← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:4504

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/767304-19 (dagvaarding I) en 09/767106-21 (ttz. gev., dagvaarding II) Datum uitspraak: 12 mei 2022 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] (Polen), zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting Achterhoek te Zutphen. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 oktober 2020, 23 december 2020, 9 maart 2021, 27 mei 2021 (alle pro forma), 24 november 2021 (regie), 8, 9, 10, 11, 14, 15, 18, 23, 24 en 25 maart 2022 (inhoudelijke behandeling) en 3 mei 2022 (sluiting onderzoek). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. de Jonge en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 15 maart 2022 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aanhangig te maken. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijzigingen van de tenlastelegging op de terechtzittingen van 23 december 2020, 8 maart 2022, 14 maart 2022 en 23 maart 2022 - ten laste gelegd dat: Ten aanzien van dagvaarding I 1. (zaaksdossier Echinops) hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 23 juni 2020, te Bodegraven en/of te Woerden en/of te Bergambacht en/of te Waddinxveen, althans in Nederland, als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten in elk geval [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 2], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 lid 3 en/of lid 4 en/of lid 5 en/of artikel 11 lid 2 en/of lid 3 en/of lid 4 en/of lid 5 van de Opiumwet en/of art. 10a van de Opiumwet; 2. (zaaksdossier Siret) hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 17 juni 2020 tot en met 23 juni 2020, te Bodegraven en/of te Woerden en/of te Bergambacht en/of te Waddinxveen, althans in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht 19,96 kilo cocaïne, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 3. (zaaksdossier Siret) hij, op of omstreeks 24 juni 2020, te Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) van een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal (ongeveer) 20.118,- euro, althans een geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie bovenomschreven voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; en/of hij, op of omstreeks 24 juni 2020, te Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal (ongeveer) 20.118,- euro, althans een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van enig voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; 4. (zaaksdossier Oder: Dover/[betrokkene 1]) hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2018 tot en met 23 maart 2018 te Bodegraven, althans in Nederland, en/of te Dover, althans in het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 31 kg cocaïne en/of 10 kg crack en/of 3 kg heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of crack en/of heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 5. (zaaksdossier Antenne: Waarder/[betrokkene 2]) hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2018 tot en met 31 juli 2018 te Gouda en/of te Waarder (gemeente Bodegraven-Reeuwijk) en/of te Bodegraven en/of elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 81 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, hebbende/zijnde hij en/of zijn mededader(s): - naar een garage gereden en/of een aldaar een of meer vrachtwagenband(

  1. en)van - cocaïne verpakt en/of geplaatst en/of verstopt in een of meer vrachtwagenband(
  2. en)en/of - ( meermalen) met elkaar en/of (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(
  3. s)telefonisch contact gehad en/of gelegd en/of onderhouden (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of - ( meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of - voornoemde cocaïne in een auto (kenteken [KENTEKEN 1]) laten plaatsen en/of heeft/hebben geplaatst en/of gehad en/of - in een auto (kenteken [KENTEKEN 1]) gestapt en/of via de A12 in richting van Utrecht is gereden, alwaar de cocaïne zou worden overgedragen aan een of meer mededader(s), om (vervolgens) te worden vervoerd naar Engeland, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; een velg af laten halen en/of gehaald en/of; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: en/of hij op of omstreeks 31 juli 2018 te Gouda en/of te Waarder (gemeente Bodegraven-Reeuwijk) althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 81 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 6. (zaaksdossier Tyne: Port of Tyne/[betrokkene 3]) hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2018 tot en met 19 oktober 2018 te IJmuiden, althans in Nederland, en/of te Port of Tyne, althans in het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 115 cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 7. (zaaksdossier Vecht: Harwich/[betrokkene 4]) hij in of omstreeks de periode van 10 mei 2019 tot en met 16 mei 2019 te Hoek van Holland, althans in Nederland, en/of te Harwich, althans in het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 15 kg cocaïne en/of 93 kg heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 8. (zaaksdossier Siret) hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 17 juni 2020 tot en met 23 juni 2020, te Bodegraven en/of te Woerden en/of te Bergambacht en/of te Waddinxveen, althans in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht 188 kilo hasj, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende hasj, zijnde hasj een middel bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst II; Ten aanzien van dagvaarding II 1. (zaaksdossier Voer: container 2019) hij in de periode van 1 maart 2010 tot en met 21 mei 2019 te Alphen aan den Rijn en/of Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2000 kilogram cocaïne, althans 100 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: althans, hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 23 mei 2019, te Bodegraven en/of Zegveld, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, cocaïne zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/ofte bevorderen, heeft getracht dat feit mede te plegen of zich en/of (een) ander(
  4. en)getracht daarbij behulpzaam te zijn, immers heeft verdachte en/of hebben zijn medeverdachten met dat doel: - afspraken gemaakt om een of meer container(
  5. s)oud ijzer te importeren en/of te vervoeren en/of uit te laden, en/of - een terrein geregeld om een of meer container(
  6. s)met oud ijzer te lossen, terwijl die container(
  7. s)bestemd waren om cocaïne in te vervoeren en/of te testen of cocaïne vervoerd kon worden in dergelijke container(s); 2. (zaaksdossiers Voer+Jetski: partij met stempel RM35) hij in of omstreeks de periode van 6 april 2020 tot en met 22 april 2020 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (ongeveer) 50 kilo cocaïne (blokken met stempel RM35), althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. (zaaksdossiers Voer+Jetski: geripte partij) Hij in of omstreeks de periode van 27 mei 2020 tot en met 29 mei 2020, te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (ongeveer) 1400 kilo cocaïne, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 4. (zaaksdossier Vliet: 400 kilo hasj) Hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2020 tot en met 21 mei 2020, te Estopana in Spanje, althans in Spanje, en/of Perthus in Frankrijk, althans in Frankrijk, en/of Bodegraven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
  8. s)voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen 400 kilo (verwerkte) hennep, althans een grote hoeveelheid (verwerkte) hennep, - naar Spanje is/zijn gereden om die (verwerkte) hennep op te halen, en/of - die (verwerkte) hennep in ontvangst heeft/hebben genomen, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid is, zijnde hasj een middel bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 5. (zaaksdossier Jetski: container met mango'
  9. s)hij in de periode van 26 maart 2020 tot en met 29 maart 2020 te Rotterdam en/of Bodegraven en/of Someren tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1169 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: althans, hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 29 maart 2020, te Bodegraven en/of Someren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, cocaïne zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, heeft getracht dat feit mede te plegen of zich en/of (een) ander(
  10. en)getracht daarbij behulpzaam te zijn, immers heeft verdachte en/of hebben zijn medeverdachten met dat doel: - een container bewaakt, en/of - zich naar de locatie begeven waar de container die te worden uitgepakt, en/of - de container geopend, en/of - ten behoeve van het bewaken en/of vervoeren en/of openen van de container informatie uitgewisseld; 6. (zaaksdossier Jetski: uitvoer Engeland) hij in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met 24 juni 2020 te Brampton en/of Huntingdon en/of Bedford (Verenigd Koninkrijk), althans een of meerdere plaatsen in het Verenigd Koninkrijk en/of Bodegraven, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (meermalen) buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 3Inleiding De zaak tegen de verdachte (hierna ook: [verdachte]) is onderdeel van een groter strafrechtelijk onderzoek, genaamd Echinops. Naar aanleiding van een ander strafrechtelijk onderzoek werd het mobiele telefoonnummer van [verdachte] opgenomen en uitgeluisterd. Uit deze gesprekken is het vermoeden ontstaan dat hij zich bezig zou houden met grootschalige internationale drugshandel. Hierop werd het onderzoek Echinops gestart. Gedurende dit onderzoek zijn onder andere diverse observaties verricht en diverse mobiele telefoons afgeluisterd. Ook is na onderzoek het vermoeden ontstaan dat diverse verdachten gebruik maakten van PGP-telefoons en de versleutelde chatdienst Encrochat. Ook was sprake van relevante Encrochat-berichten uit het onderzoek 26Lemont, die aan het onderzoek Echinops ter beschikking werden gesteld. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken, de observaties en de Encrochat-berichten is bij de opsporingsinstanties het vermoeden ontstaan dat diverse verdachten, voornamelijk met de Poolse nationaliteit, zich in Nederland in georganiseerd verband hebben bezig gehouden met de in- en uitvoer van grote hoeveelheden hard- en softdrugs, onder meer door deze in reservewielen van vrachtwagens te verstoppen. Tevens is gebleken dat diverse verdachten binnen het Echinops onderzoek werkzaam waren bij Uitzendbureau [medeverdachte 13] (hierna: [medeverdachte 13]). Het vermoeden is ontstaan dat de verdachten tijdens hun normale werkuren bij [medeverdachte 13] strafbare feiten hebben gepleegd. Voorts is het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 13] een bijdrage heeft geleverd aan de strafbare feiten door voertuigen, telefoonabonnementen en bedrijfsruimtes voor het plegen van de strafbare feiten beschikbaar te stellen. [medeverdachte 13] is daarom ook als verdachte aangemerkt in het onderzoek Echinops. Naar aanleiding van het onderzoek zijn tien zaaksdossiers gevormd die deel uitmaken van het Echinops-dossier. Een van de zaaksdossiers heeft betrekking op de verdenking van deelname aan een criminele organisatie, waarbij de verdenking is dat [verdachte] en een persoon genaamd [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) de leiders zouden zijn en dat de overige verdachten hebben deelgenomen aan de criminele organisatie. De overige zaaksdossiers betreffen – kort samengevat – de navolgende verdenkingen. Om een volledig beeld te schetsen van de omvang van de verdenkingen en de organisatie worden alle zaaksdossiers kort besproken, ook de zaaksdossiers die niet op de tenlastelegging staan. Siret-Echinops (uitvoer 19,96 kilo cocaïne en 188 kilo hasj) Op maandag 22 juni 2020 werd nabij de plaats Hamburg in Duitsland een vrachtwagen door de douane staande gehouden en gecontroleerd. De bestuurder van deze vrachtwagen bleek te zijn genaamd [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]). Tijdens de controle bleek dat onder de vrachtwagen een drietal reservewielen zat die vol waren geladen met verdovende middelen, te weten ongeveer 211 kilo hasj en ongeveer 40 kilo cocaïne. [betrokkene 5] is door de rechtbank in Duitsland veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken en na nader onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de partij drugs vanuit Nederland werd vervoerd met als eindbestemming Noorwegen en dat [verdachte], samen met anderen, te weten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]), [medeverdachte 5], [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8]) en [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]) hierbij betrokken zouden zijn. [betrokkene 6] is tot op heden, ondanks een Europees arrestatiebevel, onvindbaar en niet aangehouden door de politie. Siret-Echinops (hypotheekfraude) Dit dossier is alleen relevant voor [medeverdachte 10] en zal in zijn vonnis worden besproken. Siret-Echinops (witwassen van € 20.118,-) Op 24 juni 2020 werd [verdachte] op het adres [adres 1] in [woonplaats] aangehouden. In deze woning werd onder andere een geldbedrag van in totaal € 20.118,- aangetroffen. Het vermoeden is dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Siret-Echinops (witwassen van € 226.160,-) Op woensdag 24 juni 2020 werden [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] genaamd (hierna: [medeverdachte 6]), aangehouden. Dit adres betrof het verblijfsadres van [medeverdachte 4]. In deze woning werd volgens de politie onder andere een geldbedrag van in totaal € 226.1560,- aangetroffen. Het vermoeden is dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Siret-Echinops (aanwezig hebben van 45 kilo cocaïne, 98,5 kilo hasj en 6,4 kilo hennep) Op 24 juni 2020 werden op het adres [adres 2] in [woonplaats] [medeverdachte 2], [medeverdachte 5], [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9]) en [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7]) aangehouden. Dit adres betrof het BRP-adres van [medeverdachte 4] maar na onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 2] de hoofdbewoner was van deze woning. Tijdens de doorzoeking werden in een van de vier slaapkamers twee rolkoffers en een sporttas met daarin ongeveer 45 kilo cocaïne aangetroffen. In de inpandige garage werden drie verhuisdozen aangetroffen met daarin volgens de politie 98,5 kilo hasj en 6,4 kilo hennep. Siret-Echinops (voorhanden hebben vuurwapen) Tevens werd in een van de slaapkamers in de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] een semi-automatisch vuurwapen aangetroffen. Antenne Op 31 juli 2018 werd door S. [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) een vrachtwagenband aangeboden bij [bedrijf 1] in [vestigingsplaats]. Zijn verzoek aan het bedrijf was om de band van de velg los te maken. Bij het verwijderen van de band van de velg zag de medewerker van het bedrijf een pakketje in de band. Hij vermoedde dat het pakketje verdovende middelen bevatte. De medewerker stuurde [betrokkene 2] weg en belde de politie. Naar aanleiding van de melding werd kort daarna [betrokkene 2] aangehouden. In de bestelbus waarin [betrokkene 2] reed, lagen twee vrachtwagenbanden. Daarin was 81 kilo cocaïne verborgen. Het gerechtshof Den Haag heeft [betrokkene 2] in hoger beroep veroordeeld voor het vervoeren van 81 kilo cocaïne op 31 juli 2018 en voor het samen met [betrokkene 1] uitvoeren van 44 kilo harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk (zie zaaksdossier Oder hierna). Na nader onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [verdachte] ook betrokken was bij het transport van de 81 kilo cocaïne. Oder Op 23 maart 2018 werd in Dover te Engeland een Poolse vrachtwagencombinatie gecontroleerd. Tijdens de controle werd in een van de reservewielen 31 kilo cocaïne, 10 kilo crack-cocaïne en drie kilo heroïne aangetroffen. De bestuurder bleek te zijn genaamd [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). [betrokkene 1] werd in Engeland veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 126 maanden. Na nader onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [verdachte] ook hierbij betrokken was. Tyne Op 19 oktober 2018 werd in Port of Tyne te Engeland een Poolse vrachtwagencombinatie gecontroleerd. Tijdens de controle werd in twee reservewielen 115 kilo cocaïne aangetroffen. De bestuurder bleek te zijn genaamd [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]). Na onderzoek van de telecom- en de ANPR-gegevens kon ook een tweede verdachte worden aangehouden, genaamd [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7]). Na nader onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [verdachte], [medeverdachte 1] en een persoon genaamd [medeverdachte 11] (hierna: [medeverdachte 11]) ook hierbij betrokken waren. Vecht Op 16 mei 2019 werd in Harwich te Engeland een vrachtwagencombinatie gecontroleerd. Tijdens de controle werden in twee van de reservewielen 93 pakketten heroïne en 15 pakketten cocaïne aangetroffen. De bestuurder bleek te zijn genaamd [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]). Na nader onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ook hierbij betrokken waren. Vliet Op 21 mei 2020 werd in Boulou te Frankrijk een Poolse vrachtwagen gecontroleerd bij de grensovergang van Spanje naar Frankrijk. In de vrachtwagen werd 407 kilo cannabis aangetroffen. De chauffeurs bleken te zijn genaamd [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8]) en [betrokkene 9]. [betrokkene 8] en [betrokkene 9] werden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en een boete van € 712.000,-. Na nader onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ook hierbij betrokken waren. Vlist Op 24 april 2020 werden in Spanje twee voertuigen met Poolse kentekens gecontroleerd. In een van de voertuigen werd in een dubbele bodem 12 kilo marihuana aangetroffen. De chauffeurs waren [medeverdachte 1], [medeverdachte 7] en [betrokkene 10]. In afwachting van het proces werden de verdachten in vrijheid gesteld. Na nader onderzoek is het vermoeden ontstaan dat ook [verdachte] en [medeverdachte 4] hierbij betrokken waren. [betrokkene 10] was de toenmalige partner van [medeverdachte 4]. Hij is op 1 oktober 2020 tijdens een motorongeluk in Polen om het leven gekomen. Voer (container 2019) Op 21 mei 2019 werd op de [adres 3] te [woonplaats] een zeecontainer met oud ijzer gelost. Op dit adres is [medeverdachte 12] (hierna: [medeverdachte 12]) woonachtig. De zeecontainer was afkomstig uit Zuid-Amerika en was opgehaald vanaf de kade van Antwerpen door een vrachtwagen, die op naam stond van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]). De bestuurder van deze vrachtwagen was [betrokkene 8]. [medeverdachte 12] is de bestuurder van [bedrijf 2]. De zeecontainer werd gelost in het bijzijn van onder anderen [medeverdachte 12], [verdachte] en [medeverdachte 2]. Het oud ijzer werd door [medeverdachte 12] verkocht aan een oud ijzer handelaar. De opbrengst hiervan werd gestort op de rekening van [bedrijf 2]. De waarde van het oud ijzer verhield zich niet met de gemaakte kosten om het oud ijzer naar Nederland te verschepen. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat het oud ijzer werd gebruikt als deklading en dat zich in de container verdovende middelen bevonden. Hierbij zouden [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 12] betrokken zijn. Dit vermoeden werd versterkt door het feit dat [verdachte] en [medeverdachte 2] een dag later in een garagebedrijf in Rotterdam werden aangehouden, waar meer dan 100 kilo cocaïne werd aangetroffen. Voer+Jetski (partij met stempel RM35) Op de [adres 4] te [vestigingsplaats] zijn de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 3] gevestigd. [medeverdachte 12] is voor 90% eigenaar van [bedrijf 3]. Uit de onderschepte berichten van Encrochat van de accounts die vermoedelijk toebehoorden aan [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is het vermoeden ontstaan dat in het pand van het bedrijf [bedrijf 3] aan de [adres 4] te [vestigingsplaats] enkele honderden kilo's verdovende middelen hebben gelegen en dat [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 12] hierbij betrokken waren. Voer+Jetski (geripte partij) Het vermoeden is dat in de nacht van 28 op 29 mei 2020 vanuit het bedrijf [bedrijf 3] op de [adres 4] te [vestigingsplaats] een bestelauto is weggenomen. Uit de onderschepte berichten van Encrochat is tevens het vermoeden ontstaan dat in deze bestelauto een grote hoeveelheid cocaïne lag. Voorts is het vermoeden ontstaan dat [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 12] hierbij betrokken waren. Jetski (container met mango’
  11. s)Op donderdag 26 maart 2020 werd na TCI-informatie in de Rotterdamse haven een container gecontroleerd door medewerkers van de douane. Deze container was geladen met als deklading mango's afkomstig uit Brazilië. Na het openen van de container werd tussen de deklading in totaal 1170 kilo cocaïne aangetroffen. Door de douane werd de cocaïne uit de container gehaald. De deklading werd teruggeplaatst en de container werd voorzien van een peilbaken. Uit de bakengegevens, observaties en de berichten uit Encrochat is het vermoeden ontstaan dat onder anderen [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] hierbij betrokken waren. Jetski (uitvoer Engeland) Uit Encrochat berichten is het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 9], in samenwerking met [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 11], diverse malen als chauffeur verdovende middelen naar Engeland heeft gereden. [verdachte] wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de zaaksdossiers Siret-Echinops (uitvoer 19,96 kilo cocaïne en 188 kilo hasj) (dagvaarding I de feiten 2 en 8), Siret-Echinops (witwassen van € 20.118,-) (dagvaarding I feit 3), Oder (dagvaarding I feit 4), Antenne (dagvaarding I feit 5), Tyne (dagvaarding I feit 6), Vecht (dagvaarding I feit 7), Voer (container 2019) (dagvaarding II feit 1), Voer+Jetski (partij met stempel RM35)(dagvaarding II feit 2), Voer+Jetski (geripte partij) (dagvaarding II feit 3), Vliet (dagvaarding II feit 4), Jetski (container met mango’
  12. s)(dagvaarding II feit 5) en Jetski (uitvoer Engeland)(dagvaarding II feit 6) en dat hij als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (dagvaarding I feit 1). 4. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van dagvaarding II feit 4 (zaaksdossier Vliet) 4.1 Het niet-ontvankelijkheidsverweer De raadsman van de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van dit feit omdat – kort gezegd – het ontbreekt aan een deugdelijke grondslag voor de vestiging van rechtsmacht. Daartoe heeft de raadsman van [medeverdachte 3] aangevoerd dat wanneer een niet-Nederlandse verdachte zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat strafbaar is gesteld in de Opiumwet zonder dat is komen vast te staan dat de verdovende middelen bedoeld zijn voor de Nederlandse markt, Nederland geen rechtsmacht heeft ten aanzien van die gedragingen. Nu sprake is van een verdachte met de Poolse nationaliteit en onbekend is of de verdovende middelen naar Nederland zouden worden uitgevoerd, heeft Nederland geen rechtsmacht en dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard te worden. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er wel rechtsmacht is voor vervolging omdat het transport door de criminele organisatie vanuit Nederland is gecoördineerd en Nederland derhalve medepleegplaats is. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, is een vraag die de rechtbank op grond van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ambtshalve dient te toetsen. De rechtbank zal daarom bovenstaand verweer ook in deze zaak bespreken. Aan de orde is de vraag of Nederland als medepleegplaats kan worden aangemerkt voor het hasjtransport. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Uit het dossier blijkt niet dat dit transport vanuit Nederland is gecoördineerd of dat een van de - Poolse - verdachten vanuit Nederland bemoeienis heeft gehad met dit transport. Het verweer slaagt dan ook en de rechtbank zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van dit feit. 5. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van dagvaarding II feit 6 (zaaksdossier Jetski, uitvoer VK) 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 6 tenlastegelegde. De rechtsmacht ontbreekt, nu [verdachte] niet de Nederlandse nationaliteit heeft, de gedragingen zich niet op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld en ook de verdovende middelen niet voor de Nederlandse markt bestemd waren. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging, onder verwijzing naar artikel 13, derde lid, van de Opiumwet, dient te worden verworpen. 5.3 Het oordeel van de rechtbank De verdachte wordt verweten dat hij – kort samengevat – meermalen met anderen een grote hoeveelheid cocaïne vanuit Nederland heeft uitgevoerd naar het Verenigd Koninkrijk. Zoals hieronder bij de bespreking en beoordeling van dit tenlastegelegde feit zal blijken, gaat de rechtbank ervan uit dat door de verdachten ook gedragingen vanuit Nederland zijn verricht en dat steeds één van de Poolse (mede)verdachten vanuit Nederland bemoeienis heeft gehad met de transporten. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen. Het Openbaar Ministerie is mitsdien ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. 6Rechtmatigheid Encrochat bewijs 6.1 Inleiding In de zaken van het onderzoek Echinops waarin Encrochat bewijs een rol speelt, hebben de raadslieden gezamenlijk verweer gevoerd ten aanzien van de rechtmatigheid van de Encrochat data. De rechtbank beschouwt deze verweren, waaronder begrepen de op voorhand toegezonden schriftelijke standpunten en de gedane verzoeken, als ter terechtzitting voorgedragen in alle zaken waarin de raadslieden hebben aangegeven zich daarbij aan te sluiten. Waar de rechtbank hierna verwijst naar ‘de verdediging’ wordt dan ook gedoeld op de verdediging in al die zaken waarin de raadslieden hebben aangegeven zich daarbij aan te sluiten. 6.2 Het standpunt van de verdediging 6.2.1 Aanhoudingsverzoek De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, desnoods voor een periode van zes maanden, omdat in Frankrijk het constitutioneel hof naar verwachting binnen twee maanden uitspraak zal doen en een mogelijke uitkomst daarvan kan zijn dat de wijze waarop de Encrochat hack heeft plaatsgevonden onrechtmatig is naar Frans recht. Indien uit die procedure zou volgen dat de Franse justitie meer stukken moet verstrekken, en daaruit zou bijvoorbeeld blijken dat de Nederlandse inzet veel groter is geweest dan door Nederland is toegegeven, dan is dat van belang voor de procedures in het onderzoek Echinops. 6.2.2 Unierecht en prejudiciële vragen De verdediging heeft aangevoerd dat het verwerken, bewaren en gebruiken van de Encrochat data valt onder de werkingssfeer van richtlijn 2002/58 van de EU en daarmee het Unierecht, omdat de autoriteiten zich hebben begeven op het terrein van de elektronische communicatiediensten en hebben gedaan wat in andere situaties een dergelijke dienst wordt verplicht te doen. Daarom dient te worden getoetst aan de bepalingen van richtlijn 2002/58, in het licht van de bepalingen zoals genoemd in het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: Handvest). Wanneer de verwerking, bewaring en gebruikmaking van de data niet valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/58, valt het binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/680 en dus eveneens onder het Unierecht, hetgeen geen verschil maakt voor de uit te voeren rechtmatigheidstoets. De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van een inbreuk op de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest nu sprake is van algemene en ongedifferentieerde data, waarin verkeers-, locatie-, en persoonsgegevens en inhoudelijke communicatie zijn opgenomen. Die dataset heeft geen houdbaarheidsdatum en kan onbeperkt gebruikt worden door autoriteiten, terwijl er geen zicht is op wat met de data gebeurt, tenzij het wordt gebruikt voor een strafrechtelijk onderzoek, waarvoor dan een controle door de rechter-commissaris plaatsvindt. Door het opslaan en gebruiken van deze gegevens is informatie voorhanden waaruit, in het geheel beschouwd, zeer precieze conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de personen van wie de gegevens zijn bewaard. De wettelijke grondslag voor de inbreuk op deze grondrechten, te weten artikelen 126uba en 126t Sv, voldoet hierbij niet aan de eisen die het Unierecht stelt. Het bewaren van de gegevens is niet strikt noodzakelijk, omdat bij een groot deel van de gebruikers, waaronder in deze zaak, helemaal geen verdenking bestond op basis waarvan kon worden geoordeeld dat een noodzaak bestond om in de data te zoeken, waardoor het bewaren en gebruiken van de data zich niet verhoudt met het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 52 Handvest. Gelet op het voorgaande verzoekt de verdediging de rechtbank primair om de aan het dossier toegevoegde Encrochat berichten van het bewijs uit te sluiten, hetgeen tot een integrale vrijspraak zou moeten leiden. Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). De interpretatie van de betrokken Unierechtelijke bepalingen is relevant voor de beoordeling van de vragen van artikel 348 en 350 Sv. Er is geen sprake van een acte éclairé of een acte clair. Daarnaast bestaat de noodzaak uit het feit dat de beantwoording van de vragen van doorslaggevend belang is voor de beoordeling van het bewijs tegen de verdachte, betreffen het rechtsvragen waarover niet eerder in Nederlandse jurisprudentie inhoudelijk is beslist, terwijl de beslissingen op onderzoekswensen die er thans liggen en die ingaan op het Unierecht, daar een onjuiste uitleg aan geven. Tot slot is het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en een efficiënte rechtsbedeling noodzakelijk om helderheid te krijgen over de rechtmatigheid van het bewaren en gebruiken van de Encrochatdata, ook voor andere strafzaken. 6.2.3 EVRM De verdediging heeft aangevoerd dat de wijze waarop de Encrochatdata door de Franse opsporingsdiensten zijn verzameld en verstrekt, is geschied in strijd met artikel 8 EVRM (het recht op privacy). Er zijn verschillende aanwijzingen dat het feitelijke doel van de Encrochat hack was om bulkcommunicatie van Encrochat gebruikers te onderscheppen, terwijl helemaal geen verdenking bestond tegen deze gebruikers. De machtiging door de Franse rechter had daarvoor nooit mogen worden afgegeven. Dit levert in beginsel een inbreuk op het recht op private life op. Als niet aan de voorwaarden voor een dergelijke inbreuk is voldaan, dan is mogelijk ook artikel 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces) geschonden. Materiaal dat in strijd met artikel 6 EVRM is verkregen, moet van het bewijs worden uitgesloten. Om dit te kunnen onderzoeken heeft de verdediging alle Franse stukken nodig die zien op de inzet van de bevoegdheid tot onderschepping van de Encrochat berichten. Bij een schending van artikel 6 EVRM moet een rechtmatigheidstoets in volle omvang plaatsvinden. Anders ontbreekt het aan een effective remedy als bedoeld in artikel 13 EVRM en artikel 47 Handvest. De hack is bovendien door middel van de interceptietool geplaatst op de individuele telefoontoestellen van de gebruikers. Als die toestellen zich op dat moment in Nederland bevonden, is daarmee inbreuk gemaakt op de soevereiniteit van Nederland. Het vertrouwensbeginsel gaat in dat geval niet op. Indien zou blijken dat in Frankrijk opsporingshandelingen zijn verricht onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse opsporingsautoriteiten, dan kan geen beroep meer worden gedaan op het vertrouwensbeginsel en moet de Nederlandse strafrechter toetsen of artikel 8 EVRM daarbij is nageleefd. Uit onder meer de Britse stukken blijkt dat de Nederlandse opsporingsdiensten een grotere rol hebben gespeeld bij de onderschepping van de Encrochat berichten dan het OM naar buiten heeft gebracht. Daar komt bij dat het OM de rechtbank en de verdediging bewust onjuist heeft voorgelicht. De interceptie van de Encrochatdata heeft immers niet op de server, maar op de Encrochat telefoons plaatsgevonden en het onderzoek 26Lemont was wel degelijk gericht op de individuele gebruikers van die toestellen en niet op het bedrijf Encrochat en de daaraan gelieerde personen zoals het OM steeds heeft gesteld. Dat levert een onherstelbaar vormverzuim op. Ook de Nederlandse opsporingsdiensten hebben mogelijk in strijd met artikel 8 EVRM gehandeld, hetgeen ook een schending van artikel 6 EVRM kan opleveren. Maar ook als geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM, kan een inbreuk op artikel 8 EVRM via artikel 359a Sv mogelijk worden gesanctioneerd. Het onderzoek 26Lemont maakt namelijk deel uit van het voorbereidend onderzoek in de onderhavige zaak. Volgens de HR kunnen bovendien vormverzuimen die buiten het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte zijn begaan, aanleiding geven om de sancties uit artikel 359a Sv toe te passen, namelijk als het vormverzuim is begaan tegen de verdachte en als het een bepalende invloed heeft op het opsporingsonderzoek. Om te kunnen motiveren dat een eventueel vormverzuim moet leiden tot een rechtsgevolg, moet de verdediging toegang krijgen tot alle stukken van het onderzoek 26Lemont. Dit alles brengt mee dat op de voet van artikel 359a Sv de officier van justitie niet meer in de vervolging kan worden ontvangen, althans dat de Encrochatdata onrechtmatig zijn verkregen en dus niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, dan wel dat dit tot strafvermindering moet leiden. 6.2.4 126 uba Er heeft in Nederland geen toereikende wettelijke grondslag bestaan voor het verkrijgen van toegang tot en het onderzoeken van de Encrochat data, volgens de verdediging. De Nederlandse opsporingsdiensten hebben de beschikking gekregen over bulkdata die zij wilden gaan gebruiken voor de opsporing van strafbare feiten. Het Nederlandse strafrecht biedt daarvoor geen wettelijke grondslag. Artikel 126uba Sv ziet op het binnendringen in een geautomatiseerd werk, maar de Nederlandse opsporingsdiensten hebben dat niet gedaan, dat hebben de Franse opsporingsdiensten gedaan. De bevoegdheid van artikel 126uba Sv is ten onrechte toegepast. Ook om deze reden zijn de artikelen 8 en 6 EVRM geschonden. Bovendien is niet alleen binnengedrongen in de server van Encrochat, maar ook in de telefoons van individuele Encrochat gebruikers, terwijl er nog geen verdenking tegen individuele gebruikers bestond. Daarmee is niet voldaan aan het eerste lid van artikel 126uba Sv. 6.2.5 Betrouwbaarheid Encrochat data De verdediging heeft voorts aangevoerd dat in de dataset van Echinops veel berichten zijn weggevallen dan wel onvolledig zijn. Het lijkt erop dat in Echinops, net als in onderzoek Flamenco, 10% van de berichten ontbreekt. Gesprekken kunnen dus onvolledig zijn, zodat de Encrochat berichten als bewijsmiddel ondeugdelijk zijn en de rechtbank deze niet voor het bewijs mag gebruiken. Voor zover de rechtbank de Encrochat berichten wel voor het bewijs wil gebruiken, doet de verdediging het verzoek het NFI onderzoek te laten doen naar de volledigheid en de betrouwbaarheid van de dataset in Echinops. 6.2.6 Gebruik zendmastgegevens De verdediging heeft gesteld dat de zendmastgegevens gelet op de wijze van verkrijging niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, en heeft daarbij verwezen naar het Prokuratuur arrest van het Hof van Justitie. 6.2.7 Conclusie De rechtbank heeft in dit verband tot nu toe alle verzoeken van de verdediging afgewezen, waardoor een veroordeling in strijd zal zijn met het recht op een fair trial. De rechtbank zou haar beslissingen moeten heroverwegen en de onderzoekswensen alsnog moeten inwilligen. Omdat het OM met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachten heeft gehandeld, dient het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair moeten alle berichten worden uitgesloten van het bewijs en moeten de verdachten worden vrijgesproken. Meer subsidiair moet dit tot strafmatiging leiden. 6.3 Het standpunt van de officier van justitie 6.3.1 Aanhoudingsverzoek De officier van justitie heeft gesteld dat de rechtsvraag in de procedure bij het Franse constitutionele hof is of in die zaak meer stukken zouden moeten worden gevoegd, omdat bepaalde stukken zijn aangemerkt als staatsgeheim. Dat in die geheime stukken meer informatie zou staan over Nederlandse betrokkenheid bij de Encrochat hack, is een blote suggestie. De rechtmatigheid van het Franse onderzoek naar Encrochat is niet de voorliggende vraag. Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat we ervan uit mogen gaan dat de in Frankrijk ingezette opsporingsmiddelen op rechtmatige wijze zijn ingezet. Het aanhoudingsverzoek moet daarom worden afgewezen. 6.3.2 Unierecht en prejudiciële vragen De officier van justitie bestrijdt niet dat het Unierecht van toepassing is. Het gaat hier echter niet om de bewaarplicht die op providers rust. De door de verdediging aangehaalde richtlijnen en bijbehorende jurisprudentie uit Luxemburg hebben uitdrukkelijk geen betrekking op de opsporing, omdat die met zoveel woorden is uitgesloten van die wetgeving. Op de opsporing is richtlijn 2016/680 van toepassing. De privacywaarborgen uit die richtlijn zijn in Nederland geïmplementeerd in de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). Het is onjuist dat de uit Frankrijk ontvangen data ‘ongelimiteerd’ gebruikt en opgeslagen worden. De verdediging geeft nergens concreet aan welke norm uit de Wpg geschonden is en waarom dat een rechtsgevolg in deze zaak zou moeten krijgen. De Wpg bevat geen strafvorderlijke voorschriften waarin het toezicht aan de strafrechter is toebedeeld. De verdediging stelt voorts dat de ‘serverdata’ zonder grondslag of controle worden verwerkt. Dat is onjuist. De verwerking van die gegevens vindt eveneens plaats binnen het raamwerk van de Wpg. In strafvorderlijk opzicht werden de gegevens ontvangen in een lopend opsporingsonderzoek. Het delen van gegevens ten behoeve van gebruik voor bewijs door Frankrijk kende een grondslag in het Europees recht, te weten artikel 7 van de EU Rechtshulpovereenkomst uit 2000. Dat regelt de situatie waarin gegevens anders dan op verzoek ter beschikking worden gesteld van een ander land. Dergelijke serverdata hadden ook in Nederland rechtmatig kunnen worden verkregen zonder rechterlijke machtiging, bijvoorbeeld op grond van artikel 125i of 96c Sv. Er was dus ook geen aanleiding om ten aanzien van die serverdata eenzelfde extra waarborg in te bouwen, zoals is gedaan met het live gehackte inhoudelijke berichtenverkeer van de gebruikers. Het gebruik van de Encrochatdata door de opsporingsdiensten in Nederland kende een goede wettelijke basis en deze verwerking was voorzien van voldoende waarborgen, waaronder een rechterlijke toets vooraf en achteraf. Aan de rechter-commissaris is vooraf voorgelegd dat onderzoek Echinops betrekking had op een crimineel samenwerkingsverband dat zich vermoedelijk bezighield met het plegen van 12-jaarsfeiten. Daardoor viel het binnen de reikwijdte van artikel 126uba Sv en is terecht een machtiging verleend. Er is dus geen begin van onrechtmatigheid vast te stellen met betrekking tot het verkrijgen of verwerken van de Encrochat berichten in onderzoek Echinops. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen miskent de verdediging dat de rechtbank Unierecht moet toepassen en ook van een uitleg mag voorzien. Er is geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen door een andere rechter dan de hoogste nationale rechter. Het is wenselijk dat eerst zoveel mogelijk de feiten zijn vastgesteld. Er is geen aanleiding om nu prejudiciële vragen te stellen en daarom moet dit verzoek worden afgewezen. 6.3.3 EVRM Een Franse onderzoeksrechter heeft in een Frans onderzoek op basis van een verdenking aan Franse opsporingsdiensten de opdracht gegeven om in Frankrijk een bevoegdheid naar Frans recht in te zetten. De inzet van de bevoegdheid vond dus plaats onder verantwoordelijkheid van Frankrijk. Gelet op het vertrouwensbeginsel wordt niet getoetst of het Franse recht voldoende grondslag bood voor het hacken. Er is geen aanleiding te denken dat dit naar Frans recht onrechtmatig was. Er was een strafvorderlijke basis voor het ontvangen van de serverdata door Nederland en later voor het ontvangen van het inhoudelijke berichtenverkeer. Er is daarbij ook nog voorzien in een rechterlijke toetsing voordat het inhoudelijke berichtenverkeer werd gehackt. Een verdachte kan concrete inbreuken op zijn grondrechten in volle omvang aan de rechter voorleggen. Uit de aanvragen blijkt echter dat het onderzoek 26Lemont zich richtte op het bedrijf Encrochat. Om de medeplichtigheid aan eventuele strafbare feiten van gebruikers te onderzoeken én het witwassen van gelden afkomstig van die gebruikers, was het nodig om ook strafbaar handelen door gebruikers te onderzoeken. Dat onderzoek was instrumenteel ten behoeve van het onderzoek naar het bedrijf Encrochat. Er was dus geen sprake van misleiding. Alle aanvragen, machtigingen en verlengingen zitten in het dossier dus dit kan ook getoetst worden. Het OM stelt niet dat Encrochat enkel door criminelen werd gebruikt. De rechter-commissaris is juist geïnformeerd over het gebruik van Encrochat telefoons door de Echinops verdachten. Zij hielden zich daadwerkelijk bezig met ernstige strafbare feiten. Dat maakt de inbreuk niet disproportioneel. De eventuele inbreuk op de privacy van andere Encrochat gebruikers raakt niet aan de verdachte en ligt in deze zaak niet ter toetsing voor. Het EHRM hecht zonder meer belang aan de mogelijkheid voor de verdediging om het gebruik van bewijs te kunnen bestrijden, maar dat hangt wel af van de aard van het bewijs en de vraag of de authenticiteit, betrouwbaarheid en zeggingskracht van dat bewijs worden bestreden. De door de verdediging gevoerde verweren gaan echter niet over de authenticiteit, betrouwbaarheid en zeggingskracht. Aan de equality of arms kan niet worden getwijfeld: de berichten zijn aan de verdediging verstrekt en de verdediging heeft van alle berichten kennis kunnen nemen. Er is verder wél ten volle verantwoording afgelegd over de rechterlijke toets die vooraf en achteraf heeft plaatsgevonden in Nederland. Het recht op een eerlijk proces is niet geschonden. 6.3.4 126 uba De Encrochat berichten werden ontvangen tijdens de looptijd van een Joint Investigation Team (hierna: JIT) met Frankrijk. Een JIT overeenkomst is daarvoor een rechtsgrond, dat volgt uit het JIT kaderbesluit. Omdat werd onderkend dat de door Frankrijk in te zetten bevoegdheden mogelijk ook de privacy zouden raken van nog onbekende gebruikers, werd ook in Nederland een rechterlijke machtiging gevraagd, hoewel de bevoegdheid werd ingezet in Frankrijk door de Franse opsporingsautoriteiten. De rechter-commissaris heeft vervolgens ook voorzien in een toets per onderzoek, zoveel mogelijk in lijn met de normale vereisten van artikel 126uba Sv. Er was daarmee afdoende rechtsbasis voor het ontvangen van de berichten uit Frankrijk en de door de rechter-commissaris aangelegde toets was ook voorzienbaar, nu zoveel mogelijk bij de wet is aangesloten. 6.3.5 Betrouwbaarheid Encrochatdata Een deskundige heeft gerapporteerd over de ontbrekende berichten in de Encrochatdataset. De onvolledigheid kan zijn veroorzaakt door het niet werken van de hack of de door een gebruiker ingestelde burn time, maar is niet te wijten aan de opsporingsdiensten. De verdediging heeft niet concreet aangegeven dat relevante passages in de gesprekken zouden missen, met uitzondering van een drietal gesprekken waarvan slechts de berichten van één van de gesprekspartners beschikbaar zijn. Dat maakt de berichten die er wel in zitten, op zich niet onbetrouwbaar. Bovendien maken die drie gesprekken geen deel uit van de bewijsconstructie. De (zeer) beperkte onvolledigheid speelt daarom in deze zaak geen enkele rol. Uit de deskundigenrapporten volgt niet dat er twijfel zou zijn over de nauwkeurigheid van de berichten. 6.3.6 Gebruik zendmastgegevens De zendmastgegevens zijn inderdaad zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris opgevraagd, maar het Prokuratuur arrest van het Hof van Justitie dateert van na de aanhoudingen van de verdachten in deze zaak. Er is weliswaar sprake van een vormverzuim, maar daarvan kan het OM geen verwijt worden gemaakt. De toets kan achteraf alsnog worden aangelegd, en de verdediging heeft niet aangegeven welke zendmastgegevens die toets niet zouden doorstaan. Het ontbreken van de voorafgaande toets zou slechts moeten leiden tot de constatering van het vormverzuim. 6.4 Het oordeel van de rechtbank 6.4.1 Inleiding De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de wijze waarop de Encrochatdata zijn verkregen, geanalyseerd en gebruikt, in strijd is met het EVRM, het Handvest, het Unierecht en/of het nationale recht. Deze vraag is inmiddels in meerdere zaken door rechtbanken beantwoord. Hoewel elke zaak anders is, zijn sommige verweren en de daarmee samenhangende rechtsvragen op dezelfde wijze aan de orde gekomen. Evenals raadslieden in verschillende Encrochat zaken hebben gedaan, hebben rechtbanken, om praktische redenen en omwille van de rechtseenheid, op onderdelen bij elkaars overwegingen aangesloten. Ook deze rechtbank zal, om dezelfde redenen en voor zover zij niet tot een ander oordeel komt, overwegingen uit andere uitspraken overnemen. In deze zaak heeft de rechtbank al eerder beslist op verweren met betrekking tot Encrochat, te weten bij tussenbeslissingen van 9 maart 2021 en 3 december 2021. De rechtbank komt thans tot eindbeslissingen. Om de Encrochat verweren te kunnen beoordelen, staat de rechtbank eerst stil bij de wijze waarop de Encrochat communicatiedienst werkte. Daarna komt aan de orde de wijze waarop de Encrochatdata door de Franse opsporingsdiensten zijn verkregen en zijn gedeeld met de Nederlandse opsporingsdiensten, en hoe de Encrochatdata vervolgens in het onderzoek Echinops terecht zijn gekomen. Daarna zal de rechtbank beslissen op het aanhoudingsverzoek met betrekking tot de Franse procedure, de Encrochat verweren beoordelen en beslissen op het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen en de verzoeken tot het doen van nader onderzoek. 6.4.2 Beschrijving Encrochat Encrochat was een aanbieder van telefoons waarmee door middel van de Encrochat-applicatie versleutelde chats (bestaande uit tekstberichten en foto’
  13. s)konden worden verzonden en ontvangen en waarmee onderling gebeld kon worden. Ook was het mogelijk om notities te bewaren op de telefoons. De gebruiker had niet de mogelijkheid om zelf applicaties te installeren op het toestel en dus was het gebruik van zo’n toestel beperkt tot de applicaties die er door de leverancier op waren gezet. Door Encrochat zijn diverse typen telefoons geleverd, waaronder de BQ Aquaris X2 en de BQ Aquaris X3/Carbon. Met de Encrochat applicatie konden de gebruikers alleen onderling en één-op-één met elkaar communiceren. Er konden dus geen groepsgesprekken, zoals bijvoorbeeld bij Whatsapp, worden gevoerd. Deze communicatie kon pas tot stand komen nadat een gebruiker zijn ‘username’ stuurde naar een andere gebruiker met het verzoek om toegevoegd te worden aan diens contactenlijst. Gebruikers konden vervolgens elkaars username opslaan in hun contactenlijst onder een zelfgekozen omschrijving (‘nickname’). Er kon dus slechts gecommuniceerd worden met contacten in de contactenlijst en niet met overige Encrochat gebruikers, ook al was daarvan wel een Encrochat gebruikersnaam bekend. Ieder bericht werd in principe na een vooraf ingestelde tijd automatisch van het toestel verwijderd, ook wel de burn time genoemd. Deze tijd was door de gebruiker aan te passen, maar stond standaard ingesteld op zeven dagen. Tot slot kon de inhoud van een toestel door de gebruiker met een simpele handeling in een keer volledig worden gewist. Dit werd ook wel de panic wipe genoemd. Gebruikers kochten een Encrochat telefoon in combinatie met een abonnement om de service te kunnen gebruiken. De duur van het abonnement was vaak 1, 3 of 6 maanden en kon verlengd worden. De kosten voor het toestel bedroegen ongeveer € 1.000,-- en het bijbehorende abonnement beliep ongeveer € 1.500,-- voor zes maanden. 6.4.3 Het verloop van het onderzoek naar Encrochat en het JIT De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier, waaronder ook stukken overgelegd door de verdediging uit Engelse strafzaken, alsmede de mededelingen van de officier van justitie, het volgende verloop af van het onderzoek naar het bedrijf Encrochat en de justitiële samenwerking in het JIT dat ten behoeve van het onderzoek naar Encrochat door Frankrijk en Nederland is opgericht. 6.4.4 Onderzoek in Nederland Encrochat is al vanaf 2017 in Nederland onderwerp van onderzoek. Op 25 september 2017 is het onderzoek 26Bismarck opgestart naar het ‘georganiseerde verband Encrochat’. De toestellen van Encrochat werden namelijk in diverse strafrechtelijke onderzoeken aangetroffen en in beslag genomen bij personen die van ernstige strafbare feiten werden verdacht. De indruk ontstond bij de politie dat deze telefoons vrijwel uitsluitend in het (georganiseerde) criminele circuit werden gebruikt. De gebruikers van de Encrochat telefoons bleven (doorgaans) onbekend. De onmogelijkheid om de telefoons te herleiden tot de persoon die de telefoon gebruikte in combinatie met de specifieke faciliteiten op die telefoons maakte volgens de politie deze dienst populair binnen bepaalde typen van criminaliteit. De burn time van de berichten en de panic wipe brachten ook mee dat op het moment dat een dergelijk toestel in beslag was genomen én forensisch kon worden ontsleuteld daaruit toch maar zeer beperkt berichtenverkeer kon worden uitgelezen. Op 10 februari 2020 is (als vervolg op 26Bismarck) het onderzoek onder de naam 26Lemont gestart gericht op het bedrijf Encrochat en de daaraan gelieerde natuurlijke personen. 6.4.5 Onderzoek in Frankrijk In Frankrijk hebben de Franse autoriteiten in 2018 om vergelijkbare redenen ook een strafrechtelijk onderzoek opgestart naar het ‘georganiseerd verband Encrochat’ en de nodige opsporingshandelingen verricht. Zij hebben in dat onderzoek onder meer in januari en oktober 2019 en in februari en juni 2020 kopieën gemaakt van de Encrochat infrastructuur (‘de serverdata’), die zich bevond op de server van hostingprovider OVH in het Franse Roubaix. Over deze server liep namelijk het versleutelde berichtenverkeer van Encrochat en haar gebruikers. De Franse rechter heeft in dat onderzoek ook op 30 januari 2020, op basis van een aanvraag van het Franse OM van een dag eerder, toestemming verleend om de bewuste server in Roubaix te infiltreren en een interceptietool te installeren om ‘live’ informatie te kunnen verkrijgen met betrekking tot uitgewisselde chats tussen de Encrochatgebruikers (de ‘telefoondata’). Op grond van het dossier en de mededelingen van het OM concludeert de rechtbank dat Nederland niet betrokken is geweest bij de ontwikkeling van de interceptietool en bij de aanvraag van de machtiging aan de Franse rechter om deze tool in te zetten. Voor zover de verdediging het tegendeel heeft gesuggereerd, heeft zij geen feiten of omstandigheden aangedragen die deze suggestie kunnen rechtvaardigen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de Franse autoriteiten de aanvraag voor deze machtiging op basis van eigen feiten en omstandigheden hebben onderbouwd en aan de Franse rechter hebben voorgelegd. 6.4.6 Gezamenlijk onderzoek in Nederland en Frankrijk (JIT) In de eerste maanden van 2020 is overleg gevoerd door politie en justitie uit verschillende landen (onder meer Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk) met als doel te komen tot een gecoördineerde aanpak bij het onderzoek naar het bedrijf Encrochat en de daaraan gelieerde personen. Dit gezamenlijke overleg heeft geleid tot de oprichting in april 2020 door Nederland en Frankrijk van een JIT om de verdenkingen tegen Encrochat verder te onderzoeken. Die verdenkingen waren dat het bedrijf Encrochat en de daaraan gelieerde personen zich schuldig maakten aan witwassen, deelname aan een criminele organisatie en medeplichtig waren aan strafbare feiten die door de gebruikers van Encrochat werden gepleegd. Het onderzoek 26Lemont is onderdeel van het JIT. In het JIT is door beide JIT-partners informatie verzameld. Zo zijn de eerdergenoemde serverdata, waarover Frankrijk al de beschikking had, in het JIT gevoegd en door Nederland met rechtshulpverzoeken opgevraagd. In (de aanloop naar de formele formatie van) het JIT is besproken dat het Franse onderzoeksteam – gezien de locatie van de servers – met de door hen ontwikkelde interceptietool Encrochat zou hacken en afgesproken dat de data die door de inzet van die interceptietool door de Franse autoriteiten in hun onderzoek zouden worden verkregen (de ‘telefoondata’) in het JIT gedeeld zouden worden. Op 10 april 2020 is de JIT-overeenkomst door de justitiële autoriteiten van Nederland ondertekend, dit was later dan voorzien vanwege COVID-19. Voorafgaand aan de feitelijke inzet van die interceptietool heeft het Nederlandse OM in het onderzoek 26Lemont op 13 maart 2020 bij de rechter-commissaris te Rotterdam een vordering ingediend om een machtiging op grond van artikel 126uba en 126t Sv te verkrijgen, waarmee het OM een bevel op basis van die artikelen kon uitvaardigen. Het OM heeft de rechter-commissaris daarbij een lijst verstrekt van opsporingsonderzoeken, waarin criminele samenwerkingsverbanden (hierna: CSV’
  14. s)werden onderzocht die gebruik maakten van toestellen van Encrochat. Om toetsing aan het bepaalde in artikel 126uba, eerste lid, Sv mogelijk te maken was daarbij de inhoud van die onderzoeken nader omschreven, evenals de strafbare feiten waarop de desbetreffende CSV’s zich richtten. Onderzoek Echinops stond op die lijst. De rechter-commissaris heeft op 27 maart 2020 een machtiging verleend voor een periode van maximaal vier weken (‘de 126uba-machtiging’), welke periode op 30 maart 2020 inging. De machtiging gold voor de onderzoeken op de lijst bij de aanvraag, waaronder als gezegd onderzoek Echinops, en bevatte voorwaarden voor het gebruik van de data voor de onderzoeken op die lijst en voor gebruik in andere (toekomstige) onderzoeken. Op grond van deze machtiging heeft de officier van justitie op 1 april 2020 een bevel 126uba Sv afgegeven. De machtiging maakt inmiddels (zij het voorzien van enkele zwartgemaakte passages) onderdeel uit van het dossier Echinops. In de machtiging zijn door de rechter-commissaris afwegingen gemaakt en voorwaarden gesteld om de privacy schending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. 6.4.7 De uitvoering van de hack op 1 april 2020 Het Franse onderzoeksteam heeft op 1 april 2020 vanuit Pontoise (Frankrijk) rond 17:15 uur door een infiltratie op de server te Roubaix (Frankrijk) de interceptietool door middel van een update op de Encrochat telefoons geïnstalleerd. Hiermee kon de communicatie van en naar die telefoons worden vastgelegd en naar de Franse autoriteiten worden verzonden. Het Franse onderzoeksteam heeft op deze wijze de Encrochat telefoondata ‘live’ verzameld in de periode van 1 april 2020 te 17:15 uur tot 26 juni 2020 omstreeks 17:00 uur. Deze telefoondata betreffen een kopie van de database die op dat moment op het toestel aanwezig was (waaronder dus ook soms historische data) en data die op dat moment van en naar de telefoon verzonden werden. Het Franse politieteam heeft de opgevangen data gedurende deze periode opgeslagen in computersystemen in Frankrijk. Op 13 juni 2020 heeft het bedrijf Encrochat haar gebruikers gewaarschuwd dat de overheid was binnengedrongen in het systeem en eindigde het berichtenverkeer. Op 26 juni 2020 heeft de Franse politie de onderscheppingsserver uitgeschakeld. In deze periode zijn door de Franse autoriteiten van circa 39.000 telefoons gegevens ontvangen, waarvan circa 9.000 zich in die periode in Nederland bevonden. 6.4.8 Het delen van de door de interceptietool afgevangen data De informatie die is vergaard van de telefoons van de klanten van Encrochat is door het Franse onderzoeksteam op Franse computersystemen geplaatst. Het Franse team heeft het Nederlandse onderzoeksteam vanaf 1 april 2020 toegang tot de Encrochat telefoondata gegeven via een beveiligde verbinding met die computersystemen in Frankrijk. De data zijn via die beveiligde verbinding gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie onder verificatie van de integriteit van de door hen gemaakte kopie door vergelijking van de betrokken hashwaardes. Op 27 juli 2020 heeft de Nederlandse politie van het Franse onderzoeksteam twee harde schijven ontvangen met daarop een kopie van de tussen 1 april 2020 en 26 juni 2020 verzamelde Encrochat telefoondata. Ook hiervan zijn de hashwaardes van de data vergeleken met de hashes van de al eerder gedurende de ‘live-fase’ door de politie gekopieerde data en deze zijn kloppend bevonden tot 24 juni 2020 te 13:07 uur. 6.4.9 Wat is er in Nederland met de verkregen data gebeurd? De Nederlandse opsporingsdiensten beschikten aldus over een enorme hoeveelheid data. Die data kunnen worden onderverdeeld in 3 subcategorieën: - metadata (accountnamen, imei-nummers etc.), verkregen op verschillende momenten en verschillende periodes bestrijkend, waaronder de live periode van 1 april 2020 tot 20 juni 2020 (‘serverdata’); - ‘ live’ binnengekomen inhoudelijke communicatie uit de periode 1 april 2020 tot 20 juni 2020 (‘telefoondata’); - inhoudelijke communicatie van vóór 1 april 2020, meegekomen met het binnenhalen van de data (eveneens ‘telefoondata’). De dataset is door de Nederlandse politie met behulp van algoritmes en zoektermen geanalyseerd en onderzocht. Deels in het kader van reeds bekende onderzoeken die op de hiervoor genoemde lijst stonden die de rechter-commissaris had goedgekeurd, zoals het onderzoek Echinops. Deels op basis van in categorieën ingedeelde zoektermen. 6.4.10 Welke data zijn onderzocht door het Nederlandse onderzoeksteam? Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het Nederlandse onderzoeksteam de beschikking heeft gekregen over álle data, dus niet alleen data afkomstig van Nederlandse toestellen, en dat het onderzoek met de zoektermen zoals dat in 26Lemont is verricht ook is verricht binnen de gehele dataset. Nergens staat beschreven dat vanuit de Franse gegevens een selectie is gemaakt van data afkomstig van Nederlandse telefoons of Nederlandse Encrochat gebruikers. De rechtbank gaat er daarom van uit dat niet alleen de data van Nederlandse toestellen of Encrochat gebruikers zijn onderzocht, maar alle beschikbare Encrochat data. 6.4.11 Hoe zijn de Encrochatdata in onderzoek Echinops terechtgekomen? Op basis van de 126uba-machtiging van de rechter-commissaris te Rotterdam heeft de officier van justitie een bevel afgegeven om de uit Frankrijk verkregen informatie te analyseren binnen de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarden. De voor het onderzoek Echinops relevante Encrochat accounts zijn niet gevonden op basis van trefwoorden. Al in 2019 was in onderzoek Echinops door middel van IMSI-scans gebleken dat sommige verdachten PGP-telefoons gebruikten. Doordat de IMEI-nummers van deze toestellen in het onderzoek Echinops waren vastgelegd, konden deze worden gematcht met de lijst van IMEI-nummers in onderzoek 26Lemont. De informatie die aldus van belang bleek voor het onderzoek Echinops, is vervolgens met toestemming van de officieren van justitie van onderzoek 26Lemont op grond van artikel 126dd Sv verstrekt aan onderzoek Echinops. Ten behoeve van nadere analyse en herleidbaarheid van het sporenmateriaal is de informatie beschikbaar gemaakt in het forensisch systeem Hansken van het NFI. Beoordeling 6.4.12 Aanhoudingsverzoek De verdediging heeft verzocht om aanhouding van de zaken in het onderzoek Echinops omdat in Frankrijk een procedure bij het constitutionele hof aanhangig is, waarvan de uitkomst mogelijk relevant is voor de Echinops zaken. Uit hetgeen door de verdediging en de officier naar voren is gebracht, begrijpt de rechtbank dat de rechtsvraag – kort gezegd – is of de Franse wettelijke regeling, op grond waarvan digitale gegevens mogen worden onderschept met technische middelen die vallen onder Frans staatsgeheim, in strijd is met de Franse grondwet. Als dat het geval is, dan zouden wellicht bepaalde stukken die nu onder het staatsgeheim vallen, aan de verdediging ter beschikking moeten worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet zonder meer dat de uitkomst van de procedure voor het Franse constitutionele hof zou kunnen leiden tot de conclusie dat de Encrochat hack onrechtmatig zou zijn. Bij bevestigende beantwoording van de vraag lijkt het gevolg eerder te zullen zijn dat bepaalde stukken aan de verdediging en aan de Franse rechter ter beschikking zullen worden gesteld. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat er vooralsnog geen aanwijzingen zijn dat daaruit nieuwe informatie naar voren zal komen over eventuele betrokkenheid van Nederlandse opsporingsinstanties. Dat de uitkomst van deze procedure relevante consequenties zou kunnen hebben voor de rechtmatigheid van de verkrijging en het gebruik van de Encrochat data in Nederland, is dan ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek om de uitkomst van de Franse procedure af te wachten daarom af. De rechtbank komt nu toe aan de beantwoording van de vraag of de wijze waarop de Encrochat data zijn verkregen, geanalyseerd en gebruikt, in strijd is met het EVRM, het Unierecht en/of het nationale recht. 6.4.13 Artikel 359a Sv De officier van justitie heeft betoogd dat nu de verkrijging van de Encrochatdata niet in Echinops maar in 26Lemont heeft plaatsgevonden, de rechtbank aan de beoordeling van de rechtmatigheid van de datavergaring niet toekomt. Als daar al een vormverzuim zou zijn begaan, heeft dat immers niet in het voorbereidend onderzoek van Echinops plaatsgehad. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit aan een toetsing niet in de weg staat. Zoals volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889 en 1890) kan toetsing aan de orde komen bij een onrechtmatige handeling jegens de verdachte begaan in een ander voorbereidend onderzoek indien het vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of verdere vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. De rechtbank heeft geconstateerd dat de Encrochat berichten in ieder geval in een aantal zaaksdossiers in het onderzoek Echinops een prominente rol spelen in de bewijsconstructie van de officier van justitie. De rechtbank is daarmee van oordeel dat eventuele vormverzuimen bij de verkrijging en de verwerking van Encrochat data binnen 26Lemont van bepalende invloed zouden kunnen zijn bij het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachten binnen Echinops. Het voorgaande betekent niet dat de rechtbank het onderzoek 26Lemont als voorbereidend onderzoek naar de verdachten in het onderzoek Echinops beschouwt, het betekent uitsluitend dat zij geen reden ziet te oordelen dat het bepaalde in artikel 359a Sv aan verdere toetsing van de datavergaring en/of analyse in de weg staat. 6.4.14 Het interstatelijk vertrouwensbeginsel Voor zover de verweren de verkrijging van de Encrochat data in Frankrijk betreffen, stuiten zij naar het oordeel van de rechtbank wel af op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt volgens vaste rechtspraak namelijk met zich dat ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat (in dit geval Frankrijk) de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt is te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter de genoemde machtiging heeft kunnen verlenen. De rechtbank ziet in het dossier, waaronder begrepen de Britse stukken die door de verdediging zijn overgelegd en de Franse stukken die door de officier van justitie in het dossier zijn gevoegd, geen aanwijzingen waaruit zou kunnen blijken dat in het Franse onderzoek sprake is geweest van een schending van artikel 6 EVRM dan wel van een schending van artikel 8 EVRM die zodanig ernstig is dat deze tevens een schending van artikel 6 EVRM oplevert. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is dan ook onverkort van toepassing en brengt mee dat de Nederlandse strafrechter erop moet vertrouwen dat de interceptie in Frankrijk op basis van een toereikende wettelijke grondslag en in overeenstemming met artikel 8 EVRM heeft plaatsgevonden. Zouden de onderzoekshandelingen in Frankrijk zijn uitgevoerd onder (mede-) verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten, dan dient de Nederlandse strafrechter wél te onderzoeken of de Nederlandse rechtsregels die dat optreden normeren zijn nageleefd. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderzoekshandelingen in Frankrijk (mede) onder verantwoordelijkheid van Nederlandse opsporingsdiensten zijn uitgevoerd. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. De rechtbank heeft hiervoor al geconcludeerd dat Nederland niet betrokken is geweest bij de ontwikkeling van de interceptietool en bij de aanvraag van de machtiging bij de Franse rechter om deze tool in te zetten. Ook met betrekking tot het vergaren van de serverdata en de interceptie van de telefoondata is de rechtbank van oordeel dat dit niet (mede) onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse opsporingsdiensten heeft plaatsgevonden. Dat volgt uit de hiervoor door de rechtbank gegeven beschrijving van het onderzoek, de samenwerking in het JIT en de wijze waarop de Encrochat data door de Franse opsporingsdiensten zijn vergaard en vervolgens met de Nederlandse opsporingsdiensten zijn gedeeld. 6.4.15 EVRM De wijze waarop de Encrochat data vervolgens door de Nederlandse onderzoeksteams (eerst in 26Lemont en daarna in Echinops) zijn geanalyseerd en verwerkt ligt wel ter toetsing voor. Het vertrouwensbeginsel is immers niet van toepassing op onderzoek door de Nederlandse opsporingsdiensten naar de gegevens die zij van de Franse opsporingsdiensten hebben gekregen. De Nederlandse rechter dient te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van het buitenlandse onderzoek in een strafzaak gebruikt wordt gemaakt, geschiedt conform het toepasselijk recht, te weten het EVRM, het Unierecht en het nationale recht. De rechtbank zal ten eerste nagaan of inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Nederland heeft als JIT-partner de beschikking gekregen over de door Frankrijk verkregen data en moet zich bij de verdere verwerking en het delen daarvan met andere onderzoeken rekenschap geven van mogelijke inbreuken die daarmee gepaard kunnen gaan. Omdat het onderzoeksteam in 26Lemont voorzag dat bij de verkrijging en verwerking van de Encrochatdata vanuit Frankrijk mogelijk ook de belangen en rechten van een groot aantal Nederlandse Encrochat gebruikers betrokken zouden zijn, heeft het OM ervoor gekozen een rechterlijke toets te vragen voorafgaand aan de verkrijging en verwerking van de data. Het OM stelt daar op grond van de Nederlandse wetgeving strikt genomen niet toe gehouden te zijn geweest, maar deze stap omwille van de zorgvuldigheid te hebben gezet. Nu de wet niet voorziet in een machtiging voor exact deze situatie, is aansluiting gezocht bij de artikelen 126uba en 126t Sv. De rechter-commissaris heeft het OM in dit verzoek ontvangen en een machtiging verleend. De rechter-commissaris heeft in zijn beschikking van 27 maart 2020 overwogen dat het aannemelijk is dat communicatie via Encrochat in een groot tot zeer groot aantal gevallen van gebruik betrekking heeft op ernstige strafbare feiten in georganiseerd verband, dat het kennisnemen van die communicatie noodzakelijk is voor het onderzoek naar die feiten en dat het niet mogelijk was om op andere effectieve wijze onderzoek te doen naar die communicatie. Door middel van de aanvullende voorwaarden die door de rechter-commissaris zijn gesteld, is tevens voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De tekstdelen in de 126uba-beschikking van de rechter-commissaris van 27 maart 2020, die in verband met de bescherming van Frans staatsgeheim door het OM zijn zwart gelakt, zijn wel getoetst door de rechter-commissaris in een artikel 149b Sv procedure. De rechtbank ziet het verzoek van de officier van justitie in 26Lemont aan de rechter-commissaris tot afgifte van de 126uba Sv machtiging als een adequate invulling om de door het recht op privacy beschermde belangen van de Encrochat gebruikers te waarborgen. Artikel 126uba Sv omvat immers de rechterlijke toets voor het binnendringen in een geautomatiseerd werk, het onderzoek van dat geautomatiseerd werk inclusief de vastlegging en verwerking van de daarbij aangetroffen gegevens. De officier van justitie heeft derhalve als het ware ‘het meerdere’ gevraagd om ‘het mindere’ te kunnen laten toetsen. Deze toets is in de wet strikt genomen niet voorgeschreven. Dat neemt niet weg dat deze is aangelegd en daarmee een rechterlijke afweging is ingebouwd om de verwerking van de Encrochatdata met inachtneming van de relevante belangen te doen plaatsvinden. De lijst met onderzoeken die aan de rechter-commissaris is overhandigd, waarop ook het onderzoek Echinops was vermeld, betreft onderzoeken naar zware vormen van criminaliteit. De rechter-commissaris heeft dit afgezet tegen de betrokken belangen van individuele gebruikers en daarbij in aanmerking genomen dat een groot tot zeer groot deel van de gebruikers Encrochat gebruikt in relatie tot of ten behoeve van het plegen van ernstige, de rechtsorde verstorende, vormen van (georganiseerde) criminaliteit. Dit brengt ook mee dat de gevoerde communicatie veelal betrekking heeft op strafbare feiten en niet of nauwelijks op het privéleven van de gebruikers. De inbreuk die daarop wordt gemaakt, is derhalve relatief gering. Aan de hand van de door de rechter-commissaris geformuleerde voorwaarden heeft de zaaksofficier van justitie van 26Lemont de Encrochatdata vervolgens gedeeld met andere onderzoeksteams, mits deze hetzij op de lijst behorende bij de machtiging van de rechter-commissaris van 27 maart 2020 stonden, hetzij daaraan later zijn toegevoegd door de rechter-commissaris. Onderzoek Echinops stond op de lijst bij de machtiging van 27 maart 2020. Er is derhalve geen sprake geweest van een situatie waarin verschillende onderzoeksteams onder leiding van het OM vrijelijk konden putten uit de gehele Encrochatdataset verkregen in 26Lemont. Nu de analyse van de data in 26Lemont en de selectie voor de verdere verstrekking aan Echinops zijn geschied overeenkomstig de 126uba Sv beschikking van de rechter-commissaris, concludeert de rechtbank dat hierin niet alleen de door artikel 6 EVRM beschermde belangen voldoende zijn meegewogen, maar ook dat de waarborgen van artikel 8 EVRM in acht zijn genomen en geen sprake is geweest van een onrechtmatige inmenging van het openbaar gezag in het privéleven van de verdachte. Er zijn ook overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de rechtbank kan afleiden dat er reden is om te veronderstellen dat het verwerken (analyseren en gebruiken) en verstrekken van de Encrochatdata aan het onderzoek Echinops onrechtmatig is geweest. 6.4.16 Schending artikel 6 EVRM ten aanzien van de controle van de gegevens/stukken De verdediging heeft gesteld dat zij onvoldoende toegang heeft gekregen tot stukken die kunnen zien op onrechtmatigheden in het onderzoek. Verzoeken tot verstrekking van stukken, waaronder Franse machtigingen en vorderingen, de JIT-overeenkomst en stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de machtiging van de rechter-commissaris, zijn afgewezen. Dit is volgens de verdediging in strijd met de equality of arms en daarmee in strijd met artikel 6 EVRM. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de verzoeken om kennisname van stukken steeds voorop gesteld dat sprake is geweest van een opsporingsonderzoek dat onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten heeft plaatsgevonden. Op basis van het vertrouwensbeginsel is het uitgangspunt dat de Nederlandse strafrechter erop moet vertrouwen dat de interceptie in Frankrijk op basis van een toereikende wettelijke grondslag en in overeenstemming met artikel 6 EVRM heeft plaatsgevonden. Het beginsel van equality of arms brengt inderdaad met zich dat de verdediging toegang moet krijgen tot het bewijs en in beginsel ook tot stukken die kunnen zien op onrechtmatigheden in het onderzoek Echinops. Dat dat recht zich uitstrekt tot stukken met betrekking tot het Franse opsporingsonderzoek en de internationale samenwerking binnen het JIT, zou betekenen dat de Nederlandse strafrechter alsnog via de ‘achterdeur’ van de equality of arms de rechtmatigheid van het Franse strafrechtelijke optreden zou kunnen toetsen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bedoeling van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Voor zover de verdediging het ontbreken van de verzochte Franse stukken dus op zichzelf als een schending van artikel 6 EVRM heeft aangemerkt, stuit dit verweer af op het vertrouwensbeginsel. Het dossier Echinops bevat wel - onder meer - de 126uba-machtiging van de rechter-commissaris van 27 maart 2020, de stukken die het OM bij de aanvraag van die machtiging heeft ingediend, de verlengingen van de 126uba-machtiging, en de 149b-machtiging van de rechter-commissaris van 11 oktober 2021. Het dossier Echinops bevat daarmee alle noodzakelijke gegevens om te kunnen toetsen of het gebruik van de Encrochat berichten in het onderzoek Echinops al dan niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Er is hiermee dan ook geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms noch van een noodzaak om de verdediging in dit verband te compenseren. 6.4.17 Toegang tot de hele database 26Lemont? De verdediging heeft gesteld dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de volledige dataset die is verkregen in 26Lemont en dat ook dit betekent dat geen sprake is van equality of arms en daarmee sprake is van een inbreuk op artikel 6 EVRM. De rechtbank stelt voorop dat – ook gelet op andere te respecteren belangen – uit het beginsel van equality of arms niet voortvloeit dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen of als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Onbeperkte toegang door de verdediging tot alle informatie die in het onderzoek 26Lemont is verkregen, zou immers een onaanvaardbare inbreuk opleveren op het recht op privacy van alle andere personen dan de verdachte, van wie het gegevens betreft. De officier van justitie heeft alle gesprekken van de Encrochat-accounts die aan de verdachten worden toegeschreven, aan het dossier toegevoegd. De verdediging heeft daarmee voldoende gelegenheid gehad om de inhoud van de voor het onderzoek Echinops relevante Encrochat gesprekken te controleren. 6.4.18 Unierecht De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van Encrochat-data in strafrechtelijke procedures zoals de onderhavige valt onder de werkingssfeer van het Unierecht en daarmee strijdig zou zijn. Met betrekking tot richtlijn 2002/58 geldt dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 1, derde lid, van deze richtlijn, niet van toepassing is op verwerking van de Encrochatdata door de politie. Maatregelen die inbreuk maken op het beginsel van vertrouwelijkheid van elektronische communicatie zonder dat daarbij verwerkingsverplichtingen worden opgelegd aan aanbieders van elektronische communicatiediensten, vallen buiten het bereik van deze richtlijn. EU-richtlijn 2016/680 beoogt te waarborgen dat gegevens die door rechtshandhavingsautoriteiten worden verzameld, op wettige en eerlijke wijze worden verwerkt, voor bepaalde legitieme doelen worden verzameld en verwerkt, en op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde en onrechtmatige verwerking. Deze richtlijn ziet ook op strafrechtelijke onderzoeken en is in Nederland geïmplementeerd in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en daaronder vallende besluiten. Het is niet aannemelijk geworden dat de implementatie van de richtlijn onjuist of onvolledig zou zijn geweest, noch dat het verwerken van de Encrochatdata in strijd zou zijn met de in Nederland geïmplementeerde wetgeving. Tot slot is betoogd dat de wijze van bewaren en gebruiken van de Encrochatdata onrechtmatig zou zijn wegens strijd met de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest. Duidelijk is dat inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de Encrochat gebruikers. De bescherming die die bepalingen beogen te bieden tegen inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en de in artikel 8 EVRM bedoelde bescherming is nagenoeg vergelijkbaar. Dit brengt mee dat de hiervoor door de rechtbank gegeven beoordeling van de inbreuk op de privacy van de Encrochat gebruikers op vergelijkbare wijze kan worden toegepast op de beoordeling van de inbreuk op door het Handvest geboden bescherming. De rechtbank verwijst hiernaar en acht dan ook de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer bij wet voorzien en geschied met inachtneming van de in het Unierecht neergelegde waarborgen. 6.4.19 Subsidiair verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen De verdediging heeft een verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie indien – kort gezegd – de rechtbank de verweren inzake het Unierecht niet volgt. Die situatie doet zich voor. De rechtbank zal echter geen prejudiciële vragen stellen omdat zij zich na de inhoudelijke behandeling, bestudering van alle stukken, en nadere bestudering van de jurisprudentie van het Hof van Justitie voldoende in staat acht een beslissing te nemen die in overeenstemming is met het Unierecht. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. 6.4.20 De betrouwbaarheid van de Encrochat data De verdediging heeft gesteld dat het erop lijkt dat in Echinops, net als in onderzoek Flamenco, 10% van de Encrochat berichten ontbreekt. Gesprekken kunnen dus onvolledig zijn, zodat de Encrochat berichten als bewijsmiddel ondeugdelijk zijn en de rechtbank deze niet voor het bewijs mag gebruiken. Uit het onderzoek dat door het NFI is gedaan naar de volledigheid en correctheid van Encrochat berichten verzameld met een technisch hulpmiddel is gebleken dat geen redenen zijn gevonden om te twijfelen aan de correctheid van de Encrochat berichten die zijn onderschept met het technisch hulpmiddel. Er is in het onderzoek Echinops een keer bij de weergave van een vertaald chatbericht in het dossier een fout gemaakt, waardoor de bellende en gebelde partij omgekeerd zijn weergegeven. Dit is later hersteld. De Encrochat berichtengeschiedenis is echter niet volledig: er kunnen berichten ontbreken. Dit kan een enkel bericht zijn, maar langere perioden aan ontbrekende berichten komen ook voor. Op de toestellen is door het automatisch verwijderen van berichten na de burn time ook geen volledige berichtengeschiedenis aanwezig. Daarnaast is het mogelijk dat berichten handmatig door de gebruiker zijn gewist, en daardoor ontbreken op het toestel. Meer onderzoek naar de volledigheid van de gegevens is mogelijk, maar dat zal niets veranderen aan de conclusie dat berichten kunnen ontbreken. Dat berichten in de onderschepte Encrochat data ontbreken, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat de berichten die er wel zijn, daardoor als onbetrouwbaar moeten worden beoordeeld. De rechtbank heeft geconstateerd dat de communicatie tussen de verschillende accounts, zoals opgenomen in het dossier, niet abnormaal of onbegrijpelijk is verlopen. De conversaties sloten inhoudelijk naadloos op elkaar aan en de gebruikers waren doorgaans niet in verwarring over de vraag met welke persoon men communiceerde. Zelfs in gesprekken waarin het toestel op enig moment door een ander werd gebruikt was voor de ander snel kenbaar met wie hij sprak. De verdediging heeft ook niet concreet aangegeven waarom de onvolledigheid van sommige berichtenreeksen (in het dossier Echinops kennelijk slechts een drietal gesprekken) betekent dat de berichten die wel in het dossier zitten, onbetrouwbaar zijn. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de Encrochat berichten betrouwbaar zijn. De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het doen van nader onderzoek door het NFI, maar de verdediging heeft niet aangegeven waarom dit onderzoek noodzakelijk is in aanvulling op het onderzoek dat reeds door het NFI is gedaan. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af. 6.4.21 Gebruik zendmastgegevens De verdediging heeft gesteld dat de zendmastgegevens gelet op de wijze van verkrijging niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, en heeft daarbij het arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 (C-746/18, Prokuratuur) aangehaald. De rechtbank begrijpt dat de verdediging heeft bedoeld te stellen dat het OM zendmastgegevens heeft opgevraagd van gebruikers van Encrochat telefoons zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris, terwijl dit wel vereist was gelet op het arrest Prokuratuur, en dat dit een vormverzuim oplevert dat moet leiden tot uitsluiting van het aldus verkregen bewijs. De rechtbank is, met de verdediging en het OM, van oordeel dat het Prokuratuur arrest hier van toepassing is, en de opgevraagde mastgegevens - hoewel deze zijn opgevraagd in overeenstemming met de voorschriften uit het wetboek van Strafvordering - achteraf gezien niet door een officier van justitie gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Dit betekent dat sprake is van schending van het Unierecht. De rechtbank is echter van oordeel dat het nadeel dat door de schending is veroorzaakt in deze zaak beperkt is. De mastgegevens beslaan slechts een beperkte tijdspanne en niet kan worden gezegd dat daarmee een min of meer compleet beeld van het privéleven van de verdachte c.q. de verdachten is verkregen. Voorts is niet aangevoerd dat sprake zou zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een of meer verdachten. Bovendien weegt de rechtbank mee dat het aannemelijk is dat de rechter-commissaris - indien deze was benaderd met het verzoek de vorderingen vooraf te toetsen - toestemming zou hebben gegeven voor het doen van deze vorderingen. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim, zonder dat daaraan een rechtsgevolg wordt verbonden. 6.4.22 Fair trial, the proceedings as a whole (artikel 6 EVRM) Anders dan de verdediging heeft aangevoerd acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat het OM in deze zaak bewust informatie heeft achtergehouden en zo de rechten van de verdachten heeft willen beknotten of de rechtbank of verdediging fout heeft willen voorlichten. De rechtbank heeft ook anderszins geen inbreuken geconstateerd die tot de niet-ontvankelijkheid van het OM dan wel uitsluiting van het bewijs moeten leiden, noch heeft de rechtbank redenen om te constateren dat het proces als geheel niet zou voldoen aan het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het voorgaande leidt er toe dat ook deze verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het OM dan wel bewijsuitsluiting worden verworpen. 6.4.23 Conclusie ten aanzien van alle Encrochat verweren Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de rechtmatigheid van de Encrochatdata, verwerpt de rechtbank de verweren van de verdediging, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het OM, bewijsuitsluiting en/of strafvermindering. Ook wijst de rechtbank af de (voorwaardelijke) verzoeken tot aanhouding, nader onderzoek en/of het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De rechtbank oordeelt dat in het voorbereidend onderzoek geen sprake is van vormverzuimen waaraan rechtsgevolgen verbonden dienen te worden. De Encrochatdata kunnen gebruikt worden voor het bewijs en de rechtbank zal dat ook doen. 7. Toeschrijving telefoonnummers, bij- en roepnamen en Encrochat-accounts 7.1 Inleiding Het bewijs tegen de verdachten binnen het onderzoek Echinops bestaat grotendeels uit afgeluisterde telefoongesprekken en uit Encrochat berichten uit het onderzoek 26Lemont. In de afgeluisterde telefoongesprekken en in de Encrochat-berichten worden volgens de politie diverse verdachten aangeduid met verschillende roep-, dan wel bijnamen. De telefoonnummers van de afgeluisterde telefoongesprekken en de accounts waarmee de Encrochat-berichten werden verstuurd, worden door de politie toegeschreven aan een aantal verdachten binnen het onderzoek Echinops. Nu een groot deel van de verdachten heeft ontkend dergelijke roep-of bijnamen te hebben of de gebruikers te zijn van de door de politie aan hen toegeschreven telefoonnummers en Encrochat-accounts, zal de rechtbank eerst beoordelen of deze telefoonnummers, roep- en bijnamen en Encrochat-accounts aan de verdachten binnen het onderzoek Echinops kunnen worden toegeschreven. 7.2 Telefoonnummers 7.2.1 De telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] Op basis van de afgeluisterde telefoongesprekken, observaties en stemherkenning door diverse tolken is gebleken dat [verdachte] gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. In een van de afgeluisterde telefoongesprekken werd door de gebruiker als zijn adres [adres 1] te [woonplaats] genoemd. Ook werd de gebruiker door diverse mensen “[roepnaam verdachte]” genoemd.De telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] werd op 24 juni 2020 ook in de woning op de [adres 1] te [woonplaats] aangetroffen. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] de gebruiker was van voornoemde telefoonnummers. Zoals hieronder zal blijken, betreft “[roepnaam verdachte]” de roepnaam van [verdachte]. Het adres [adres 1] te [woonplaats] betrof het verblijfadres van [verdachte]. 7.2.2 De telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] Op basis van de afgeluisterde telefoongesprekken en op basis van stemherkenning door diverse tolken is gebleken dat [medeverdachte 2] gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4]. In de afgeluisterde gesprekken werden de voornaam van [medeverdachte 2] “[voornaam medeverdachte 2]” en de naam van de partner van [medeverdachte 2] genoemd. Ook werd tijdens een van de afgeluisterde gesprekken door de gebruiker gezegd dat hij door zijn advocaat is gebeld, dat men in de gevangenis een fout heeft gemaakt en dat hij opnieuw moet gaan zitten. De verdachte [medeverdachte 2] heeft voor een andere zaak in een penitentiaire inrichting verbleven, waarbij hij door een administratieve fout in vrijheid is gesteld. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van voornoemde telefoonnummers. 7.2.3 De telefoonnummers [telefoonnummer 5], [telefoonnummer 6], [telefoonnummer 7], [telefoonnummer 8], , het Spaanse telefoonnummer [telefoonnummer 9] en [telefoonnummer 10] Op basis van de afgeluisterde telefoongesprekken en op basis van stemherkenning door diverse tolken is gebleken dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 5], [telefoonnummer 6], [telefoonnummer 7], [telefoonnummer 8], en het Spaanse telefoonnummer [telefoonnummer 9]. In diverse afgeluisterde telefoongesprekken werd de gebruiker “[bijnaam medeverdachte 1]” of “[voornaam medeverdachte 1]” genoemd. Ook werden diverse liefdesgesprekken gevoerd met [medeverdachte 6], de toenmalige partner van [medeverdachte 1]. Voorts is uit de afgeluisterde telefoongesprekken die door [verdachte] vanuit de penitentiaire inrichting zijn gevoerd en uit de historische gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] gebleken dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van voornoemd telefoonnummer. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 1] de gebruiker was van voornoemde telefoonnummers. Zoals hieronder zal blijken, betreffen “[bijnaam medeverdachte 1]” en “[voornaam medeverdachte 1]” de bij-, dan wel de roepnaam van [medeverdachte 1]. 7.2.4 Het telefoonnummer [telefoonnummer 11] Tijdens het onderzoek werd een IMSI-scan uitgevoerd in de nabijheid van [verdachte]. Uit deze scan kwamen onder andere het IMSI-nummer [IMSI-nummer 1] en het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] naar voren. Het IMSI-nummer [IMSI-nummer 1] was gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer 11]. Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] betrof een telefoontoestel van het merk Samsung, type Galaxy S8. Uit de opgevraagde vluchtverkeergegevens van [medeverdachte 3] is gebleken dat [medeverdachte 3] het telefoonnummer [telefoonnummer 11] heeft opgegeven tijdens de vluchten. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van voornoemd telefoonnummer. 7.2.5 De telefoonnummers [telefoonnummer 12] en [telefoonnummer 13] Op basis van de afgeluisterde telefoongesprekken en op basis van stemherkenning door diverse tolken is gebleken dat [medeverdachte 4] gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 12] en [telefoonnummer 13]. In de afgeluisterde gesprekken werd door de gebruiker de naam “[voornaam medeverdachte 4] [medeverdachte 4]” en “[medeverdachte 4]” genoemd. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 4] de gebruiker was van voornoemde telefoonnummers. 7.2.6 Het telefoonnummer [telefoonnummer 7] Op basis van de afgeluisterde telefoongesprekken en op basis van stemherkenning door diverse tolken is gebleken dat [medeverdachte 6] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 7]. In de afgeluisterde gesprekken werd de naam “[voornaam medeverdachte 6]”/ “[bijnaam medeverdachte 6]” diverse malen genoemd. Ook werd vaak gebeld met de telefoonnummers van [medeverdachte 1], de toenmalige partner van [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] heeft voorts verklaard dat haar telefoonnummer eindigt op 036. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 6] de gebruiker was van voornoemd telefoonnummer. “[voornaam medeverdachte 6]” is de eerste voornaam van [medeverdachte 6]. Zoals hieronder zal blijken gaat de rechtbank ervan uit dat “[bijnaam medeverdachte 6]” de bijnaam is van [medeverdachte 6]. 7.2.7 De telefoonnummers [telefoonnummer 15] en [telefoonnummer 16] Op basis van de afgeluisterde telefoongesprekken en op basis van stemherkenning door diverse tolken is gebleken dat [betrokkene 5] gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 15] en [telefoonnummer 16]. De gebruiker van voornoemde nummers werd diverse malen “[voornaam betrokkene 5]” genoemd. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [betrokkene 5] de gebruiker was van voornoemde telefoonnummers. “[voornaam betrokkene 5]” betreft de eerste voornaam van [betrokkene 5]. 7.2.8 Het telefoonnummer [telefoonnummer 17] Op 24 juni 2020 werd [medeverdachte 8] aangehouden in een van de slaapkamers van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats]. In deze slaapkamer werd een iPhone 6 aangetroffen. Na onderzoek naar de inhoud van deze telefoon, zoals de schermafbeeldingen, is gebleken dat [medeverdachte 8] ook de gebruiker was van deze telefoon. De telefoon was voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 17]. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 8] de gebruiker was van voornoemd telefoonnummer. 7.2.9 De telefoonnummers [telefoonnummer 18] en [telefoonnummer 19] Op 24 juni 2020 werd [medeverdachte 10] aangehouden in zijn woning op het [adres 5] te [woonplaats]. In deze woning werden twee mobiele telefoons van het merk Apple aangetroffen. Na onderzoek naar de inhoud van deze telefoons, zoals de foto’s, bleek dat [medeverdachte 10] ook de gebruiker was van deze telefoons. De telefoons waren voorzien van de telefoonnummers [telefoonnummer 18] en [telefoonnummer 19]. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 10] de gebruiker was van voornoemde telefoonnummers. 7.2.10 Het telefoonnummer [telefoonnummer 20] Op basis van de afgeluisterde telefoongesprekken en op basis van stemherkenning door diverse tolken is gebleken dat [medeverdachte 12] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 20]. De gebruiker noemde zichzelf in de afgeluisterde telefoongesprekken “[roepnaam medeverdachte 12]”. [medeverdachte 12] heeft verklaard dat hij de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 20]. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 12] de gebruiker was van voornoemd telefoonnummer. De voornaam van [medeverdachte 12] is ook “[voornaam medeverdachte 12]”. 7.3 Bij- en roepnamen 7.3.1 [ bijnaam 1 verdachte] en [bijnaam 2 verdachte] Uit de afgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat [verdachte] door diverse personen, onder wie [medeverdachte 1], “[bijnaam 1 verdachte]” en “[bijnaam 2 verdachte]” werd genoemd. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat “[bijnaam 1 verdachte]” en “[bijnaam 2 verdachte]” bijnamen van [verdachte] zijn. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[bijnaam 1 verdachte]” of “[bijnaam 2 verdachte]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [verdachte]. 7.3.2 [ voornaam medeverdachte 1] en [bijnaam medeverdachte 1] Uit de afgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat [medeverdachte 1] door diverse personen, onder wie [verdachte], “[bijnaam medeverdachte 1]” of ”[bijnaam medeverdachte 1]” werd genoemd. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat zijn roep- en bijnamen “[voornaam medeverdachte 1]” en “[bijnaam medeverdachte 1]” zijn. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat “[voornaam medeverdachte 1]” en “[bijnaam medeverdachte 1]” de roep- en bijnaam van [medeverdachte 1] zijn. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[bijnaam medeverdachte 1]” of “[voornaam medeverdachte 1]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 1]. 7.3.3 [ bijnaam medeverdachte 2] Uit de afgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat [medeverdachte 2] “[bijnaam medeverdachte 2]” werd genoemd. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat “[bijnaam medeverdachte 2]” de bijnaam van [medeverdachte 2] is. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[bijnaam medeverdachte 2]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 2]. 7.3.4 [ roepnaam medeverdachte 5] [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij “[roepnaam medeverdachte 5]” wordt genoemd. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat “[roepnaam medeverdachte 5]” de roepnaam van [medeverdachte 5] is. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[roepnaam medeverdachte 5]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 5]. 7.3.5 [ bij- of roepnaam medeverdachte 3] De rechtbank constateert dat een van de voornamen van [medeverdachte 3] “[voornaam medeverdachte 3]” is. “[bij- of roepnaam medeverdachte 3]” betreft een afkorting van de naam “[voornaam medeverdachte 3]”. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat “[bij- of roepnaam medeverdachte 3]” de roep- dan wel bijnaam van [medeverdachte 3] is. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[bij- of roepnaam medeverdachte 3]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 3]. 7.3.6 [ bijnaam medeverdachte 4] Uit de afgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat [medeverdachte 4] aangeduid werd met de bijnaam “[bijnaam medeverdachte 4]”. Het Poolse woord “[bijnaam medeverdachte 4]” betekent “de dikke”. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat “[bijnaam medeverdachte 4]” de bijnaam van [medeverdachte 4] is. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[bijnaam medeverdachte 4]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 4]. 7.3.7 [ bijnaam medeverdachte 6] Uit de afgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat [medeverdachte 6] ook “[bijnaam medeverdachte 6]” werd genoemd. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat “[bijnaam medeverdachte 6]” de bijnaam van [medeverdachte 6] is. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[bijnaam medeverdachte 6]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 6]. 7.3.8 [ bijnaam betrokkene 5] Op basis van de opgenomen telefoongesprekken en na aanhouding van [betrokkene 5] is gebleken dat [betrokkene 5] aangeduid werd met de bijnaam “[bijnaam betrokkene 5]”. “[bijnaam betrokkene 5]” betekent in het Pools “opa”. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat “[bijnaam betrokkene 5]” de bijnaam van [betrokkene 5] is. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[bijnaam betrokkene 5]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld [betrokkene 5]. 7.3.9 [ bijnaam medeverdachte 7] In meerdere Encrochat gesprekken werd door diverse gebruikers de naam “[bijnaam medeverdachte 7]” genoemd. Gelet op de aard en de context waarin de naam “[bijnaam medeverdachte 7]” in de gesprekken werd genoemd, is het vermoeden ontstaan dat hiermee [medeverdachte 7] werd bedoeld. Op grond van het vorenstaande, en gezien het feit dat “[bijnaam medeverdachte 7]” een afkorting is van [medeverdachte 7], concludeert de rechtbank dat “[bijnaam medeverdachte 7]” de bijnaam van [medeverdachte 7] is. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[bijnaam medeverdachte 7]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 7]. 7.3.10 [ bijnaam medeverdachte 9] [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij ook “[bijnaam medeverdachte 9]” wordt genoemd. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat “[bijnaam medeverdachte 9]” de bijnaam van [medeverdachte 9] is. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[bijnaam medeverdachte 9]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 9]. 7.4 Encrochat-accounts 7.4.1 [ Encrochat-account 1] Uit het onderzoek in de Encrochat gegevens is gebleken dat het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] en het IMSI-nummer [IMSI-nummer 2] gekoppeld zijn aan de gebruikersnaam “[Encrochat-account 1]”. Op 24 juni 2020 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats]. In deze woning werd [verdachte] aangehouden. Tijdens deze doorzoeking werd onder andere een lege verpakking aangetroffen van een PGP-telefoon van het merk Aquaris X2 BQ. Op de verpakking stond in blauwe kleur de letter “M” geschreven. Tevens was op de verpakking een sticker geplakt waarop stond geschreven “[Encrochat-account 1]”. Aan de achterzijde van de doos zat een labelsticker met daarop twee IMEI-nummers, te weten [IMEI-nummer 2] en [IMEI-nummer 3] . Vanwege technische redenen wordt in de Encrochats het IMEI-nummer zonder het laatste - het zogenoemde - controlecijfer weergegeven. Het Encrochat-account “[Encrochat-account 1]” was door verschillende andere Encrochat-gebruikers opgeslagen als onder andere “[bijnaam 1 verdachte]”, “[roepnaam verdachte]” en “[voornaam verdachte]”. Op 21 april 2020 heeft een IMSI-scan plaatsgevonden. Tijdens deze scan werd bij [verdachte] onder andere de mobiele telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] gemeten. De rechtbank constateert dat een van de voornamen van [verdachte] “[voornaam verdachte]” is. Ook heeft [verdachte] verklaard dat mensen hem “[roepnaam verdachte]” noemen. Tevens heeft de rechtbank hierboven vastgesteld dat “[bijnaam 1 verdachte]” een bijnaam van [verdachte] was. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - concludeert de rechtbank dat [verdachte] de gebruiker was van het Encrochat-account “[Encrochat-account 1]”. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[Encrochat-account 1]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [verdachte]. 7.4.2 [ Encrochat-account 2] Uit het onderzoek in de Encrochat gegevens is gebleken dat het IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] en het IMSI-nummer [IMSI-nummer 3] gekoppeld zijn aan de gebruikersnaam “[Encrochat-account 2]”. Het Encrochat-account “[Encrochat-account 2]” was door verschillende andere Encrochat-gebruikers opgeslagen als “[bij- of roepnaam medeverdachte 3]”, “[naam 1]” en “[naam 2]”. Tevens is tijdens de interceptie gebleken dat [medeverdachte 3] geregeld werd aangesproken met de naam [bij- of roepnaam medeverdachte 3]. Zoals hierboven reeds vastgesteld is [medeverdachte 3] de gebruiker van het telefoontoestel van het merk Samsung, type Galaxy S8 met het telefoonnummer [telefoonnummer 11]. Van het IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] werden de historische verkeersgegevens opgevraagd over de periode 19 oktober 2019 tot en met 19 april 2020. Uit de verstrekte gegevens bleek dat de Samsung S8 met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] wat betreft zendmasten hetzelfde beeld gaf als de PGP-telefoon van het merk BQ met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] . Hierbij werd gebruikt gemaakt van zendmasten in Nederland, Duitsland, Polen, België, Engeland en Ierland. Uit de gevorderde vluchtgegevens van [medeverdachte 3] kon voorts afgeleid worden dat deze vluchten gelijk liepen met de zendmasten van de Samsung S8 met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] en van de PGP-telefoon van het merk BQ met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] . Zoals reeds vastgesteld betreft “[bij- of roepnaam medeverdachte 3]” de roepnaam van [medeverdachte 3]. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van het Encrochat-account “[Encrochat-account 2]”. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[Encrochat-account 2]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 3]. 7.4.3 [ Encrochat-account 3] Uit onderzoek is gebleken dat het Encrochat-account “[Encrochat-account 3]” werd gebruikt door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. Tijdens meerdere gesprekken is gebleken dat [medeverdachte 4] in eerste instantie het account in gebruik had, aangezien meerdere malen en in verschillende Encrochat-gesprekken de gebruiker van het account “[Encrochat-account 3]” werd aangesproken met de naam “[voornaam medeverdachte 4]”. Later tijdens deze chatgesprekken werd over “[voornaam medeverdachte 4]” gesproken. “[Encrochat-account 3]” was door “[Encrochat-account 7]” en “[Encrochat-account 1]” opgeslagen onder de namen “[bijnaam medeverdachte 1]” (bij “[Encrochat-account 7]”) en “[bijnaam medeverdachte 1]” (bij “[Encrochat-account 1]”). Uit de Encrochat-gesprekken met “[Encrochat-account 6]” is het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 4] het account “[Encrochat-account 3]” tussen 26 maart 2020 en 9 mei 2020 in gebruik heeft gehad en dat zij daarna het account heeft overgedragen aan [medeverdachte 1]. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 4] tussen 26 maart 2020 en 9 mei 2020 gebruik heeft gemaakt van het Encrochat-account “[Encrochat-account 3]” en dat vanaf 9 mei 2020 [medeverdachte 1] de gebruiker was van voornoemd Encrochat-account. 7.4.4 [ Encrochat-account 4] Uit het onderzoek in de Encrochat-gegevens is gebleken dat het PGP-toestel met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 5] gekoppeld was aan de gebruikersnaam “[Encrochat-account 4]”. Het Encrochat-account “[Encrochat-account 2]” heeft onder andere een Encrochat-gesprek gevoerd met het Encrochat-account “[Encrochat-account 4]”. Tijdens het gesprek werd de gebruiker van “[Encrochat-account 4]” meerdere malen aangesproken met de namen “[tweede voornaam medeverdachte 1]” en “[bijnaam medeverdachte 1]”. Het Encrochat-account “[Encrochat-account 4]” stond bij verschillende andere Encrochat-accounts opgeslagen als onder andere “[bijnaam medeverdachte 1]”. Uit de historische verkeersgegevens van het IMEI-nummer [IMEI-nummer 5] en het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 5] van [medeverdachte 1] is gebleken dat deze telefoons tegelijkertijd met elkaar bewogen in dezelfde richting qua zendmasten. Zowel het PGP-toestel als het telefoonnummer [telefoonnummer 5] bewogen op 26 maart 2020 tegelijkertijd vanuit Nederland naar Duitsland en op 28 maart 2020 weer terug naar Nederland. Op 8 april 2020 bewogen ze tegelijkertijd vanuit Nederland via België naar Frankrijk en op 11 april 2020 weer terug naar Nederland. Op 16 april 2020 bewogen ze tegelijkertijd vanuit Nederland via Duitsland naar Polen en op 21 april 2020 (vroeg in de ochtend) weer terug naar Nederland. Op 21 april 2020 (einde middag) bewogen ze tegelijkertijd vanuit Nederland via België, Luxemburg en Frankrijk naar Spanje. Zoals hierboven reeds overwogen is de bijnaam van [medeverdachte 1] “[bijnaam medeverdachte 1]”. Voorts constateert de rechtbank dat de tweede voornaam van [medeverdachte 1] “[tweede voornaam medeverdachte 1]” betreft. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] de gebruiker was van het Encrochat-account “[Encrochat-account 4]”. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[Encrochat-account 4]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 1]. 7.4.5 [ Encrochat-account 5] Tijdens een Encrochat-gesprek tussen het account “[Encrochat-account 5]” en het account “[Encrochat-account 7]” werd de gebruiker van het account “[Encrochat-account 5]” aangesproken met “[voornaam medeverdachte 4]” en “[voornaam medeverdachte 4]”. Vervolgens werd later tijdens het chatgesprek door “[Encrochat-account 5]” aangegeven dat “[voornaam medeverdachte 4]” op ““[Encrochat-account 2]” zou zitten en “[bijnaam medeverdachte 1]” op dat moment “[Encrochat-account 5]” in gebruik had. Uit onderzoek is gebleken dat het Encrochat-account “[Encrochat-account 5]” door verschillende gebruikers was opgeslagen als “[voornaam medeverdachte 4]” (door “[Encrochat-account 2]”) en “[voornaam medeverdachte 4]” (door “[Encrochat-account 3]” en “[Encrochat-account 1]”). De rechtbank constateert dat de eerste voornaam van [medeverdachte 4] “[voornaam medeverdachte 4]” betreft. “[bijnaam medeverdachte 1]” is de bijnaam van [medeverdachte 1]. Gelet op het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - concludeert de rechtbank dat de gebruikers van het Encrochat-account “[Encrochat-account 5]” [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn geweest. 7.4.6 [ Encrochat-account 6] Tijdens een Encrochat-gesprek met “[Encrochat-account 1]” op 9 mei 2020 werd door de gebruiker van het Encrochat-account “[Encrochat-account 6]” gezegd: “ik had een verjaardag gehad / ik was jarig”. Het Encrochat-account “[Encrochat-account 6]” was door verschillende andere Encrochat-gebruikers opgeslagen als onder andere “[voornaam medeverdachte 2]” en “[BIJNAAM MEDEVERDACHTE 2]” . Door “[Encrochat-account 6]” werd een foto naar “[Encrochat-account 1]” gestuurd waarop twee personenvoertuigen stonden afgebeeld. De locatie waar deze foto gemaakt was, werd door de verbalisant herkend als de locatie [adres 2] in [woonplaats]. Tijdens een Encrochat-gesprek met “[Encrochat-account 1]” op 22 mei 2020 om 16.24 uur werd door “[Encrochat-account 6]” gezegd: “Wij zijn 1 jaar geleden door de honden aangehouden”. Op 22 mei 2019 werden [verdachte] en [medeverdachte 2] in Rotterdam aangehouden op verdenking van witwassen, handel in verdovende middelen, bezit van vuurwapens en identiteitsfraude (onderzoek Artemis). De rechtbank constateert dat de eerste voornaam van [medeverdachte 2] “[voornaam medeverdachte 2]” is. Voorts is hij geboren op [geboortedatum] en is zijn bijnaam “[bijnaam medeverdachte 2]”. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - concludeert de rechtbank dat de gebruiker van het Encrochat-account “[Encrochat-account 6]” [medeverdachte 2] is geweest. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[Encrochat-account 6]” wordt genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 2]. 7.4.7 [ Encrochat-account 7] en [Encrochat-account 8] Uit de historische locatiegegevens van het Encrochat-account “[Encrochat-account 7]” is gebleken dat de gebruiker op 26 mei 2020 op Schiphol te Amsterdam was aangekomen. De gebruiker van het Encrochat-account “[Encrochat-account 7]” heeft op 1 april 2020 tegen een andere Encrochat-gebruiker gezegd dat hij over 22 dagen [leeftijd] wordt. Op 22 april 2020 werd “[Encrochat-account 7]” ook gefeliciteerd met zijn verjaardag. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de gebruiker van het Encrochat-account “[Encrochat-account 7]” op [geboortedatum medeverdachte 11] is geboren. De gebruiker van het Encrochat-account “[Encrochat-account 7]” heeft op 4 april 2020 een foto gestuurd aan de gebruiker van het Encrochat-account “[Encrochat-account 4]”. Op deze foto stond een rechterarm met een tatoeage afgebeeld. Na onderzoek in het computersysteem van de politie kwam [medeverdachte 11] naar voren als de mogelijke gebruiker van het Encrochat-account “[Encrochat-account 7]”. Hij is immers geboren op [geboortedatum medeverdachte 11] en er was een link tussen [medeverdachte 11] en de contacten van [verdachte]. Voorts bleek uit een foto in het computersysteem van de politie dat [medeverdachte 11] een tatoeage had, die zeer sterke gelijkenissen vertoont met de tatoeage die op de arm stond afgebeeld op de foto die door “[Encrochat-account 7]” was verzonden aan “[Encrochat-account 4]”. Tevens bleek uit de historische vluchtgegevens dat [medeverdachte 11] op 26 mei 2020 vanuit Manchester (Engeland) naar Schiphol te Amsterdam is gevlogen. Tijdens een gesprek op Encrochat tussen “[Encrochat-account 2]” en het account “[Encrochat-account 8]” op 1 april 2020 gaf “[Encrochat-account 8]” aan dat: “[Encrochat-account 7] deze/dit is mijn nieuwe, die/dat verwijderen”. Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 11] tot 1 april 2020 de gebruiker is geweest van het Encrochat-account “[Encrochat-account 8]” en dat [medeverdachte 11] vanaf 1 april 2020 de gebruiker is geweest van het Encrochat account “[Encrochat-account 7]”. Wanneer in de hieronder te bespreken bewijsmiddelen “[Encrochat-account 7]” of “[Encrochat-account 8]” wordt genoemd en het betreft de hiervoor genoemde perioden, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de verdachte [medeverdachte 11]. 7.4.8 [ Encrochat-account 9] Uit de Encrochat-berichten is gebleken dat de gebruiker van het account “[Encrochat-account 9]” een vrouw, dan wel een vriendin en drie zonen had. Voorts kwam zijn moeder uit [moederland]. In enkele chatberichten gaf “[Encrochat-account 9]” aan dat hij in zijn woning in [woonplaats] was. De foto’s die hij op dat moment verstuurde, hadden uitzicht op het [adres 6] te [woonplaats]. In een gesprek gaf “[Encrochat-account 9]” aan dat hij er zo was en vervolgens gaf hij het volgende door: “witte Mercedes”. Voorts bleek uit de Encrochat-berichten het navolgende. Op 17 mei 2020 rond 1:00 uur werd “[Encrochat-account 9]” gefeliciteerd. “[Encrochat-account 9]” verklaarde van een verjaardag te komen. Uit diverse berichten bleek dat “[Encrochat-account 9]” de bijnaam [bijnaam 1 betrokkene 11]/[bijnaam 2 betrokkene 11] had. “[Encrochat-account 9]” verstuurde diverse foto's vanuit zijn auto. Uit deze foto's bleek dat hij in een witte auto reed. Op de foto's waren ook het dashboard en de voorstoel van de auto te zien. Na vergelijking op internet bleek dit bij een Mercedes type AMG C63 S te behoren. Na onderzoek in het politiesysteem is gebleken dat een persoon genaamd [betrokkene 11] (hierna: [betrokkene 11]), geboren te [geboorteland], wonende aan het [adres 6] te [woonplaats], in het bezit was van een witte Mercedes AMG C63 S. Hij woonde op voornoemd adres samen met een vrouw, geboren op [geboortedatum vrouw], en drie jongens. In een gesprek op Encrochat tussen “[Encrochat-account 9]” en “[Encrochat-account 10]” op 3 maart 2020 werd door “[Encrochat-account 9]” een foto verzonden waarop drie kinderen stonden afgebeeld. Tijdens het onderzo

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.