RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/2340 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2022 in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Süzen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 15 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Bij besluit van 22 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Partijen hebben toestemming verleend om het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Overwegingen Waar gaat deze zaak over?
- Eiser is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij beoogt verblijf bij zijn gestelde partner, mevrouw [referente] (hierna: referente). Tijdens de eerdere aanvragen van eiser heeft verweerder vastgesteld dat er sprake is van een schijnrelatie tussen eiser en referente. Deze besluiten staan inmiddels in rechte vast.
- Op 5 augustus 2020 heeft eiser nogmaals een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij referente. Deze aanvraag ligt nu ter beoordeling aan de rechtbank voor. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die tot een andere beslissing dienen te leiden. Verweerder stelt zich hierbij primair op het standpunt dat eiser geen rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn, nu referente uit Nederland is vertrokken. Verder heeft eiser niet met nieuwe feiten en omstandigheden aangetoond dat er thans aan het huwelijk een oprechte relatie ten grondslag ligt. Een brief waarin wordt vermeld dat eiser en referente voornemens zijn gezamenlijk een woning te kopen is daartoe onvoldoende. Bovendien verricht referente geen reële en daadwerkelijke arbeid. Ook het enkele tijdsverloop levert geen novum op. De afwijzing betekent geen schending van artikel 8 van het EVRM. Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert aan dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Eiser verwijst daarbij naar de brief van [bedrijf] assurantiën, getekend in juli 2020, waarin wordt vermeld dat eiser en referente voornemens zijn een woning te kopen. Bovendien valt niet uit te sluiten dat, indien in rechte vaststaat dat partijen een schijnhuwelijk zijn aangegaan, nadien alsnog een oprechte relatie kan worden aangegaan. Verweerder had in dat kader opnieuw onderzoek moeten doen. Het lange tijdsverloop is op zichzelf al een novum. Tot slot is de afwijzing in strijd met artikel 8 van het EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank stelt vast dat de gronden van beroep precies hetzelfde zijn als wat eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarop in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar van eiser op goede gronden ongegrond verklaard. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd biedt daarom geen grond voor vernietiging van dit besluit. Reeds hierom is het beroep ongegrond. Wat is de conclusie?
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 mei
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zoals bedoeld in artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht. Richtlijn 2004/38/EG. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Richtlijn 2003/86/EG.