RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.7188 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. N. Vollebergh), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils). Procesverloop Bij besluit van 22 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 25 april 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Op 26 april 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 2 mei 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Poolse nationaliteit te bezitten. Bij besluit van 14 maart 2022 heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.
- In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel van bewaring vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- Ten aanzien van de zware gronden 3a en 3c voert eiser aan dat uit het dossier niet blijkt dat aan hem kenbaar is gemaakt dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Blijkens het digitale dossier is het verwijderingsbesluit van 14 maart 2022 op 25 april 2022 om 10:21 uur aan het dossier toegevoegd, zodat dit kenbaar moet zijn geweest vóórdat op 25 april 2022 om 17:56 uur de gronden van beroep zijn ingediend. De zware gronden 3a en 3c zijn daarmee terecht aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Eiser heeft de lichte gronden niet gemotiveerd betwist. Er is dan ook geen aanleiding om de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten.
- Daarnaast voert eiser aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een lichter middel. Daarbij stelt hij dat hem tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet is meegedeeld dat hij in dat kader feiten en omstandigheden naar voren kan brengen en dat hij daarover niet is bevraagd. Ook hierin kan eiser niet worden gevolgd. Uit het proces-verbaal van dit gehoor blijkt dat aan eiser is meegedeeld dat hij is gehoord vanwege het voornemen om hem in bewaring te stellen en dat aan eiser is gevraagd of er omstandigheden zijn waarmee rekening zou moeten worden gehouden.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.