RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/7862 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2022 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] (gemeente [gemeenteplaats] ), eiseres (gemachtigde: mr. S. Benali) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. A. Arabkhani). Procesverloop Bij besluit van 19 maart 2020 (primair besluit) heeft verweerder bepaald dat eiseres vanaf 7 mei 2020 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 6 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze plaatsgevonden op 15 februari
- Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te geven nadere informatie te verstrekken. Op 15 maart 2022 heeft de rechtbank van verweerder een nieuw besluit op bezwaar van 9 maart 2022 ontvangen. Vervolgens heeft eiseres bij brief van 29 maart 2022 haar beroep tegen het bestreden besluit ingetrokken. Eiseres verzoekt daarbij om verweerder te veroordelen in de proceskosten van haar beroep. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, Algemene wet bestuusrecht (Awb) kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb in de proceskosten veroordelen.
- Verweerder is met het besluit van 9 maart 2022 geheel aan het beroep van eiseres tegemoet gekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, Awb. Dit geeft aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van eiseres.
- De door eiseres gemaakte proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-; - draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.