het Vb luidt: “Onze Minister kan de vertrektermijn, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Wet slechts in naar behoren aangetoonde dringende gevallen verkorten tot minder dan vier weken.” 14.5. De rechtbank stelt vast dat deze bepalingen evident in strijd zijn met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. Een vertrektermijn van ‘vier weken’ is niet gelijk te stellen aan een vertrektermijn van ‘een maand’. Dit volgt uit de definitie gegeven in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Euratom Verordening. Nu in artikel 30, derde lid, van de Richtlijn is bepaald dat de vertrektermijn minstens ‘een maand’ moet zijn, en dit een bindende bepaling is, stelt de rechtbank vast dat dit artikel van de Verblijfsrichtlijn niet correct is omgezet in het nationale recht. De termijnen komen immers niet met elkaar overeen. 14.6. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de nationale rechter het nationale recht zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn om het daarmee beoogde resultaat te bereiken en daarmee aan artikel 288, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te voldoen. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem. 14.7. De rechtbank acht richtlijnconforme uitlegging van artikel 62, eerste lid, van de Vw, bezien in samenhang met artikel 8.24, derde lid, van het Vb niet mogelijk, omdat daarin uitdrukkelijk is gekozen voor een vertrektermijn van vier weken. 14.8. Onderzocht moet daarom worden of de betrokken bepaling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.