RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/6539 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland, verweerder (gemachtigde: mr. L.C. Haeck). Procesverloop In een viertal besluiten van 11 februari 2020 (de primaire besluiten) heeft verweerder de door eiser verbeurde dwangsommen van € 3.375,-, € 4.575,-, € 750,- en € 2.125,- ingevorderd. Met het besluit van 27 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard met dien verstande dat de totale invordering wordt gematigd tot € 8.118,
- Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Overwegingen
- Bij brief van 12 mei 2021 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen inmiddels is verjaard.
- Gelet daarop, is de rechtbank van oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep niet-ontvankelijk is.
- In de brief van 12 mei 2021 licht verweerder toe dat de opgelegde dwangsommen zijn verbeurd tussen 28 oktober 2019 en 23 december
- Op grond van artikel 5:35, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verjaart de rechtsvordering tot betaling van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd. Omdat er sinds 23 december 2019 meer dan een jaar is verstreken, betekent dit dat verweerder de dwangsommen niet meer kan invorderen. Nu verweerder geen verdere dwangsommen meer kan opleggen op basis van de opgelegde lasten, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit.
- Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
- Nu het vervallen van het procesbelang door het achterwege laten van een tijdige stuitingshandeling voor risico van verweerder komt, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 januari
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.