RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 20/3892, SGR 21/2687 en SGR 21/5002 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [A] ), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: P.B.L. Willemsen). Procesverloop In het besluit van 29 oktober 2019 (primair besluit I) heeft verweerder [A] over de periode van 7 oktober 2019 tot en met 4 oktober 2020 een persoonsgebonden budget (pgb) in het kader van de Jeugdwet (Jw) toegekend van € 11.100,- voor de inkoop van 10 uur en 40 minuten Persoonlijke Verzorging (PV) (informeel) per week. In het besluit van 29 oktober 2019 (primair besluit II) heeft verweerder [A] over de periode van 7 oktober 2019 tot en met 4 oktober 2020 een pgb in het kader van de Jw toegekend van € 5.460,- voor de inkoop van 5 uur en een kwartier Begeleiding Individueel (BI) (informeel) per week. In het besluit van 5 oktober 2020 (primair besluit III) heeft verweerder [A] ambtshalve over de periode van 5 oktober 2020 tot en met 3 januari 2021 een pgb in het kader van de Jw toegekend van € 5.460,- voor de inkoop van 5 uur en een kwartier BI (informeel). In het besluit van 5 oktober 2020 (primair besluit IV) heeft verweerder [A] over de periode van 5 oktober 2020 tot en met 3 januari 2021 een pgb in het kader van de Jw toegekend van € 11.100,- voor de inkoop van 10 uur en 40 minuten PV (informeel) per week. In het besluit van 2 maart 2021 (primair besluit V) heeft verweerder [A] ambtshalve over de periode van 3 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 een pgb in het kader van de Jw toegekend voor de inkoop van 5 uur en een kwartier BI per week tegen een tarief van € 20,- per uur. In het besluit van 2 maart 2021 (primair besluit VI) heeft verweerder [A] over de periode van 3 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 een persoonsgebonden budget (pgb) in het kader van de Jw toegekend voor de inkoop van 10 uur en 40 minuten PV per week tegen een tarief van € 20,- per uur. In het besluit van 28 mei 2020 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit I gegrond verklaard en het toegekende pgb voor PV verhoogd naar € 11.354,-. Het bezwaar van eiser tegen primair besluit II is ongegrond verklaard. Verweerder heeft eiser een proceskostenvergoeding van € 788,- toegekend en een dwangsom van €230,- wegens het niet tijdig nemen van het besluit. In het besluit van 26 maart 2021 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit III en IV niet-ontvankelijk verklaard. In het besluit van 7 juli 2021 (bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit V kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In het besluit van 7 juli 2021 (bestreden besluit IV) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit VI kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen de bestreden besluiten I, II en III beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 19 april 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1 Eiser is de vader en wettelijk vertegenwoordiger van [A] ( [A] ). [A] is geboren op [geboortedag] 2015 en heeft het syndroom van Down en moeilijk reguleerbare epilepsie. Als baby/peuter heeft hij het syndroom van West gehad. Daarnaast is hij slechtziend, slechthorend, hypermobiel en niet zindelijk. 1.2 In het verleden is aan [A] een pgb voor 13 uur en 10 minuten per week BI toegekend. 1.3 Op 30 oktober 2020 heeft eiser een aanvraag ingediend voor hulp in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). Bij besluit van 18 februari 2021 heeft het CIZ een indicatie afgegeven voor Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging. 2.1 Bij bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar ten aanzien van primair besluit I gegrond verklaard omdat 10 uur en 40 minuten PV per week was toegekend, terwijl dit 10 uur en 55 minuten per week had moeten zijn. Het bezwaar ten aanzien van primair besluit II in ongegrond verklaard. 2.2 Bij bestreden besluiten II en III heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten III, IV en V (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaren. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat als er reeds een indicatie in het kader van de Wlz is afgegeven zij een voorziening mogen weigeren en dat zij onverplicht de indicatie ambtshalve hebben verlengd. 3. Eiser voert aan dat alle zorg die hij en zijn vrouw aan [A] verlenen, is aan te merken als bovengebruikelijke zorg. Verweerder heeft daarom ten onrechte uren voor gebruikelijke zorg in mindering gebracht. Eiser betwist dat hij het gevraagde aantal uren (70 uur per week) niet heeft onderbouwd. Doordat verweerder niet verder heeft doorgevraagd, is [A] hierdoor benadeeld. Tot slot stelt eiser dat verweerder niet ambtshalve de verstrekte pgb’s heeft mogen verlengen, zonder meer uren toe te kennen, nu uit het besluit van het CIZ blijkt dat [A] recht heeft op 24-uurszorg. De rechtbank overweegt als volgt. 4.1 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat verweerder het bezwaar van eiser tegen de besluiten III en IV (de aanvragen die zien op de periode van 5 oktober 2020 tot en met 3 januari 2021) ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zijn bezwaar had, aldus de gemachtigde, inhoudelijk moeten worden behandeld. Indien dit was gebeurd, was de beoordeling overeenkomstig die van bestreden besluit I geweest, aldus de gemachtigde van verweerder. Het beroep tegen bestreden besluit II is daarom gegrond. 4.2 De rechtbank heeft in het kader van de doelmatigheid besloten om af te zien van het toepassen van een bestuurlijke lus om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen en zal bestreden besluit II beoordelen alsof dit overeenkomstig bestreden besluit I is genomen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven hiermee in te stemmen. 5.1.1 Artikel 2.3 Jw bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp treft. Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 5.1.2 Artikel 2.14, eerste lid, Jw bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de beschikbare deskundigheid voor de toeleiding, advisering en bepaling van de aangewezen voorziening, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet, alsmede voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder b en c, van de wet. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de wijze waarop het college voorziet in een toereikend aanbod om aan de taken bedoeld in artikel 3.3 te voldoen, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in categorieën van jeugdhulp. 5.1.3 Artikel 2.1 van het Besluit jeugdwet bepaalt dat ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de wet, het college zorgdraagt voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid met betrekking tot: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; kindermishandeling en huiselijk geweld. 5.2 In zijn uitspraak van 1 mei 2017 (ELCI:NL:CRVB:2017:1477) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in r.o. 4.3.1. uiteengezet welk beoordelingskader verweerder moet toepassen. Zo heeft de CRvB overwogen dat uit artikel 3:2 Awb in samenhang met artikel 2.3 Jeugdwet volgt dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.