Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/322667-20 Datum uitspraak: 14 juni 2022 Tegenspraak De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] te ’s-Gravenhage, BRP-adres: [adres] 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 31 mei 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.F. Heslinga en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S. van der Eijk naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting - ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 6 of 7 oktober 2017 te ’s-Gravenhage door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het meenemen naar de/een (slaap)kamer en/of het op het bed laten plaatsnemen en/of het betasten van de benen en/of de dijen en/of de schaamstreek en/of vagina en/of het het vastpakken van de arm en/of op de rug draaien van de arm en/of het vasthouden van de pols en/of het omlaagtrekken van de broek en/of het op de rug leggen van het lichaam en/of het leggen van haar benen op zijn, verdachtes, schouders en/of voorbij te gaan aan haar verbale en/of nonverbale signalen van verzet [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten door zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen/duwen. 3Heropening van het onderzoek 3.1. De verzoeken van de verdediging De raadsman heeft bij pleidooi drie voorwaardelijke verzoeken gedaan, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen. Ten eerste heeft hij verzocht om [deskundige] als deskundige te benoemen en hem onderzoek te laten doen naar de betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en validiteit van de door de aangeefster, [slachtoffer] , afgelegde verklaringen. Ten tweede heeft hij verzocht om de aangeefster bij de rechter-commissaris als getuige te horen. Ten derde heeft hij verzocht om de officier van justitie te gelasten de auditieve registraties van de verhoren van de aangeefster aan de verdediging te verstrekken. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de aangeefster zijns inziens tot op heden niet helder heeft kunnen maken hoe zij door de verdachte tot het ondergaan van seksuele handelingen is gedwongen, dat zij nog niet in een verhoor met de verklaringen van de verdachte is geconfronteerd en dat zij evenmin kritisch is bevraagd over de verklaring van de getuige [getuige] . Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verdediging op grond van de zogeheten Keskin-jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in enig stadium van het geding de mogelijkheid dient te worden geboden om de aangeefster te ondervragen en de verdediging deze mogelijkheid nog niet heeft gehad. 3.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het aan de rechtbank is om te bepalen of een getuige betrouwbaar is. Het horen van de aangeefster zou zinloos zijn omdat zij inmiddels heeft kennisgenomen van het dossier en aanwezig was tijdens de terechtzitting. De auditieve verhoorregistraties moeten volgens de officier van justitie niet worden verstrekt, omdat het gaat om privacygevoelige gegevens. Eventueel zouden deze kunnen worden uitgeluisterd door de verdediging en/of de deskundige. 3.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank begrijpt de verzoeken van de verdediging aldus dat als zij de verklaring van de aangeefster zou willen gebruiken voor het bewijs, de aan de verzoeken verbonden voorwaarde is vervuld. Het staat de rechter vrij om zich al in de loop van het strafproces een voorlopig oordeel te vormen over het vermoedelijke of mogelijke gewicht van de al door de betreffende getuige afgelegde verklaring, in het licht van wat uit de overige processtukken blijkt en gelet op de beschuldiging die door het openbaar ministerie in de strafzaak centraal wordt gesteld (Hoge Raad 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 (post-Keskin)). Zonder vooruit te lopen op de beslissingen over de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering overweegt de rechtbank dat de verklaring van de aangeefster bij de bewijsvoering een rol zal kunnen spelen. Hiervan uitgaande zal de rechtbank de verzoeken van de verdediging beoordelen. Het horen van de aangeefster De rechtbank stelt voorop dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden meebrengt dat de verdediging in beginsel het recht heeft een belastende getuige te ondervragen. Indien de verdediging verzoekt tot het horen van een belastende getuige, moet het belang daarbij worden verondersteld. Dit betekent echter niet dat een verzoek tot het horen van een belastende getuige steeds voor toewijzing in aanmerking komt. Zo kan van het horen van een dergelijke getuige worden afgezien indien het horen onmiskenbaar irrelevant of overbodig zou zijn, omdat het horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zou zijn of geen toevoegde waarde zou hebben. Daarnaast geldt het volgende, dat met name van belang is indien – zoals in deze zaak het geval is – in een laat stadium van de procedure wordt verzocht om het horen van een getuige. De rechter moet, voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces. Indien de situatie zich voordoet dat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad om op enig moment in de procedure een belastende getuige te ondervragen, terwijl de rechter de verklaring van die getuige wel voor het bewijs zou willen gebruiken, dient de rechter bij zijn beoordeling het volgende te betrekken: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.