← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:4560

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL22.7433 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek-de Graaf). Procesverloop Bij besluit van 26 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2022 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, via een beeldverbinding. Als tolk is verschenen via een beeldverbinding H. Lotfi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum]. Hij heeft eerder gesteld de Tunesische nationaliteit te hebben, maar stelt nu de Algerijnse nationaliteit te hebben.
  2. Bij besluit van 19 november 2020 heeft verweerder een eerdere asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren. Op 26 april 2022 is eiser overgenomen van de Belgische autoriteiten, waarna hij opnieuw asiel in Nederland heeft aangevraagd.
  3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en er geen concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. Daarbij verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:
  4. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiser tot op heden heeft verklaard de Tunesische nationaliteit te hebben en dat hij nog niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft, zodat deze stelling van eiser geen gevolgen kan hebben voor de maatregel van bewaring.
  5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is zicht op uitzetting geen voorwaarde bij een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Dat is namelijk de bewaringsgrondslag die samenhangt met een nog lopende asielaanvraag en dan is uitzetting niet aan de orde. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2092), rechtsoverweging
  6. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep ongegrond;  wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.