Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/842256-17 Datum uitspraak: 22 april 2022 Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte] , geboren [geboortedatum] [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] . De vordering De inleidende schriftelijke vordering strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 37.800,
- Het onderzoek ter zitting De vordering is voor de eerste keer aan de orde geweest op de zitting van 21 februari
- De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 april
- De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, op 11 april 2022 niet ter zitting verschenen. Namens de veroordeelde is op de zitting verschenen zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, die heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn. Het standpunt van de officier van justitie Ter zitting van heeft de officier van justitie afwijzing van de vordering bepleit. De officier van justitie heeft meegedeeld dat in de strafzaak tegen de veroordeelde bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2019 een geldbedrag is toegekend aan de benadeelde partij ter vergoeding van (onder meer) materiële schade, geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit en dat ook een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Als gevolg daarvan blijft er geen te vorderen wederrechtelijk verkregen voordeel meer over, zodat de vordering moet worden afgewezen. Voorafgaand aan de zitting van 11 april 2022 had de officier van justitie zijn standpunt schriftelijk aan de rechtbank en de raadsman meegedeeld. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat - kort samengevat - het bedrag dat het gerechtshof in Den Haag heeft toegekend aan de benadeelde partij in verband met geleden materiële schade en waarvoor de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, in mindering moet worden gebracht op de ontnemingsvordering en dat voor het overige geen voordeel is verkregen. De raadsman heeft meegedeeld dat de veroordeelde inmiddels ook gestart is met het afbetalen van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De beoordeling van de vordering De veroordeling De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 7 maart 2018 en bij arrest van het hof van 20 september 2019, voor zover van belang, veroordeeld voor mensenhandel. Bij arrest van 15 december 2020 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd, maar uitsluitend voor zover het gerechtshof bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis had toegepast in plaats van gijzeling. Voor het overige heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof in stand gelaten. Op grond van deze veroordeling kan aan de veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van het in het arrest van 20 september 2019 bewezen verklaarde strafbare feit. Het wederrechtelijk verkregen voordeel Het gerechtshof heeft de vordering van de benadeelde partij, voor wat betreft het materiële deel, toegewezen tot een bedrag van in totaal € 27.035,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank Den Haag had in haar vonnis van 7 maart 2018 hetzelfde bedrag aan materiële schade toegewezen, onder verwijzing naar de berekening van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de daarin genoemde minimaal door de benadeelde partij gewerkte uren, dagen en verdiensten per klant. Uit de processtukken is niet gebleken dat de veroordeelde meer wederrechtelijk voordeel heeft verkregen dan het bedrag dat het hof ter vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij heeft toegewezen. Om die reden zal de rechtbank bij de beoordeling van onderhavige vordering uitgaan van voornoemd bedrag van € 27.035,-. Op grond van artikel 36e lid 8 Sr worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Toepassing van deze regeling betekent dat per saldo geen wederrechtelijk verkregen voordeel meer overblijft. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal daarom op nihil worden vastgesteld. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk voordeel op nihil moet worden vastgesteld en dat geen betalingsverplichting moet worden opgelegd. De toepasselijke wettelijke bepaling Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing De rechtbank: stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil; wijst af de vordering van het Openbaar Ministerie tot het opleggen van een betalingsverplichting ter ontneming van door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. mr. P.G. Salvadori, voorzitter, mr. L. Kelkensberg, rechter, mr. M.A. Schueler, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.M.E. Oudshoorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2022.