RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: NL20.14701 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Procesverloop Bij besluit van 22 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn ingediend op 20 augustus 2020 en aangevuld op 23 september
(2015)van de Veiligheidsraad van de VN het volgende geciteerd: “Reaffirming that terrorism in all forms and manifestations constitutes one of the most serious threats to peace and security and that any acts of terrorism are criminal and unjustifiable regardless of their motivations, whenever, wherever, and by whomsoever committed, and reiterating its unequivocal condemnation of the Islamic State in Iraq and the Levant (ISIL, also known as Da’esh), Al-Qaida, and associated individuals, groups, undertakings, and entities for ongoing and multiple criminal terrorist acts aimed at causing the deaths of innocent civilians and other victims, destruction of property, and greatly undermining stability”.
- Volgens verweerder maakt dit voldoende duidelijk dat IS niet kan worden aangemerkt als een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag aan wiens leden bescherming zou toekomen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de problemen van eiser als gevolg van de bij de Koerdische veiligheidsdienst en anderen bekend geworden feiten over eiser, niet zijn te herleiden tot het hebben van een godsdienstige overtuiging. Eiser staat volgens verweerder in Irak bekend als IS-strijder en loopt, zoals hij ook zelf heeft verklaard, geen risico vanwege zijn geloofsovertuiging. Verweerder heeft er daarnaast op gewezen dat ook de informatie uit het ambtsbericht Irak uit 2021 (paragraaf 3.3.3) over de behandeling van personen met (vermeende) banden met IS geen reden geeft om daar anders over te oordelen.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het voorgaande voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen geslaagd beroep op vluchtelingschap kan doen. Eisers betoog ter zitting dat verweerder pas ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat het aangenomen risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM gelegen zou zijn in het zijn van terrorist en dus tardief is, gaat niet op. De rechtbank wijst erop dat eiser in de zienswijze expliciet heeft vermeld dat de geloofwaardigheid van het tweede relevante element, de bekendheid van eiser in Irak en elders als veroordeelde terreurverdachte, jihadist dan wel Koerdische sympathisant van IS, niet in geschil is. Dat IS is geplaatst op eerder bedoelde sanctielijst impliceert in feite al dat in de onderhavige context de terroristische component zwaarder weegt dan de politieke/religieuze component waar eiser zich nu op beroept. Eisers betoog dat de door verweerder gemaakte beoordeling over het vluchtelingschap in dit opzicht onvolledig is geweest, gaat dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet op. Ernstig gevaar openbare orde of nationale veiligheid
- Wat betreft de ernstige gronden om aan te nemen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, stelt de rechtbank vast dat verweerder zowel in het voornemen als in het bestreden besluit heeft vermeld dat tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van 20 jaar is uitgevaardigd. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser is veroordeeld wegens het plegen van terroristische misdrijven. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat eiser recentelijk (op 22 oktober 2019) tot zes jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf waarbij eveneens de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk gedeelte, groot één jaar, is gelast.
- De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende is gemotiveerd waarom er volgens verweerder ernstige gronden zijn om aan te nemen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Eisers betoog dat zowel het besluit waarbij het Nederlanderschap werd ingetrokken als het besluit waarbij een terugkeerbesluit met een inreisverbod van 20 jaar is opgelegd nog niet in rechte onaantastbaar zijn geworden, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit mogen uitgaan van de inhoud van de twee genoemde besluiten van 28 mei
- De meervoudige kamer van de rechtbank Limburg heeft bij uitspraak van 28 mei 2021 (ROE19/3504, ECLI:NL:RBLIM:2021:4336) het beroep van eiser gericht tegen het in bezwaar gehandhaafde besluit tot intrekking van het Nederlanderschap ongegrond verklaard. Bij uitspraak van vandaag (met zaaknummer AWB 19/4859) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ook het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod ongegrond verklaard. Zoals de rechtbank in laatstgenoemde uitspraak heeft overwogen, is het rechtsgevolg van het besluit van 28 mei 2019 waarbij het Nederlanderschap van eiser is ingetrokken direct ingetreden. Dat betekent dat het ervoor gehouden moest worden dat eiser met ingang van 28 mei 2019 geen Nederlander meer is, maar een vreemdeling als bedoeld in artikel 1 van de Vw 2000 tegen wie, indien voldaan wordt aan de toepasselijke voorwaarden, een terugkeerbesluit en inreisverbod kan of moet worden uitgevaardigd. Uit laatstgenoemde uitspraak blijkt verder dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod niet heeft volstaan met verwijzing naar eisers veroordelingen, maar ook de persoonlijke gedragingen, het recidivegevaar en eisers persoonlijke omstandigheden voldoende heeft meegewogen. Nu de tegen de beide besluiten van 28 mei 2019 ingestelde beroepen ongegrond verklaard zijn, is er nog minder grond om aan te nemen dat verweerder ten onrechte van de inhoud van die besluiten is uitgegaan. Reeds omdat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ook eisers meest recente veroordeling van 22 oktober 2019 betrokken heeft, kan niet gezegd worden dat verweerder niet aan het actualiteitsvereiste heeft voldaan. Artikel 8 van het EVRM
- Eisers stelling dat verweerder hem op grond van artikel 8 van het EVRM verblijf had moeten toestaan, slaagt evenmin. De omstandigheden dat eiser al op jonge leeftijd (10 jaar oud) naar Nederland is gekomen, al meer dan 20 jaar in Nederland verblijft, Nederlander is geworden, in Nederland onderwijs heeft gevolgd, een nieuw bestaan in Nederland heeft opgebouwd en Nederlands spreekt, zijn beoordeeld in het kader van het besluit van 28 mei 2019 waarbij eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van 20 jaar is opgelegd. Zoals gezegd heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die reden geven voor het oordeel dat nu aan het persoonlijk belang van eiser meer gewicht zou moeten worden toegekend dan aan het belang van de Nederlandse Staat. De veroordeling van 22 oktober 2019 werkt in dit opzicht in het nadeel van eiser mee. De conclusie
- Op grond van al het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. 22Het beroep is ongegrond. 23Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, voorzitter, en mr. N.J.J. Derks -Voncken en mr. R.M.M. Kleijkers, leden, in aanwezigheid van mr.E.M.J. Clermonts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 mei
- Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.