← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:6014

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/2770 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2022 in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.S. Hoogendoorn). Procesverloop In het besluit van 7 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen. In het besluit van 9 november 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 november

  1. Op 12 maart 2021 heeft verweerder het besluit van 9 november 2020 ingetrokken. In het besluit van 22 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 1 april
  2. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Waar gaat deze zaak over?
  3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1969 en heeft de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Op 13 februari 2020 heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn echtgenote [referente] (referente). Op 22 april 2021 heeft verweerder eisers aanvraag ingewilligd en hem een verblijfsvergunning verleend van 16 april 2021 tot 16 april
  4. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum. Wat vindt eiser in beroep?
  5. Eiser vindt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder had moeten horen in bezwaar. Daarnaast heeft verweerder eiser geen duidelijkheid gegeven over of, dan wel, wanneer hij rechtmatig verblijf ontleende aan artikel 20 VWEU en waarom het mvv-vereiste werd tegengeworpen. Als verweerder zorgvuldig had gehandeld was eerder bekend geweest dat eiser van het mvv-vereiste kon worden vrijgesteld en was het verblijfsrecht ingegaan vanaf de datum van de aanvraag. Wat is het oordeel van de rechtbank? Procesbelang
  6. De rechtbank vraagt zich ambtshalve af of eiser wel procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep omdat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning. In dit geval heeft eiser wel procesbelang. Als het beroep gegrond wordt verklaard, dan zal de vergunning van eiser een eerdere ingangsdatum krijgen. Zo kan eiser door het instellen van beroep dus in een gunstiger positie komen. Eerdere ingangsdatum
  7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht 16 april 2021 als ingangsdatum heeft gebruikt. Verweerder heeft het besluit van 9 november 2020 ingetrokken omdat eiser terecht had aangevoerd dat hij tot de achtiende verjaardag van zijn zoon rechtmatig verblijf had op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Daarom is eiser vrijgesteld van het mvv-vereiste en heeft verweerder getoetst of ook aan de overige voorwaarden werd voldaan. Bij de toetsing bleek dat referente niet aan het middelenvereiste voldeed. Op 16 april 2021 is het contract van referente overgelegd waaruit bleek dat zij aan het middelenvereiste voldeed. Omdat op 16 april 2021 aan alle voorwaarden werd voldaan, heeft verweerder daarom terecht die datum als ingangsdatum vastgesteld.
  8. Het betoog dat verweerder bij de eerste toetsing van de aanvraag ook aan het middelenvereiste had moeten toetsen, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de toetsing van de aanvraag was verweerder van mening dat eiser niet aan het mvv-vereiste voldeed. Verweerder heeft de aanvraag op die grond afgewezen en heeft daarom niet getoetst aan de overige voorwaarden en hoefde dat ook niet te doen. Bovendien is ook niet gebleken dat referente ten tijde van de aanvraag aan het middelenvereiste voldeed. De stelling ter zitting dat verweerder minder streng met het middelenvereiste had moeten omgaan omdat hij van het mvv-vereiste is vrijgesteld, slaagt evenmin nu eiser niet heeft onderbouwd waaruit dat volgt. Conclusie
  9. Het beroep is ongegrond.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april
  11. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.