RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/6180 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2022 in de zaak tussen [eiseres 1] , te [woonplaats] , eiseres, [eiser 1] , omwonende 1, [eiser 2] , omwonende 2, Familie [eiser 3], omwonenden 3, [eiser 4] , omwonende 4, [eiser 5] , omwonende 5, [eiser 6] , omwonende 6, [eiser 7] , omwonende 7, [eiser 8] , omwonende 8, [eiser 9] , omwonende 9, [eiseres 2] , omwonende 10, [eiser 10] , omwonende 11, [eiser 11] , omwonende 12, [eiser 12] , omwonende 13, [eiseres 3] , omwonende 14, [eiser 13] , omwonende 15, [eiser 14] , omwonende 16, [eiser 15] , omwonende 17, [eiser 16] , omwonende 18, [eiser 17] , omwonenden 19, [eiseres 4] , omwonende 20, [eiseres 1] , omwonende 21, Hierna gezamenlijk aan te duiden als eisers, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: G. Tjon Man Tsoi). Als derde-partij neemt aan het geding deel Aaltje Noordewier Ontwikkeling B.V., te Amsterdam, vergunninghoudster (gemachtigde: mr. F. onrust). Procesverloop Bij besluit van 13 augustus 2021, gepubliceerd op 19 augustus 2021, (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een gebouw met 78 woningen en een garage ter plaatse van het te slopen kantoor- en kerkgebouw aan de Aaltje Noordewierstraat 199 en Louis Davidsstraat 2 te Den Haag. Op 20 september 2021 heeft eiseres, mede namens de 21 omwonenden, beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 12 januari 2022 heeft vergunninghoudster haar zienswijze naar voren gebracht. Op 24 maart 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Onderhavige beroepszaak is samen met de beroepszaken met zaaknummers SGR 21/6172 en SGR 21/6209 ter zitting behandeld op 25 april 2022. Eiseres is verschenen. Daarnaast zijn namens eisers [A] en [B] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [C] . Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [D] . Overwegingen Wat ging er aan deze procedure vooraf? 1.1 Op 14 maart 2019 heeft [bv] B.V. namens vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een gebouw met 78 huurwoningen en een garage ter plaatse van het te slopen kantoor- en kerkgebouw aan de Aaltje Noordewierstraat 199 en Louis Davidsstraat 2 te Den Haag (hierna ook: de Ontmoetingskerk). Het betreft het perceel kadastraal bekend als gemeente [gemeenteplaats] , sectie [X] , nummer [kadastraal nummer] . [bv] B.V. is de eigenaresse van dit perceel. De aanvraag heeft betrekking op de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 1.2 Verweerder heeft de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd, als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Wabo. Op 20 april 2021 heeft verweerder het ontwerpbesluit van 16 april 2021 in het Gemeenteblad gepubliceerd. Dit ontwerpbesluit heeft vanaf 20 april 2019 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eiseres heeft hiertegen tijdig een zienswijze ingediend. Het bestreden besluit 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verweerder heeft hierbij toepassing gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12., eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het bouwplan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en aan de welstandscriteria. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit verwezen naar de beantwoording van de ingediende zienswijzen. Procedurele punten Ontvankelijkheid/belanghebbendheid 3.1 Ambtshalve ziet de rechtbank zich allereerst geplaatst voor de vraag of eisers zijn aan te merken als belanghebbende(n). 3.2 In artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat – voor zo ver hier van belang – dat een belanghebbende geen beroep kan instellen als hij eerder geen zienswijze heeft ingediend. Volgens vaste rechtspraak zal deze bepaling in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast niet worden tegengeworpen aan belanghebbenden. 3.3 De rechtbank stelt vast dat negen omwonenden namens wie eiseres beroep heeft ingesteld geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit omgevingsvergunning hebben ingediend. Althans, deze personen staan niet in de lijst die bij de zienswijze van eiseres is gevoegd. Het betreft omwonenden 3, omwonende 4, omwonende 5, omwonende 9, omwonende 13, omwonende 17, omwonende 18, omwonende 19 en omwonende 20. Uit bovengenoemde rechtspraak volgt dat het antwoord op de vraag of deze negen omwonenden in hun beroep kunnen worden ontvangen, afhankelijk is van de vraag of zij als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. 3.4 Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. Uit vaste rechtspraak volgt dat wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, mits die gevolgen van enige betekenis zijn. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, zijn de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, van belang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen wegen mee.. 3.5 Op basis van de gedingstukken stelt de rechtbank vast dat, op omwonende 20 en 21 na, alle eisers in de Pieter de Voisstraat of de Aaltje Noordewierstraat woonachtig zijn. De Pieter de Voisstraat ligt direct achter de planlocatie en het gedeelte van de Aaltje Noordewierstraat waar de desbetreffende eisers wonen, ligt direct tegenover de planlocatie. De hier woonachtige eisers zijn alleen al gelet hierop aan te merken als belanghebbenden. Omwonenden 20 en 21 zijn woonachtig in de Stephanus Cousijnsstraat op circa 100 meter van de planlocatie en zullen hoogstwaarschijnlijk direct zicht op het toekomstige gebouw hebben. Vanwege de planologische uitstraling van het te realiseren gebouw, met name de hoogte, acht de rechtbank het aannemelijk dat ook omwonenden 20 en 21 gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van de verleende vergunning. Ook zij zijn daarom aan te merken als belanghebbenden. Alle eisers zijn daarom ontvankelijk in hun beroep. De omstandigheid dat zij niet allen een zienswijze tegen het ontwerpbesluit omgevingsvergunning hebben ingediend, zal hen niet worden tegengeworpen. De toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet 4. Op het bestreden besluit is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing, zoals ook is vermeld in de brieven van 14 oktober 2021 en 8 maart 2022. Het bouwplan voorziet immers in de bouw van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied en de omgevingsvergunning is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo verleend (categorie 3.1 van bijlage I bij de Chw). Dit heeft tot gevolg dat na afloop van de beroepstermijn de gronden voor het beroep niet meer aangevuld mogen worden, zoals de rechtbank per brief aan eiseres heeft bericht. Desondanks is in de uitnodigingsbrief van de rechtbank van 24 maart 2022 opgenomen dat tot tien dagen voor de zitting nieuwe stukken ingediend mogen worden. Eiseres heeft ter zitting in de vorm van pleitaantekeningen een aanvullend stuk ingediend. Vanwege de door de rechtbank veroorzaakte verwarring over de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen, zal de rechtbank het ter zitting ingediende stuk in de beoordeling meenemen. De rechtbank ziet deze mogelijkheid omdat het stuk ter zitting door verweerder en vergunninghoudster is bekeken en becommentarieerd. Omvang van het geding 5. De eisende partij van de beroepszaak met zaaknummer SGR 21/6172 heeft mede namens eisers op 10 november 2021 een informatieve brief van verweerder van 8 oktober 2021 bij de rechtbank ingediend. In deze brief worden omwonenden geïnformeerd over de omstandigheid dat het ontwerpbestemmingsplan Waldeck 2021 met ingang van 14 oktober 2021 ter inzage wordt gelegd. Verder wordt toegelicht dat het bouwplan waar deze procedure over gaat (nog) niet in het bestemmingsplan is opgenomen, omdat hier een afzonderlijke procedure over gevoerd gaat worden. Gesteld wordt dat het bouwplan opgenomen had moeten worden in het nieuwe bestemmingsplan. Zoals de rechtbank ter zitting reeds heeft toegelicht kan de rechtbank alleen de rechtmatigheid van het bestreden besluit toetsen. Het ontwerpbestemmingsplan Waldeck 2021 kan daarom geen onderdeel van deze procedure uitmaken. Toetsing van het ontwerpbestemmingsplan Waldeck 2021 kan daarom geen onderdeel van deze procedure uitmaken. Ook de beoordeling van de sloop van de kerk valt buiten de omvang van dit geding, omdat de beslissing tot sloop geen deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning. De voorbereiding van het bestreden besluit/participatie 6.1. Samengevat weergegeven voeren eisers aan dat zij als omwonenden onvoldoende betrokken zijn bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Er heeft ten onrechte geen participatietraject plaatsgevonden., terwijl dit in dit geval wel op zijn plaats was geweest. Verweerder heeft klakkeloos de verwachtingen en aannames van vergunninghoudster overgenomen en is akkoord gegaan met het bouwplan zonder dat omwonenden hier iets over te zeggen hadden. Verder zijn eisers onvoldoende en onjuist geïnformeerd door verweerder en/of vergunninghoudster, onder andere over de gevolgen van het project voor de Pieter de Voisstraat. Ook zijn de zienswijzen in de reactie hierop kort door de bocht en opportunistisch samengevat en zijn vaak onterecht punten uit verschillende zienswijzen samengevoegd. Tot slot lijkt verweerder bij de beantwoording van de zienswijzen sterk te leunen op de input van vergunninghoudster en worden de ingebrachte visies onvoldoende weerlegd. Volgens eisers is het bestreden besluit dan ook onzorgvuldig voorbereid. 6.2 De rechtbank begrijpt dat eisers zich als omwonenden betrokken voelen bij de planologische ontwikkelingen in hun directe omgeving en dat zij meer inspraak hadden willen hebben. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid te volgen. Zoals reeds in 1.2 is aangegeven, is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van paragraaf 3.3 van de Wabo van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze procedure volledig en op de juiste wijze doorlopen. Verder heeft verweerder alle ingediende zienswijzen betrokken in de besluitvorming en beantwoord in het bestreden besluit. Dit is ter zitting door verweerder bevestigd. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de zienswijzen samengevat weergegeven worden. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. 6.3 Ten aanzien van de aangevoerde gronden met betrekking tot de participatie merkt de rechtbank allereerst op dat het feit dat de participatie niet in de door eisers gewenste vorm heeft plaatsgevonden niet betekent dat er helemaal geen participatie heeft plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat er meerdere informatiebijeenkomsten en gesprekken tussen vergunninghoudster en omwonenden, al dan niet in de hoedanigheid van actiecomité, hebben plaatsgevonden. Dit wordt door eisers ook niet bestreden. Verder is door vergunninghoudster ter zitting toegelicht dat het oorspronkelijke plan, een woontoren, niet als aanvraag ingediend is, omdat dit plan negatief ontvangen werd door omwonenden tijdens de presentatie. Aan de hand van de door omwonenden geuite bezwaren is vergunninghoudster begonnen met een nieuw ontwerp. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het hier voorliggende bouwplan. Verder blijkt uit het dossier dat op 3 februari 2021 nog een bijeenkomst met de ‘Commissie Ruimte’ heeft plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst heeft het actiecomité haar bezwaren met betrekking tot het bouwplan (opnieuw) kunnen uiten. Gelet op het voorgaande deelt de rechtbank het standpunt van eisers dat geen participatietraject heeft plaatsgevonden en dat omwonenden niet bij de besluitvorming betrokken zijn niet. 6.4 Dat er geen maatschappelijk draagvlak is voor het plan, zoals eisers ter zitting nogmaals benadrukt hebben, maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig geacht moet worden. Het is vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat draagvlak voor de ontwikkeling ontbreekt of dat van draagvlak onvoldoende gebleken is, geen dragend argument kan zijn voor het weigeren van planologische medewerking. Het plan waarvoor vergunning is gevraagd, moet beoordeeld worden op grond van ruimtelijke motieven. Het vorenstaande neemt niet weg dat, bijvoorbeeld op grond van gemeentelijk beleid, van een initiatiefnemer kan worden verlangd dat hij (specifieke) inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden en het verwerven of vergroten van maatschappelijk draagvlak voor de gewenste ontwikkeling. Het niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting kan voor het bestuursorgaan reden zijn de gewenste medewerking niet te verlenen. 6.5 De rechtbank overweegt dat eisers in dit verband hebben verwezen naar de ‘Visie op religieus erfgoed’ (kerkenvisie). Los van de vraag wanneer de kerkenvisie is vastgesteld en of die door verweerder betrokken is bij de besluitvorming, is de rechtbank van oordeel dat dit beleid voor deze procedure niet relevant is. Dit beleid heeft namelijk betrekking op (het onderzoeken van) de herontwikkeling van kerkgebouwen, bijvoorbeeld in de vorm van sloop of herbestemming. In tegenstelling tot wat eisers aanvoeren maken het slopen dan wel herbestemmen van de Ontmoetingskerk geen onderdeel uit van deze procedure. Deze procedure heeft namelijk enkel betrekking op de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met 78 woningen en een garage ter plaatse van de te slopen Ontmoetingskerk. 6.6 Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit op zorgvuldige wijze is voorbereid. 7. De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden. Wettelijk kader 8. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, (…) c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…). Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd in geval van – kort gezegd – (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.