RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/5220 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2022 op het verzet van [opposant], opposant V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F. Arslan). Procesverloop Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris) van 9 augustus 2021 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij uitspraak van 11 november 2021 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet op 6 april 2022 op zitting behandeld. Opposant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A]. Ook was mr. [B] namens de staatssecretaris aanwezig. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat binnen de gestelde termijn geen gronden van beroep zijn ingediend. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan overschrijding van de termijn voor het herstellen van het verzuim verschoonbaar moet worden geacht.
- In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
- Opposant erkent dat hij de gronden van beroep te laat heeft ingediend. Hij was in de veronderstelling dat hij de gronden al had ingediend en na contact met de rechtbank heeft hij alsnog gronden ingediend. Na het indienen van de gronden heeft de rechtbank het beroep buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank was hiertoe niet verplicht en had bij opposant na moeten vragen waarom hij de gronden te laat heeft ingediend, aldus opposant.
- De rechtbank stelt vast dat opposant niet heeft betwist dat de gronden van beroep te laat zijn ingediend. Opposant heeft aangevoerd dat hij dacht dat de gronden al waren ingediend en dat hij er later achter kwam dat dit niet het geval was. Deze enkele omstandigheid is geen reden om het niet tijdig indienen van de beroepsgronden verschoonbaar te achten. Het is de verantwoordelijkheid van (de gemachtigde van) opposant om tijdig de beroepsgronden in te dienen. De rechtbank stelt vast dat opposant geen andere omstandigheden heeft aangevoerd die reden zijn voor het te laat indienen van de gronden. 4.1 De stelling van opposant dat de rechtbank niet verplicht was het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en opposant had moeten navragen waarom de gronden te laat zijn ingediend, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank kan het beroep niet-ontvankelijk verklaren als het beroepschrift geen gronden bevat en de indiener gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Opposant is bij brief van 3 september 2021 een verzuimtermijn geboden van vier weken voor het indienen van de gronden. De rechtbank was niet verplicht om bij opposant na te gaan waarom de gronden nog niet of te laat waren ingediend. De rechtbank merkt hierbij nog op dat opposant in de alsnog ingediende beroepsgronden ook geen reden heeft gegeven voor de termijnoverschrijding.
- In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 11 november
- Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb.