← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:5786

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.9555 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser, V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. J.M. Walls), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek-de Graaf). Procesverloop Bij besluit van 24 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 28 mei 2022 heeft eiser een aanvullend beroepschrift ingediend. Op 31 mei 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 3 juni 2022 gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Tunesische nationaliteit te bezitten.
  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder gemotiveerd overwogen dat de maatregel nodig is door het belang van de openbare orde en omdat er een significant risico bestaat op onderduiken. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; 3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  3. Eiser heeft in zijn aanvullend beroepschrift gesteld dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Hieruit volgt allereerst dat de door verweerder gekozen grondslag voor de bewaring niet in geschil is. Verder stelt de rechtbank met verweerder vast dat eiser het voortraject, noch de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd betwist. Evenmin heeft eiser bestreden dat hieruit een significant risico op onttrekking aan het toezicht kan worden afgeleid. Daarnaast heeft eiser geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat verweerder had kunnen volstaan met een minder ingrijpende maatregel om dit risico te ondervangen. De rechtbank stelt tot slot vast dat de termijnen van artikel 94, eerste, vierde en vijfde lid, van de Vw, in acht zijn genomen.
  4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.