RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.4412 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. M. Timmer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. I. Vugs). Procesverloop Bij besluit van 17 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een asielvergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2022 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding
- Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [Geboortedatum]. Eiser heeft op 14 november 2019 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 17 februari 2022 heeft verweerder eisers asielaanvraag ingewilligd. Standpunt van eiser
- Eiser voert aan dat dat hij procesbelang heeft bij dit beroep, omdat de inwilliging niet is gebaseerd op een behoorlijke beoordeling. Eiser stelt dat aan hem een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw had moeten worden verleend. Daarnaast verblijft eiser al sinds 2012 in Nederland en had verweerder de asielvergunning met terugwerkende kracht moeten verlenen. Tot slot heeft verweerder zijn bekering tot het christendom ten onrechte als ongeloofwaardig beoordeeld. Oordeel van de rechtbank
- Nu aan eiser een asielvergunning is verleend, moet de rechtbank eerst beoordelen of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Daarvoor is van belang dat eiser slechts kan opkomen tegen het bestreden besluit, als hij bij het instellen van beroep in een gunstigere positie zou kunnen raken. Ingangsdatum
- Als het beroep gegrond wordt verklaard, dan zal de asielvergunning van eiser een eerdere ingangsdatum krijgen waardoor hij ook eerder een sterker verblijfsrecht kan verkrijgen. Hierdoor kan eiser door het instellen van dit beroep in een gunstigere positie komen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep ten aanzien van de ingangsdatum.
- Het ligt het op de weg van eiser om een schriftelijk, expliciet en gemotiveerd verzoek te doen om de eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht vanaf datum indiening van de eerste asielaanvraag in te willigen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De algemene opmerking in beroep dat eiser al sinds 2012 in Nederland is en vanaf die datum een verblijfsvergunning wenst is hiertoe onvoldoende.
- Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen reden heeft hoeven zien om de asielaanvraag met een eerdere ingangsdatum in te willigen. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw
- De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling of hij voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in aanmerking komt. Eiser heeft immers een asielvergunning gekregen. Daarmee heeft hij het doel van de procedure bereikt. Een wijziging van de verleningsgrond brengt eiser niet in een gunstigere positie. Conclusie
- Het beroep voor zover het is gericht tegen de ingangsdatum van de verleende asielvergunning is ongegrond. Het beroep voor zover het is gericht tegen de verleningsgrond van eisers asielvergunning is niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep: - voor zover het is gericht tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning ongegrond; - voor zover het is gericht tegen de verleningsgrond van de asielvergunning niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:906.