Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09/251059-21 Datum uitspraak: 12 mei 2022 Tegenspraak Vonnis (vul parketnummer in)van de rechtbank Den Haag in de zaak (kies tussen de alternatieven)tegen de verdachte: [verdachte] (hierna: de verdachte), geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] , [adres 1] . 1Het onderzoek ter zitting De strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 23 december 2021 (pro forma) en 28 april 2022 (inhoudelijke behandeling). De officier van justitie in deze zaak is mr. P. de Jonge en de advocaat van de verdachte is mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk. De verdachte is op de zitting verschenen. 2De tenlastelegging De verdachte wordt er, samengevat, van beschuldigd dat hij op 29 juli 2021 in Delft heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden door met een mes in haar nek te steken. Als dat niet kan worden bewezen, wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op die dag heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen. Dit is tenlastegelegd als: hij op of omstreeks 29-07-2021 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes heeft gestoken in haar nek, althans in haar hoofd en/of lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3Waardering van het bewijs 3.1 Vaststaande feiten De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de zitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering worden gebruikt als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. Op 29 juli 2021 was [slachtoffer] , op dat moment 12 jaar oud, aan het spelen met haar vriendin, [getuige 1] op ‘ [locatie 1] ’ in [locatie 2] ” in Delft. Een stukje verderop stond een man onder een boom die hen gadesloeg. Op enig moment rende deze man op de twee meisjes af en stak met een mes in de nek van het slachtoffer, waardoor zij een steekverwonding heeft opgelopen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het de verdachte is geweest die het slachtoffer heeft neergestoken. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of deze gedraging een poging doodslag, dan wel een poging zware mishandeling oplevert. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt dat poging doodslag bewezen kan worden. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, ook als alle indirecte aanwijzingen in het dossier in samenhang worden bezien. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken. Daarnaast heeft ze aangevoerd dat het opzet van de dader niet was gericht op de dood van het slachtoffer. 3.4 De beoordeling De rechtbank moet dus eerst vaststellen of het de verdachte is geweest die het slachtoffer met een mes heeft gestoken. De verdachte heeft steeds, ook op de terechtzitting, ontkend dat hij dit heeft gedaan. De rechtbank is echter van oordeel dat het de verdachte was die [slachtoffer] in haar nek heeft gestoken. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden die blijken uit de bewijsmiddelen. In bijlage I heeft de rechtbank de bewijsmiddelen opgenomen. [slachtoffer] was samen met haar vriendin [naam 1] vanaf 15.10 uur in [locatie 2] in Delft. [naam 1] was getuige van de steekpartij en heeft de dader goed gezien. Ze heeft een hele specifieke beschrijving gegeven van het uiterlijk van de dader. Op basis van haar beschrijving van de dader is een compositietekening gemaakt. Deze tekening is via verschillende mediakanalen bekend gemaakt aan het publiek. Er zijn naar aanleiding hiervan twee tips binnengekomen waarbij de verdachte wordt genoemd als de persoon op de compositietekening. Ook een vriendin van de verdachte, [naam 2] , waarvan de vader [naam 3] heet, vond dat de verdachte op de tekening lijkt, want ze appte de verdachte dat deze ‘vies veel’ op hem lijkt. De politie heeft onderzoek gedaan naar welke mobiele telefoons aanwezig waren in de directe omgeving van de plaats delict rond het tijdstip van de steekpartij, tussen 15.15 uur en 15.45 uur. Er waren op dat moment 130 telefoons in de buurt. Uit nader onderzoek is gebleken dat de telefoon van de verdachte één van die 130 telefoons was. De telefoon van de verdachte is voor onderzoek in beslag genomen. De politie heeft daarop een notitie gevonden met de titel ‘Neuken’ en de volgende tekst: “Plan om haar te doden op 26 juli 2021 Plan uitvoeren om 29 juli 2021 Je gaat naar delft toe beid haar op om haar wat te vertellen maak niey uit wat ze komt der aan je lokt haar naar die eene bos toe je gaat wat praten met haar steek een peuk op je loopt ff weg je pakt je pakt je mes en je aan steken je slaat haar de kkr In als je nokkie gaat strek je haar kleren uit en de rest spreekt voor zich” Deze notitie bevat opvallende overeenkomsten met de steekpartij die op 29 juli 2021 heeft plaatsgevonden in [locatie 2] in Delft. Niet alleen de pleegdatum komt overeen, maar er wordt ook gesproken over het steken met een mes in een bos. In de agenda van de telefoon staat op 29 juli 2021 een agenda item met als titel: “Dood van [naam 2] .” Verder staan er whatsappberichten met [naam 2] d.d. 27 juli en 29 juli 2021 op de telefoon. Hierin probeert de verdachte [naam 2] zover te krijgen dat zij op 29 juli 2021 met de verdachte in Delft afspreekt. De afspraak gaat uiteindelijk niet door. De politie heeft ook onderzoek gedaan naar de webhistorie in de telefoon. Daaruit blijkt dat de verdachte vanaf 30 juli tot en met 2 augustus 2021 95 websites heeft bezocht waarop nieuwsberichten staan die betrekking hebben op het steekincident. De telefoon wordt na dit onderzoek teruggegeven aan de verdachte. Na de aanhouding van de verdachte wordt de telefoon opnieuw onderzocht. De politie ziet dan dat er nog steeds een agenda item op 29 juli 2021 staat, maar dat de titel is weggehaald. De verdachte is meerdere keren verhoord. Hij heeft steeds ontkend het slachtoffer te hebben gestoken. Hij heeft verklaard dat hij rond de tijd dat het slachtoffer is neergestoken niet in [locatie 2] is geweest maar aan het voetballen was met vrienden op het voetbalveldje achter de flat waar zijn moeder woonde. Hij wil echter niet zeggen wie deze vrienden zijn. Als reden waarom hij die namen niet wil noemen geeft de verdachte op dat hij hen niet wil belasten. De rechtbank vindt dit ongeloofwaardig. Door het horen van deze getuigen zou het alibi van verdachte immers kunnen worden bevestigd terwijl bovendien niet is in te zien op welke wijze de verdachte zijn vrienden zou belasten als zij enkel aan het voetballen waren. Ook de moeder van de verdachte kan niet bevestigen dat verdachte aan het voetballen was ten tijde van het steekincident. Zij heeft verklaard dat zij niet heeft gezien dat hij daar aan het voetballen was. De rechtbank gebruikt dit deel van de verklaring van de verdachte tot het bewijs, nu deze verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen. Die kennelijke leugenachtigheid blijkt uit het onderzoek dat de politie heeft gedaan naar de verschillende zendmasten die door de mobiele telefoon van de verdachte zijn aangestraald rondom het tijdstip van het delict. Daaruit blijkt dat de telefoon van verdachte de zendmasten aan [locatie 3] te Delft heeft aangestraald. Onderzocht is of het mogelijk is dat deze masten zijn aangestraald als de verdachte de hele tijd op het voetbalveldje was. De conclusie is dat het op geen enkele wijze mogelijk is om verbinding te maken met de zendmast aan [locatie 3] vanaf het voetbalveldje. Hieruit blijkt dus dat de verdachte niet steeds op het voetbalveldje was. De verdachte had immers, naar eigen zeggen, zijn telefoon steeds bij zich. De verdachte heeft verder verklaard dat hij niet weet wie de notitie en het agenda-item heeft geschreven, hij heeft dat in elk geval niet gedaan. Ook weet hij niet wie het agenda-item later weer leeg heeft gemaakt. Ook dit vindt de rechtbank een ongeloofwaardige verklaring, omdat de verdachte heeft gezegd dat hij zijn telefoon altijd bij zich heeft, zijn pincode regelmatig verandert en deze aan niemand geeft. Bovendien gaat het om drie op verschillende tijdstippen in of uit de telefoon van de verdachte gezette of gehaalde berichten. Naar het oordeel van de rechtbank schreeuwt dit alles om een uitleg, maar deze heeft de verdachte niet gegeven. Op grond van al deze feiten en omstandigheden, allen in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het de verdachte was die het slachtoffer heeft neergestoken. Ook vindt de rechtbank dat sprake is van een poging tot doodslag. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het opzet van de verdachte niet gericht was op de dood. De rechtbank is het daar niet mee eens. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte naar het slachtoffer toe is gerend en met een mes, dat hij mee had genomen, een stekende beweging heeft gemaakt in de nek van het slachtoffer waardoor zij een verwonding heeft opgelopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden. Het mes ketste waarschijnlijk af op een wervel, waardoor ernstig letsel werd voorkomen. Dit is echter niet aan de verdachte te danken. De rechtbank vindt daarom dat poging tot doodslag is bewezen. 4De bewezenverklaring Op grond van de bewijsmiddelen en op grond van de conclusies hierboven, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Bewezenverklaard wordt dat: hij op 29 juli 2021 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes heeft gestoken in haar nek, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het meer of anders tenlastegelegde is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank heeft taal- en/of schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet benadeeld. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte Het feit dat de verdachte heeft gepleegd, is een strafbaar feit. De verdachte is daarvoor strafbaar. Uit niets blijkt dat dit feit dan wel de verdachte niet strafbaar zijn. 6De op te leggen straf en/of maatregel 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte jeugddetentie wordt opgelegd voor de duur van 300 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 189 dagen voorwaardelijk. Hij heeft daarbij de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, meewerken met psychische behandeling als die behandeling nodig is, zich houden aan een avondklok zolang als geadviseerd door de jeugdreclassering, een contactverbod met het slachtoffer en haar ouders, meewerken aan het coachingstraject, naar school gaan of andere zinvolle dagbesteding hebben en luisteren naar zijn ouders. De officier van justitie heeft ook gevraagd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. 6.2 Standpunt van de verdediging In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw verzocht dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. De verdachte heeft gezegd dat hij bereid is zich aan alle voorwaarden te houden. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Om te bepalen welke straf en/of maatregel voor de verdachte gepast is, kijkt de rechtbank naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en ook naar de persoon van de verdachte. Ernst van het feit De verdachte heeft een jong meisje in een park met een mes in haar nek gestoken en zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hier was geen enkele aanleiding voor, het gebeurde ogenschijnlijk uit het niets. De verdachte en het slachtoffer kennen elkaar niet. Dat het fysieke letsel beperkt is gebleven en het incident geen dodelijke afloop heeft gekend, is een gelukkige omstandigheid die niet te danken is aan het handelen van de verdachte. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Daarnaast gebeurde dit voor de ogen van het eveneens jonge vriendinnetje van het slachtoffer. Dit is een zeer ernstig strafbaar feit, dat bij het slachtoffer en haar familie, maar ook in de maatschappij voor gevoelens van grote angst en onveiligheid heeft gezorgd. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. Over de persoon van de verdachte is een aantal rapporten geschreven. Drs. M. Westra - Smit, GZ-psycholoog heeft op 22 november 2021 als volgt gerapporteerd: Betrokkene functioneert op de grens van laag- en benedengemiddeld intelligentieniveau, wat in combinatie met problemen in het adaptief vermogen wordt geclassificeerd als een zwakbegaafd cognitief niveau. Er is sprake van een emotioneel-sociale achterstand. De sociale cognitie en sociale interactie zijn beperkt in vergelijking met zijn kalenderleeftijd. Er worden in onderhavig onderzoek veel kenmerken van een autismespectrumstoornis gezien. Vanuit de ontwikkelingsanamnese, school en een eerdere intake bij de GGZ zijn er ook contra-indicaties. De classificatie autisme wordt niet gesteld. De sociaal cognitieve ontwikkeling is evenwel een reden tot zorg en wordt geclassificeerd als gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Dit was evenzo ten tijde van het ten laste gelegde feit. Betrokkene is een ontkennende verdachte. Op basis van de beschikbare stukken is onvoldoende een gedragskundige reconstructie van het ten laste gelegde feit te maken. Of en hoe de stoornissen het gedrag en de gedragskeuzes hebben beïnvloed is op basis van de beschikbare gegevens niet vast te stellen. Het risico op geweldsdelicten wordt op basis van zowel de klinische inschattingals gestructureerde taxatie middels de SAVRY als matig geschat. Dit risico wordtgevormd door historische risicofactoren, risicofactoren die gelegen zijn in de persoon van betrokkene, waarbij hij onvoldoende zijn emoties kan reguleren en over een gering oplossend vermogen beschikt. Betrokkene is kwetsbaar vanuit zijn beperkte cognitieve vermogens, zijn beperkingen in sociaal cognitief functioneren en sociale vaardigheden. Hij behoeft begrenzing, structuur en begeleiding. Als deze externe begrenzing wegvalt is hij onvoldoende in staat zichzelf te reguleren, goede keuzes te maken en is naïef in relatie tot leeftijdgenoten en kan zich laten meenemen in negatief en deviant gedrag. Geadviseerd wordt om een intensieve, outreachende en praktische vorm van coaching in te zetten voor zowel betrokkene zelf als voor pedagogische ondersteuning van vader. Gezien de cognitieve beperkingen en de problemen in sociale cognitie en vaardigheden is een gespecialiseerde coaching met kennis en expertise op het gebied van autisme geïndiceerd. Geadviseerd wordt om, indien het tenlastegelegde feit bewezen wordt geacht, de begeleiding en ondersteuning vorm te geven in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf om de kans op recidive in de toekomst te verminderen. Betrokkene is gebaat bij structuur en controle, waaronder urine controles, een maatregel van toezicht en begeleiding, uitgevoerd door de William Schrikker Stichting, wordt passend geacht. De Raad voor de Kinderbescherming (verder de Raad) heeft op 7 april 2022 als volgt gerapporteerd: Gezien de complexe problematiek is de Raad van mening dat de verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft middels jeugdreclassering. De verdachte wordt reeds begeleid door de jeugdreclassering (i.v.m. schorsende voorwaarden) en stelt zich begeleidbaar op. De Raad vindt het daarom wenselijk dat de jeugdreclassering samen met de verdachte en ouders verder onderzoekt wat nodig is, hulpverlening inzet/voortzet en het verloop hiervan monitort. De uitvoering adviseert de Raad te leggen bij de William Schrikker Stichting. Dit in verband met het IQ van de verdachte in combinatie zijn ontwikkelingsproblematiek. De verdachte functioneert cognitief op de grens van laag en beneden gemiddeld niveau wat beperkingen geeft in het conceptueel, praktisch en sociale functioneren.Gezien de ernst van het feit adviseert de Raad een deels voorwaardelijkejeugddetentie op te leggen. Het onvoorwaardelijke deel van dejeugddetentie is voor de tijd die de verdachte al heeft gezeten. Het voorwaardelijke deelgeeft de verdachte de ruimte om zich te richten op begeleiding, maar dient hopelijk ook als motivatie om herhaling te voorkomen. De Raad meent dat daarnaast elektronische controle voortgezet dient te worden. De reden hiervoor is dat hulpverlening nog van de grond moet komen en er nog onvoldoende zicht is op verdachte en wat hij doet in zijn vrije tijd. De rechtbank maakt zich, gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheid dat in de telefoon van de verdachte een zeer verontrustende notitie is aangetroffen, zorgen over de verdachte. De rechtbank neemt bij de bepaling van de strafmaat tot uitgangspunt de informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die uit de rapporten en ter zitting naar voren is gekomen. Door de ontkennende houding van de verdachte, ook tijdens het onderzoek van de psycholoog, is die informatie beperkt. De verdachte heeft immers geen enkel inzicht gegeven in het waarom van zijn handelen. Hoewel de rechtbank dit zorgelijk vindt, ziet zij geen mogelijkheid om een andere strafmodaliteit op te leggen dan zoals hierna bepaald. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd en - in het voordeel van de verdachte -met zijn blanco strafblad. De rechtbank ziet in de ernst van het feit aanleiding om aan de verdachte - conform de eis van de officier van justitie - een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen voor de duur van 300 dagen met een proeftijd van 2 jaar. Het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie is gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Het voorwaardelijk strafdeel is bedoeld om de verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van strafbare feiten en de begeleiding en behandeling van de verdachte te waarborgen. Uit de rapportage van de psycholoog blijkt dat de verdachte lijdt aan een neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Als bijzondere voorwaarde legt de rechtbank dan ook op begeleiding door de jeugdreclassering met de daarbij behorende meldplicht in combinatie met de verplichting om mee te werken aan behandeling door Middin, in de vorm van in ieder geval (doch niet uitsluitend) een coachingtraject, en eventuele behandeling voor het drugsgebruik van de verdachte, met als verdere bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek. Ook legt de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer op. Verder dient de verdachte naar school/werk/stage te gaan. Tenslotte dient de verdachte zich gedurende een periode van 8 maanden, te weten tot 24 augustus 2022, onder elektronisch toezicht te stellen, waarbij de tijd dat de verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis reeds onder elektronisch toezicht heeft gestaan op die periode in mindering dient te worden gebracht en dient hij zich te houden aan de tijden van de avondklok, zoals door de jeugdreclassering te bepalen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Uit het psychologisch rapport blijkt dat de kans op recidive van de verdachte kan worden verminderd door verplichte begeleiding en ondersteuning in het kader van het opleggen van bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van het toezicht bevelen, nu er naar het oordeel van de rechtbank zonder behandeling ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 7De vordering benadeelde partij Het [slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een schadevergoeding van € 2.704,98, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 204,98 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de verdediging Gelet op de door haar bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw aansprakelijkheid voor de schade van het slachtoffer afgewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met het geringe letsel van het slachtoffer en het feit dat het incident niet tot blijvend letsel of psychische schade heeft geleid. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter hoogte van het gevorderde bedrag. Dit bedrag staat in redelijke verhouding tot de schade die het slachtoffer heeft geleden. De rechtbank vindt dan ook dat de verdachte aan [slachtoffer] € 2.704,98, bestaande uit € 204,98 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade moet betalen. De benadeelde partij heeft door toedoen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen. Ook heeft het steekincident ingrijpende gevolgen gehad voor de psychische gesteldheid van de benadeelde. De rechtbank ziet geen redenen om dit bedrag te verlagen, want het is een redelijk bedrag. Daar komt de wettelijke rente ook nog bij, te rekenen vanaf de dag dat het feit is gepleegd, te weten 29 juli 2019 tot aan de dag dat het bedrag is betaald. Dit brengt mee dat de verdachte ook moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 0,00. De rechtbank zal aan de verdachte ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat hij het bedrag aan de staat moet betalen en de staat ervoor zorgt dat het geld bij de benadeelde partij terecht komt. De rechtbank zal de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. 8De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 9Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 10De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het (impliciet primair) tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven en kwalificeert dit als poging doodslag; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: jeugddetentie voor de duur van 300 dagen; bepaalt dat de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht hier vanaf getrokken moet worden, tenzij dat al bij een andere straf is gedaan; bepaalt dat een gedeelte groot 189 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens het niet nakomen van na te melden voorwaarden en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht; - gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met: - [slachtoffer] , geboren op 3 januari 2009; - gedurende de periode tot 24 augustus 2022 aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [adres 2] , zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht en gedurende de tijden in overleg met de jeugdreclassering te bepalen, waarbij de veroordeelde zich voor diezelfde periode onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde; - zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek; - zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een Middin of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn ontwikkelingsstoornis; - gedurende de proeftijd mee zal werken aan het coachingtraject van Middin of een soortgelijke instelling; - gedurende de proeftijd onderwijs/stage zal volgen dan wel een andere vorm van dagbesteding zal hebben; geeft opdracht aan de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn; wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot het bedrag van € 2.704,98, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 29 juli 2021 tot de dag waarop de vordering is betaald, en veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 0,00, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte op de verplichting om € 2.704,98, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 29 juli 2021 tot de dag waarop de vordering is betaald, aan de Staat te betalen voor het [slachtoffer] ; bepaalt de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen als de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichting; bepaalt dat door betaling aan de Staat, de verplichting om aan de benadeelde partij te betalen vervalt en omgekeerd. heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, voorzitter, mr. C.M. van der Klein, kinderrechter, en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Braaksma, griffier. Het is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 12 mei 2022. Mr. M.J. Bouwman en mr. W. Braaksma zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Bijlage I(vul geboortedatum
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.