RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.8534 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. P. Scholtes), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L. Verhaegh). Procesverloop Bij besluit van 12 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Tribak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Soedanese nationaliteit te bezitten.
- Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn verblijfsvergunning niet meer verlengd is en dat hij geen verblijfsvergunning heeft in Duitsland. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij niet weet hoe hij kan weten of hij nog een verblijfsvergunning heeft. Deze stellingen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat eiser geen verblijfvergunning meer heeft in Duitsland.
- De grondslag voor de maatregel is artikel 59, tweede lid, Vw. De Afdeling heeft, na het stellen van prejudiciële vragen, in haar uitspraak van 12 januari 2022 bepaald dat deze bepaling ten grondslag kan worden gelegd aan het in bewaring stellen van zogenoemde statushouders. Artikel 59, tweede lid, Vw vereist echter onder meer dat “de voor terugkeer van betrokkene noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnenkort voorhanden zijn”. In dit geval is niet in geschil dat de noodzakelijke documenten op korte termijn voorhanden komen.
- De stelling van eiser dat in de maatregel van bewaring geen gronden zijn genoemd, mist relevantie. In artikel 59, tweede lid, van de Vw staat immers dat, indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, het belang van de openbare orde geacht wordt de bewaring van de vreemdeling te vorderen. De zware en lichte gronden waaraan eiser refereert, zoals vermeld in artikel 5.1a en 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), hebben geen betrekking op artikel 59, tweede lid, van de Vw. De stelling van eiser dat niet zichtbaar is waar het openbare orde aspect in gelegen is, treft dan ook geen doel.
- Eiser voert aan dat alhoewel hij niet direct heeft voldaan aan zijn vertrekplicht, hij uiteindelijk wel is teruggekeerd naar Duitsland. Dit kan hij echter niet aantonen met documenten. Eiser stelt dat hij in Duitsland is aangehouden en een aantal dagen in detentie heeft gezeten. Dit omdat hij boetes had openstaan. Eiser voert verder aan dat hij, nadat hij in Duitsland is geweest, weer naar Nederland is gegaan: hij verblijft in Nederland dan ook in zijn vrije termijn. Daarbij komt dat uit de stukken in het dossier in ieder geval blijkt dat eiser in Frankrijk is geweest en Nederland dus wel degelijk heeft verlaten. Er had dan ook eerst een nieuwe aanzegging gedaan moeten worden.
- De rechtbank stelt vast dat eiser bij beschikking van 3 november 2020 is bevolen om zich naar Duitsland te begeven. In deze beschikking is tevens vermeld dat hij zou worden verwijderd indien hij niet aan die opdracht zou voldoen. Eiser heeft niet kunnen onderbouwen dat hij daadwerkelijk in Duitsland is geweest. Dat uit de stukken in het dossier blijkt dat hij in Frankrijk is geweest doet daar niet aan af. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
- Tot slot merkt eiser op dat pas na vier dagen een claimverzoek is verstuurd naar de Duitse autoriteiten, in welk verzoek ook geen termijn voor reactie is opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld door binnen vier dagen een terugnameverzoek te verzenden naar de Duitse autoriteiten. Daarbij merkt de rechtbank op dat in deze brief wordt verzocht om het verzoek zo spoedig mogelijk te beantwoorden, omdat betrokkene in detentie zit.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Met als ECLI-nummer: ECLI:NL:RVS:2022:28.