← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:4714

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.7669 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils). Procesverloop Bij besluit van 29 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 4 mei 2022 de maatregel van bewaring opgeheven. Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 6 mei 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Op 9 mei 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 11 mei 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]
  2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
  3. Eiser voert aan dat verweerder op het moment van opleggen van de vreemdelingenbewaring (op 29 april 2022) al bekend was met het feit dat eiser nog een strafrechtelijk vonnis moest uitzitten. Volgens eiser had verweerder hem niet in vreemdelingenbewaring moeten plaatsen maar meteen moeten overgaan tot het uitvoeren van het strafrechtelijk vonnis.
  4. Uit het beleid van verweerder, zoals vastgelegd in paragraaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000, volgt dat indien tijdens de bewaring bekend wordt dat de vreemdeling nog een strafrechtelijk vonnis of arrest moet ondergaan, een vonnis zo snel mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. De rechtbank acht dit beleid redelijk. Uit het dossier blijkt dat op 29 april 2022, na het tijdstip van in bewaringstelling, is geconstateerd dat eiser gesignaleerd stond voor winkeldiefstal. Eén werkdag later (2 mei 2022) heeft verweerder eisers Justitiële Documentatie opgevraagd. Ook is op die dag een vertrekgesprek met eiser gevoerd waarbij het strafrechtelijk vonnis is besproken. Voorts is de bewaring van eiser op 4 mei 2022 opgeheven. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
  5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.