RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 18/205 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Nijman). Procesverloop In het besluit van 30 augustus 2017 (primair besluit) heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening 2016 op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) vastgesteld en de buitenlandbijdrage over dat jaar bepaald op € 1.405,
- In het besluit van 12 december 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn, zoals zij van tevoren hebben aangekondigd, niet verschenen. Overwegingen 1.1 Eiser is geboren op [geboortedag] 1934 en woonde ten tijde van belang in België. Sinds juli 2020 woont hij in Wassenaar. Hij ontvangt sinds 1999 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen uit de [B.V.] Niet in geschil is dat eiser geen betaalde werkzaamheden in België heeft verricht en uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen geniet.1.2 Eiser is door verweerder ingevolge de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft daarom met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) en vanaf 1 mei 2010 met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht op zorg in zijn (toenmalige) woonland België, ten laste van pensioenland Nederland. Voor dit recht op zorg stelt verweerder dat eiser op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage is verschuldigd (buitenlandbijdrage) die wordt ingehouden op zijn pensioen. 1.3 In het primaire besluit heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening 2016 op grond van de Zvw vastgesteld en de buitenlandbijdrage over dat jaar bepaald op € 1.405,
- Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser als verdragsgerechtigde ingevolge artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage is verschuldigd.
- Eiser is het niet met verweerder eens. Wat hij in beroep aanvoert komt er in hoofdzaak op neer dat het primaire Unierecht in zijn geval geen grondslag biedt voor toepassing van de Vo 1408/71 en van de Vo 883/2004, omdat hij niet als migrerend werknemer naar België is verhuisd. Ter onderbouwing hiervan heeft hij ook gewezen op de opeenvolgende verblijfsrichtlijnen volgens welke voor een recht op verblijf in een andere lidstaat onder meer de voorwaarde is gesteld dat moet worden beschikt over een ziektekostenverzekering. Dit impliceert volgens eiser dat Titel III, hoofdstuk 1, van genoemde verordeningen niet op zijn situatie van toepassing kan zijn. De Verordeningen missen ook toepassing, omdat de Zvw en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) regelingen zijn die medische bijstand betreffen. Om die reden vallen deze wetten niet onder de materiële werkingssfeer van de Vo 883/
- Eiser acht deze verordeningen ook niet van toepassing, omdat hij al ingevolge de Belgische wetgeving recht heeft op geneeskundige verstrekkingen. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser nog op het arrest Hoogstad (C-2016/802). En tot slot meent hij dat artikel 69 van de Zvw en de Regeling zorgverzekeringen niet op hem van toepassing zijn.
- De rechtbank beoordeelt eisers beroep als volgt. 4.1 Tussen partijen is primair in geschil of verweerder over het jaar 2016 ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een buitenlandbijdrage heeft mogen heffen dan wel (laten) inhouden op eisers pensioen. Meer specifiek is hierbij de vraag aan de orde of eiser terecht als zogenoemde verdragsgerechtigde is aangemerkt. Dit geschilpunt is al in een aantal procedures bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan de orde geweest met betrekking tot jaarafrekeningen over eerdere jaren. 4.2 De rechtbank is van oordeel dat eiser in ieder geval vanaf het moment dat hij in België is gaan wonen in 1994 valt onder de personele werkingssfeer van de Vo 1408/71 en dat hij vanaf de inwerkingtreding van de Zvw op 1 januari 2006 ingevolge Titel III, hoofdstuk 1 van de Vo 1408/71 recht had op zorg in België voor rekening van Nederland. Vanaf 1 mei 2010 is de Vo 883/2004 op hem van toepassing. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft de toepasselijkheid van de verordeningen, of onderdelen daarvan ook in dit beroep bestreden. De rechtbank stelt vast dat eiser dat op dezelfde of soortgelijke gronden heeft gedaan die hij ook al in eerdere procedures naar voren heeft gebracht. In de in voetnoot 2 genoemde uitspraken is daarover al door de CRvB geoordeeld. Eiser is in zijn betoog niet gevolgd en wordt ook nu daarin niet gevolgd. De rechtbank volstaat hier met een verwijzing naar die uitspraken. 4.3 Eiser heeft verder onder verwijzing naar het Hoogstad-arrest betoogd dat de verordeningen niet op hem van toepassing zijn. De rechtbank volgt hem daarin niet. In het Hoogstad-arrest was de situatie aan de orde dat Hoogstad met twee aanvullende (bedrijfs)pensioenen van een voormalige Belgische werkgever woonachtig was in Ierland. Een wettelijk pensioen uit België of een andere lidstaat van de Europese Unie ontving hij (nog) niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft geconcludeerd dat op deze situatie artikel 13, tweede lid, onder f, van de Vo 1408/71 in verbinding met artikel 13, eerste lid van de Vo 1408/71 van toepassing was, op grond waarvan Hoogstad enkel was onderworpen aan de wetgeving van Ierland. Dit impliceerde dat België de in geding zijnde sociale bijdragen niet mocht inhouden op de aanvullende pensioenen van Hoogstad. Het HvJ stipuleerde hierbij dat het beginsel dat slechts één wetgeving van toepassing is, enkel geldt voor de situaties bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, en 14 tot en met 17 van de Vo 1408/
- Omdat Hoogstad (nog) geen wettelijk pensioen ontving, waren de bepalingen van Titel III, hoofdstuk 1, afdeling 5 van de Vo 1408/71 (nog) niet op hem van toepassing. 4.4 Anders dan Hoogstad, ontvangt eiser naast zijn aanvullende (bedrijfs)pensioen ook een wettelijk pensioen uit Nederland. Op deze situatie, waarin het gaat om het recht op medische zorg van pensioengerechtigden, zijn de bijzondere aanknopingsregels van titel III, hoofdstuk 1, van de Vo 1408/71 en van de Vo 883/2004 van toepassing en niet artikel 13, tweede lid, onder f, van de Vo 1408/71 of vanaf 1 mei 2010 artikel 11, derde lid, onder e, van de Vo 883/
- Dit betekent dat, anders dan in het Hoogstad-arrest het geval was, op de situatie van eiser artikel 27 en volgende van de Vo 1408/71 en artikel 23 en volgende van de Vo 883/2004 van toepassing zijn en dat Nederland op grond van artikel 33 van de Vo 1408/71 (in verbinding met artikel 28 van de Vo 1408/71) dan wel artikel 30 van de Vo 883/2004 (in verbinding met artikel 24 van de Vo 883/2004) bevoegd is een bijdrage te heffen en te innen voor rekening van eiser. De CRvB heeft aldus geoordeeld voor het zorgjaar
- De rechtbank ziet geen aanleiding om voor het in geding zijnde zorgjaar 2016 anders te oordelen. 4.5 De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht als verdragsgerechtigde heeft aangemerkt. Eisers betoog dat de verordeningen toepassing missen, omdat de Zvw en de AWBZ regelingen zijn die medische bijstand betreffen, maakt dit niet anders. Het feit dat deze regelingen medische bijstand betreffen staat de werking van bedoelde verordeningen niet in de weg. De CRvB heeft in een zaak van eiser overwogen dat de Zvw overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 97 van Vo 1408/71 en de artikelen 3 en 9 van de Vo 883/2004 expliciet als prestatie bij ziekte onder de materiële werkingssfeer van de verordeningen is gebracht. 4.6 Dit betekent dat eiser ten tijde van belang recht had op zorg in België ten laste van Nederland en dat hij ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw, daarvoor de buitenlandbijdrage is verschuldigd. Verweerder heeft over 2016 dan ook terecht een buitenlandbijdrage van eiser geheven en deze ingehouden op diens AOW-uitkering. 4.7 Ten slotte merkt de rechtbank nog het volgende op. Eiser heeft in zijn brief van 14 maart 2019 aanvullend nog het een en ander naar voren gebracht. Voor zover daarbij geen sprake is van een herhaling van wat al eerder, of in eerdere procedures, is aangevoerd, stelt eiser daarbij voornamelijk uitspraken van de CRvB aan de orde die niet juist zouden zijn. Die uitspraken staan in dit beroep niet ter discussie en worden hier dan ook niet besproken. 4.8 De rechtbank ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ. Het HvJ heeft al eerder geantwoord op prejudiciële vragen in een soortgelijke zaak en de antwoorden daarop zijn door de CRvB meegenomen in een tweetal zaken van eiser zelf. Eisers beroep roept geen nieuwe rechtsvragen op die nog niet door het HvJ in genoemde en andere arresten zijn besproken en beantwoord. Voor het overige is de juiste toepassing van het Unierecht zo evident, dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de beantwoording van de in geschil zijnde rechtsvragen.
- Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 april
- griffier rechter de griffier is verhinderd te tekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. zie ECLI:EU:C:2016:802 De rechtbank wijst op de uitspraken van de CRvB van 13 december 2011; ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137, van 23 mei 2014; ECLI:NL:CRVB:2014:1858, van 6 januari 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:67, van 21 februari 2019; ECLI:NL:CRVB:2019:584, en meest recent, de uitspraak van 12 oktober 2020; ECLI:NL:CRVB:2020:2447 (waarin ECLI:NL:RBDHA:2019:9161 wordt bevestigd) zie de uitspraak van onder meer 12 oktober 2020; ECLI:NL:CRVB:2020:2447 in met name de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2017; ECLI:NL:RBAMS:2017:295, zijn eisers argumenten uitgebreid aan de orde geweest. De CRvB heeft deze uitspraak in zijn uitspraak van 21 februari 2019; ECLI:NL:CRVB:2019:584, bevestigd. zie de uitspraak van 12 oktober 2020; ECLI:NL:CRVB:2020:2447 zie de uitspraak van de CRvB van 6 januari 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:67 Van Delft e.a. (C-345/09); ECLI:EU:C:2010:610 ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137 en ECLI:NL:CRVB:2011:1148