← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:5372

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.9046 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. R. Hopman). Procesverloop Bij besluit van 13 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 20 mei 2022 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 25 mei 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1998 en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten.
  2. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, heeft eiser in zoverre geen procesbelang meer bij de behandeling van het beroep. Ook heeft verweerder al aan eiser aangeboden een schadevergoeding te willen betalen. De rechtbank ziet zich nog gesteld voor de vraag of aan eiser een hogere schadevergoeding moet worden toegekend dan is aangeboden. In dit verband moet worden beoordeeld of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan zodanig onrechtmatig is geweest dat een hogere schadevergoeding aangewezen is. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
  3. Eiser voert aan dat de maatregel onrechtmatig tot stand is gekomen. De maatregel was niet ondertekend toen deze aan eiser werd uitgereikt. Eiser dient daarom een schadevergoeding te ontvangen voor de volledige duur van de maatregel.
  4. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de maatregel onrechtmatig tot stand is gekomen. De maatregel is uitgereikt aan eiser op 13 mei 2022 om 17:33 uur. De ondertekening heeft (zo volgt uit de - verifieerbare - digitale handtekening) op 13 mei 2022 om 18:18 uur plaatsgevonden. Eiser heeft daarom ten onrechte geen ondertekende maatregel uitgereikt gekregen. Dit is een zodanig gebrek, dat dit leidt tot de conclusie dat de opgelegde maatregel van bewaring van begin af aan onrechtmatig was.
  5. De rechtbank volgt dit standpunt. Niet is gebleken dat aan eiser een ondertekende maatregel is uitgereikt. Dit is een gebrek dat de inbewaringstelling onrechtmatig maakt als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank valt de belangenafweging in dit geval in het voordeel van eiser uit gelet op de ernst van het gebrek en dat van een zwaarwegend belang aan de zijde van verweerder verder niet is gebleken. Dat betekent dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is.
  6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor acht dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 130,- (verblijf politiecel) = € 1040,-.
  7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1040,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  8. zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:543.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.