← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:5789

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.5668 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [Naam], verzoekster V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. J.M. Niemer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.M. van Raak). Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de zaak NL22.5667, op 19 mei 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Verzoekster stelt een staatloze Palestijn te zijn en te zijn geboren op [Geb. datum]
  2. Eiseres heeft op 14 oktober 2018 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 9 juli 2019 afgewezen. Dit besluit staat inmiddels in rechte vast. Vervolgens heeft eiseres op 24 september 2021 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder op 31 maart 2022 afgewezen.
  3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van vandaag in zaak NL22.5667 geoordeeld dat er sprake is van (motiverings)gebreken in het besluit van 31 maart
  4. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om deze gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
  5. Verzoekster heeft er belang bij om de uitkomst van het beroep in Nederland te kunnen afwachten. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoekster niet mag worden uitgezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
  6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De voorzieningenrechter:- treft de voorlopige voorziening dat verzoekster niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.518,
  7. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M. van Andel, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.