vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team Insolventies – enkelvoudige kamer rekestnummers: C/09/623230 / FT RK 21/1048, C/09/623233 / FT RK 21/1050 vonnis van 12 april 2022 in de zaken van [verzoeker] en [verzoekster], beiden wonende te [adres, postcode en woonplaats], hierna te noemen: [verzoeker en verzoekster]. Waar deze zaak over gaat [verzoeker] en [verzoekster] bevinden zich in een problematische schuldensituatie. Om uit die situatie te komen, hebben zij op 31 december 2021 verzoekschriften met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank wijst deze verzoeken af en legt hierna uit waarom zij zo beslist. 1De procedure 1.
- De verzoeken van [verzoeker] en [verzoekster] zijn behandeld op de zitting van 29 maart
- Op deze zitting zijn verschenen: [verzoeker] en [verzoekster] , vergezeld door [A], schuldhulpverlener van de gemeente [X]. 2Het wettelijk kader 2.
- Voor de beoordeling van de toelatingsverzoeken van [verzoeker] en [verzoekster] zijn onder meer de volgende artikelen van de Faillissementswet (hierna: Fw) van belang: 1) Artikel 288 lid 1 sub b Fw: over de zogenoemde ‘goede trouw’ van [verzoeker] en [verzoekster] bij het ontstaan en/of onbetaald laten van hun schulden gedurende de laatste vijf jaar; 2) Artikel 288 lid 3 Fw: over de vraag of – als de goede trouw ontbreekt – [verzoeker] en [verzoekster] toch kunnen worden toegelaten tot de regeling: is dan voldoende aannemelijk dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle hebben gekregen? 3) Artikel 288 lid 1 sub c Fw: over de vraag of voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] en [verzoekster] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
- De beoordeling van het verzoek 3.
- De rechtbank wijst de verzoeken van [verzoeker] en [verzoekster] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling af. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht. De verplichtingen in de WSNP 3.
- Artikel 288 lid 1 sub c Fw vereist dat voldoende aannemelijk moet zijn dat [verzoeker] en [verzoekster] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. 3.2.
- Gelet op de dossierstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, kan er niet van worden uitgegaan dat [verzoeker] en [verzoekster] gedurende de regeling de bewindvoerder spontaan en gevraagd zullen informeren. Zij hebben bij de onderhavige verzoeken de rechtbank niet (spontaan) van alle relevante informatie voorzien. Zo hebben zij pas na herhaalde verzoeken, vlak voor de zitting, een eigen verklaring overgelegd. Daarnaast ontbraken de processtukken inzake de procedures waarbij uiteindelijk in rechte is komen vast te staan dat [verzoeker] opzettelijk bijstandsfraude heeft gepleegd en waardoor de grootste schuld is ontstaan, te weten die aan DSZW van € 145.627,
- Voorts bevat het verzoek onvoldoende informatie over vermogensbestanddelen. Uit het onderzoeksrapport van het Internationaal Bureau Fraude-informatie blijkt namelijk dat [verzoeker] twee onroerende zaken in Marokko in eigendom heeft (gehad). Hij heeft het tegendeel niet met stukken onderbouwd, zoals de verdeling van de nalatenschap waarvan een woning deel uitmaakte. Voorts heeft [verzoeker] bevestigd dat hij (wel) eigenaar is van een onbebouwd stuk grond. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat het stuk grond geen enkele waarde heeft. Een taxatierapport ontbreekt. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij de grond inderdaad allang had kunnen verkopen en dat dat alsnog kan en moet gebeuren. Uit zijn verklaringen en houding is echter op geen enkele manier gebleken dat hij, in geval van toelating tot de WSNP, van plan is actief de benodigde informatie te zullen verstrekken en te zullen meewerken aan een vlotte verkoop. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] zich voldoende bewust is van de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien en (dus) dat hij die verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen. 3.2.
- Daarnaast geldt ten aanzien van de nakoming van de verplichtingen voor [verzoekster] het volgende. Zij heeft verklaard dat zij niet kan werken en heeft daartoe ter zitting een medische verklaring van 28 maart 2022 van haar ‘regiebehandelaar’ overgelegd. Daarin staat dat zij sinds 16 april 2021 in behandeling is voor trauma. Er is begonnen met een intake, waarna behandelgesprekken hebben plaatsgevonden. De diagnose luidt: ‘posttraumatische stressstoornis bij kinderen van 6 jaar en jonger’. Beleid: traumabehandeling. Ingevolge punt 5.3.
- van de “Bijlage III landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen van [verzoekster] beheersbaar zijn, moet worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring heeft zij echter niet overgelegd. Dat ligt ook niet in de rede, want uit de voormelde verklaring van haar behandelaar kan worden afgeleid dat [verzoekster] het traumabehandeltraject nog niet heeft afgerond. Dat [verzoekster] haar leven op de rit zou hebben en dat zij zich in het maatschappelijk verkeer staande weet te houden, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank daarom niet aannemelijk gemaakt. Hieruit volgt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat zij nu de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal (kunnen) nakomen. 4De beslissing De rechtbank: - wijst af de verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van: [verzoeker] en [verzoekster], beiden wonende te [adres, postcode en woonplaats].. Gewezen door mr. D. de Loor, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2022 in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier. De verzoeker heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag dat van deze zaak kennis moet nemen.